Tik Tak

Tijd is een monster.

De demon raast door de nachtelijke hemel. Slagtanden. Scherpe klauwen. Bodemloze putten in plaats van ogen. Een mond zo groot, dat als hij hem openspert alles verzwolgen raakt. Zijn lange lichaam kronkelt in de wind.

Tijd leeft van momenten, van minuten, uren, dagen. Tijd slokt de secondes op, verandert jaren in weken, en nog steeds heeft ze niet genoeg. 

Nooit genoeg.

Het wolkendek breekt open en de demon duikt naar beneden toe; zijn mond begint te wateren als hij de mensenmassa op de straten ziet, zo klein en nietig in verhouding met hun wolkenkrabbers die arrogant de hemel in torenen.

Tijd raast van het ene punt naar het andere punt, en niets en niemand blijft onaangetast. Tijd verslindt alles en iedereen, altijd op zoek naar haar volgende maal. Tijd kent geen rust, geen stilstand. Tijd moet verder.

Altijd verder.

Met een brul duikt de demon naar beneden toe. In eerste instantie reageert niemand – maar dan ziet de demon de eerste gezichten zich naar boven wenden. Eerst bevriezen ze. Dan slaan ze op de vlucht.

Paniek. Chaos.

De demon grijnst, zijn slagtanden lijken te groeien, en hij komt dichterbij, alsmaar dichterbij tot hij beneden is. Gegil, gehuil; het klinkt melodieus in zijn oren. Hij voelt zijn hartslag versnellen en hoort de slagen doordreunen in de grond, in het ritme van een klok.

Tik tak.

Hij verslindt iedereen die op zijn pad komt en keert terug voor de zielen die hij mist. Zakenmannen in dure pakken, vrouwen op hoge hakken, scholieren met rugtassen – het maakt hem niet uit wie ze zijn, welke hoop ze voor de toekomst hebben.

Alles draait om zijn leven. Zijn toekomst.

Hij laat een spoor van bloed en ravage achter, maar hij is nog lang niet klaar. Met al zijn kracht ramt hij zichzelf in de wolkenkrabbers, hij doorboort ze met zijn lichaam en raast door de kantoren, waar mensen gillend opspringen en tevergeefs op de vlucht proberen te slaan.

Puinbrokken vliegen in het rond als hij naar buiten gebarsten komt en zijn gelach klinkt als donker gerommel in de hemel. Zijn slagtanden glanzen in het licht van de maan en zijn holle oogkassen vestigen zich op een reusachtig flatgebouw; reusachtig, maar toch zo kwetsbaar.

Niets en niemand is tegen hem opgewassen.

Hij maakt meer vaart, ramt zichzelf het flatgebouw in en zoekt zich een weg door alle kamers. Hij vernietigt de muren, gooit alle meubels en eigendommen omver, verplettert en verscheurt de bewoners. Hij slaat zichzelf door muur na muur.

En stopt dan.

Het gaat niet vrijwillig; opeens verliest de demon de controle over zijn lichaam en blijft hij bewegingsloos in de lucht hangen. Hij is in een donkere kamer, schemerig verlicht door een aantal kaarsen.

In het midden van de kamer zit een meisje in kleermakerszit op de vloer. Haar handen rusten op haar knieën. Ze is klein en verfijnd. Strengen haar omlijsten haar mooie gezicht, waar een serene uitdrukking op ligt – een uitdrukking die zelfs niet verstoord raakt als ze haar blik opslaat en de demon ziet.

Er klinkt een diep gegrom vanuit zijn keel. Zijn klauwen jeuken om het meisje aan flarden te scheuren, zijn mond watert om haar vlees te proeven.

Maar hij kan niets meer.

Het meisje beweegt zich ook niet. Ze staart alleen maar naar de demon, een nachtmerrieachtig wezen dat alle mensen gillend op de vlucht doet slaan.

Ze is niet bang. Angst bestaat niet voor haar.

Zonder met haar ogen te knipperen blijft ze naar de demon staren – wiens adem stokt, als hij voelt hoe alle kracht zijn lichaam verlaat. Voor het eerst ervaart de demon wat angst is als zwakte hem overneemt. Zijn nagels worden bruin, dan zwart, laten opeens los en vallen met tikkende geluiden op de grond.

Tik tak, lijken ze te zeggen. Tik, tik, tak, tak.

Zijn woeste haren worden dunner en vallen uit; hij voelt zichzelf krimpen, verschrompelen. Alsof de tijd hem plotseling inhaalt, nadat hij eeuwenlang de wereld heeft geterroriseerd.

Het meisje kijkt kalm toe hoe de demon uit elkaar valt en verschrompelt, tot hij weinig meer lijkt te zijn dan een papierprop. De prop vat vlam, lijkt zichzelf op te vreten… en verdwijnt.

Er is geen spoor meer te bekennen van de demon.

De kaarsen in de kamer knisperen en de wind giert zachtjes, die door het gat dat in de muur is geslagen naar binnen blaast. Het meisje ademt langzaam uit en glimlacht.

Kleine, scherpe tanden komen vanonder haar bovenlip tevoorschijn en haar ogen glanzen hongerig.

Tijd is een monster. Niets en niemand blijft onaangetast; zelfs de vreselijkste demonen van de wereld niet. Tijd verslindt alles en iedereen, altijd op zoek naar haar volgende maal.

Tijd is een monster. Een onzichtbaar monster, dat je pas zal herkennen als het te laat is.

Ze likt met haar tong langs haar lippen.

‘Tik tak,’ fluistert ze.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Tik Tak, is geïnspireerd door de tijd; alles lijkt alsmaar sneller te gaan, de weken vliegen gewoon voorbij. Ik bedacht me laatst dat de tijd eigenlijk een monster is, een monster dat alles verslindt… en daar is dit verhaal uit voort gekomen 🙂

Advertenties

Het Eind is het Begin

Ik heb de tijd van mijn leven.

De zon is warm op mijn schouders en de zee is een palet van blauw en groen. Ik proef zout op mijn lippen, luister naar het gelach van mijn vrienden dat over het strand schalt, voel mijn spieren branden van kracht.

Vandaag lijkt eindeloos te zijn. We hebben in de zee gezwommen met gevleugelde dolfijnen, terwijl we ons aan hen vasthielden met iedere hoge sprong die ze namen. Ze bleven boven het wateroppervlak zweven met gespreide vleugels en eenmaal terug onder water, klonk hun gezang melodieuzer dan ieder lied dat ik ooit heb gehoord.

We hebben gesurft op hoge golven, samen met reusachtige schildpadden wiens roze, paarse en oranje schilderingen op hun schilden leken te bewegen in het zonlicht.

Daarna zijn we de lucht in gestegen op de rug van pelikanen, wiens vleugels glinsterden als waterdruppels en diamanten. Ik had mijn armen om de nek van het dier geslagen, die met krachtige vleugelslagen door de blauwe hemel zeilde, en ik lachte om de kreten van mijn vrienden.

Een dag vol magie, energie, blijdschap.

Een dag om nooit te vergeten.

Zodra de vogels op de grond zijn geland rennen we over het strand heen, voelen de korrels langs onze blote voeten schuren en de wind aan ons trekken. We spreiden onze armen, alsof we zelf kunnen vliegen en kunnen gaan waar we maar willen.

Dagen als deze doen me geloven dat het leven grenzeloos is.

Als de zon langzaam naar beneden begint te zakken, gaan we op weg naar het kleine restaurant verderop; een houten huisje met tafels die buiten in het zand staan, gele lichtjes die voor de ramen hangen, een surfplank die op het dak ligt.

Terwijl mijn vrienden voor me uit rennen, vertraag ik mijn pas tot ik stilsta. Ik kijk naar hen, luister weer eens naar hun gelach… en slik moeizaam.

Ik heb de tijd van mijn leven; dit is een dag om nooit te vergeten; dagen als deze doen me geloven dat het leven grenzeloos is-

En toch krijg ik een zwaar gevoel in mijn buik.

Een soort angst. Een soort verdriet.

Opeens ben ik bang om dit kwijt te raken. Deze dag, deze gevoelens, deze vrijheid. Ik zou willen dat al deze momenten tastbaar waren, objecten die ik kan bewaren en nooit kwijt kan raken.

Mijn vrienden stoppen vlak bij het restaurant en kijken vertwijfeld naar me om. ‘Hé, waarom blijf je achter?’

Het lukt me niet om iets te zeggen. Ik kijk naar mijn vrienden, bestudeer hun gezichten, knipper met mijn ogen alsof ik foto’s maak met een camera.

Eén van mijn vriendinnen komt naar me toe. Haar rode haar wordt van haar schouders geblazen door de wind en ze raakt mijn arm aan. ‘Wat is er?’

‘Ik wil niet dat deze dag eindigt,’ breng ik uit. ‘Vandaag is geweldig en we zullen het nooit meer terugkrijgen. Het zal een herinnering worden, maar ik zou willen dat het voor eeuwig zo kon zijn.’

Voor een moment zegt ze helemaal niets en bestudeert ze me alleen maar. ‘Natuurlijk komt vandaag tot een eind,’ begint ze dan, ‘natuurlijk krijgen we deze dag nooit meer terug. Alles wordt uiteindelijk een herinnering. Iedere dag, ieder moment. Maar het eind van deze dag is niet het einde van mooie dagen; het is het begin.’

‘Het begin…?’ herhaal ik aarzelend.

Ze knikt. ‘Na vandaag zullen er nog meer mooie dagen volgen. Misschien lijkt het er nu op dat geen enkele dag nog aan vandaag zal kunnen tippen, maar er zullen nog genoeg momenten in je leven volgen die je zal gaan koesteren. Het eind is gewoon het begin van iets nieuws – en dat is alleen maar mooi, toch?’

Als ze zich omdraait naar onze andere vrienden, beginnen ze te grijnzen. Eén van hen steekt zijn duim naar me op, een ander lacht haar tanden bloot.

Ik laat de woorden tot me bezinken, terwijl ik achter mijn rug de zee hoor ruisen, de gevleugelde dolfijnen hoor zingen en de pelikanen hoor krijsen in de hemel.

Vandaag is een prachtige dag.

Maar er zullen nog veel meer prachtige dagen volgen. De toekomst ligt voor me, weids en klaar om stukje bij beetje ingevuld te worden als een kleurplaat. En hoe helder en briljant die kleuren worden, dat beslis ik zelf.

Ik glimlach naar mijn vrienden, fluister ‘Dankjewel’ als er een arm om me heen wordt geslagen. We gaan aan één van de tafels zitten, praten en lachen zonder zorgen.

En ik denk niet meer aan het eind.

Ik denk alleen nog maar aan het begin.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Het Eind is het Begin, is gewoon een herinnering aan iedereen die soms iets te veel met het einde bezig is 😉

Moeder van Inspiratie

Ik krijg geen woord op papier en geen verf op het doek.

Ik ben leeg.

Zo stroomde de inspiratie nog door me heen, woest als een rivier van kleuren, woorden en melodieën. Maar nu is het weg. Het is opgedroogd, verdampt als een waterplas, alsof het er nooit is geweest.

Mijn lichaam en geest voelen zwaar, de grond onder mijn voeten voelt wankel en ik zie de wereld door een grijs waas.

Maar ik ben niet van plan om zo te blijven leven.

Ik zal nieuwe inspiratie vinden.

Er is me verteld over de Moeder van Inspiratie; een mythische vrouw die diep in de velden leeft en je een magisch soort inspiratie kan geven, een bron die nooit opdroogt.

Terwijl ik mijn ogen samenknijp tegen de ondergaande zon die laag aan de horizon staat, trek ik mijn rieten hoed recht, hijs mijn gerafelde rugtas op en verstevig mijn greep op de lange, houten stok in mijn hand. Ik heb geen idee hoe lang ik onderweg ben geweest. Dagen, weken?

Het maakt niet uit. Ik ben er nu.

Het gras ritselt in de wind. De groene sprieten lijken bijna goud in het zonlicht en onder de rode hemel. Ik haal diep adem, til mijn stok op en doe een stap naar voren, het veld in.

Terwijl ik loop kijk ik om me heen, zoekend naar een vrouw, een gedaante, een beweging. Het veld lijkt eindeloos. Ik zie alleen maar gras, hier en daar een boom. De zon is warm, de hitte brandt door mijn kleding, maar wordt dan verkoeld door de wind. Ik loop verder, eerst nog met stevige pas, daarna aarzelend als ik nog steeds niet kan zien waar het veld eindigt.

Fronsend blijf ik staan. Ik draai me om en knipper met mijn ogen. Ik kan niet eens meer zien waar ik vandaan ben gekomen. Ik zie alleen maar gras, een eindeloze zee van gras-

Een vrouw.

Daar staat ze, links van me. Mijn adem stokt en mijn greep op de houten stok verzwakt. Ze heeft lange, grijze haren die golven in de wind. Het ene moment lijkt ze heel oud te zijn, het volgende moment juist jong. Ze draagt een lange jurk die woest om haar benen danst.

‘Bent u… Bent u de Moeder van Inspiratie?’ vraag ik ademloos.

Een langzame glimlach spreidt zich uit over haar lippen. Haar ogen glinsteren in de zon. ‘Zo word ik genoemd,’ zegt ze.

Ik doe mijn hoed af. ‘Kunt u mij nieuwe inspiratie geven?’

Ze bestudeert me, nog steeds glimlachend, en ik zie de wijsheid in haar blik. Een eeuwenoude wijsheid, lijkt het wel. Ik vraag me af hoe oud ze is. Of ze eigenlijk wel van deze wereld is.

‘Ga in het gras zitten,’ zegt ze opeens. ‘En sluit je ogen.’

Ik aarzel even, maar doe dan toch wat ze zegt. Ik leg mijn hoed, stok en rugtas naast me neer in het gras, laat mijn handen op mijn knieën rusten en mijn oogleden naar beneden zakken.

‘Luister naar de geluiden die je hoort,’ hoor ik de vrouw zeggen. ‘Merk de dingen op die je voelt. En laat de beelden toe die voor je geestesoog verschijnen.’

Ik recht mijn rug en laat een zucht uit mijn longen ontsnappen. Ik concentreer me op de wind die langs me heen strijkt en aan mijn haar trekt. Ik focus me op de zon die warm op mijn huid schijnt. Ik luister naar het geritsel van het gras en de boombladeren; ik luister naar het gekwetter van de vogels.

En opeens dringt het tot me door dat de vogelzang op een lied lijkt, een lied dat me naar een hele andere wereld brengt. Ik stel me voor hoe ik bovenop een berg sta, waar de wind aan me trekt en de zon alles onderdompelt in een oranje gloed. De wind neemt toe, trekt harder aan mijn kleding… en ik krijg vleugels.

Ik voel ze uit mijn rug groeien en dan sla ik ze uit. Met een ruk stijg ik de lucht in, met een hol gevoel in mijn maag. Ik lach als ik de wereld zich onder me uit zie strekken, zo klein en ver weg. Dan duik ik naar beneden toe, met mijn armen strak tegen mijn lichaam geklemd.

De wind raast langs me heen, slaat alle lucht uit mijn longen, de grond komt alsmaar dichterbij. Ik zie steeds meer details; ik zie bomen waar geen bladeren, maar grote bloemen in groeien. Ik zie rivieren waar vissen in zwemmen, glinsterend in het zonlicht en in alle mogelijke kleuren. Ik vlieg over het water heen, steek mijn hand uit en laat mijn vingers over het oppervlak strijken.

Met een gilletje vlieg ik verder, onder de bloembomen door, en ik zie wezens rondlopen met lange nekken en ingewikkelde patronen op hun vacht. Ze eten de vruchten die aan de hoogste takken hangen en kijken op als ik voorbijgevlogen kom.

Als ik de beschutting van de bomen verlaat zie ik een grasveld, dat glinstert als goud in de ondergaande zon. Ik zie mensen met lange gewaden in cirkels dansen, ik zie vogels met rode veren en lange staarten om hen heen vliegen, ik hoor gezang.

En dan… dan zie ik mezelf in het gras zitten.

Mijn ogen vliegen open.

Ik heb geen vleugels meer. Ik zit gewoon in het gras; mijn hoed, stok en tas liggen naast me.

Alles is mijn verbeelding geweest.

Maar mijn hoofd lijkt nog steeds over te stromen van die beelden, nieuwe ideeën komen tot leven en mijn handen jeuken om alles vast te leggen, zodat ik het kan delen met de rest van de wereld.

Ik spring overeind en lach naar de vrouw. ‘U heeft me nieuwe inspiratie gegeven-’

‘Nee,’ zegt ze. ‘Dat heb ik niet.’

Vertwijfeld kijk ik haar aan. ‘Jawel. U-’

‘Jij hebt je inspiratie zelf gevonden,’ onderbreekt ze me. ‘Ik wil je bedanken voor de reis die je hebt afgelegd om mij te bezoeken; maar ik wil dat je onthoudt dat je dat voortaan niet meer hoeft te doen. Je hoeft niet naar alle uithoeken van de wereld te vluchten om inspiratie te vinden. De inspiratie zit in jóú. Het enige wat je hoeft te doen is je ogen sluiten en je mee laten voeren door alles wat je hoort en voelt. Dan zie je vanzelf de prachtigste dingen,’ voegt ze er zachter aan toe en ze glimlacht.

Voor een moment weet ik niets te zeggen. De reis hiernaartoe was lang en ik was ervan overtuigd dat deze vrouw me zou helpen. Maar in feite heeft ze mij zelf naar mijn inspiratie laten zoeken… en ik heb het gevonden, op eigen kracht.

Ik glimlach naar haar terug. ‘Ik begrijp het nu,’ zeg ik. ‘Maar ik weet niet zeker of ik deze les zonder uw hulp had geleerd. Dus dat maakt u toch de Moeder van Inspiratie.’

Ze schudt haar hoofd en zegt niets, maar blijft glimlachen.

‘Dank u wel,’ zeg ik, nadat ik mijn hoed heb opgezet, mijn rugtas heb omgedaan en mijn stok heb opgeraapt.

‘Ga,’ fluistert ze en de wind blaast de grijze haren langs haar gezicht. ‘Ren naar huis en schrijf je nieuwe woorden; schilder je nieuwe kleuren; zing je nieuwe lied. Deel het met de wereld. Laat de inspiratie vloeien.’

Ik knik, draai me om en begin te rennen.

Ik kan niet wachten.

Ik kan niet wachten om nieuwe werelden te schapen, nieuwe wezens te ontmoeten, een nieuw leven te leiden.

Mijn inspiratie is terug. En blijft voor eeuwig van mij, en van mij alleen.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Moeder van Inspiratie, is voor iedereen die inspiratie zoekt ❤

Zijn Hart in een Brief

Zijn hart slaat snel, terwijl hij neerkijkt op de dubbelgevouwen brief in zijn handen. Hij slikt om zijn droge keel te smeren, haalt diep adem en laat zijn blik over de heuvel dwalen.

Ze is nog nergens te zien. Hij werpt een blik op zijn horloge. Hij is dan ook veel te vroeg gekomen; ze hebben pas over tien minuten afgesproken.

Hij zit op een houten bankje op een heuvel, half in de schaduw van een boom. Onder de heuvel strekken de straten van de stad zich uit en in de verte ziet hij puntige bergen oprijzen, die baden in de roze gloed van de ondergaande zon.

Hoe vaak heeft hij hier niet met haar gezeten, wensend dat hij de woorden durfde te zeggen die iedere dag op zijn tong branden? De woorden, die al zo lang in zijn hart zitten?

Eigenlijk kan hij zich niet eens meer herinneren wanneer hij verliefd op haar is geworden. Eerst waren ze gewoon vrienden. En toen, van het één op andere moment, was ze veel meer voor hem geworden.

Misschien was het die ochtend in het bos, toen het hem voor het eerst opviel hoe blauw haar ogen zijn.

Misschien was het die avond in de bioscoop, toen het voor het eerst tot hem doordrong hoe melodieus haar lach is; hoe het alle gewicht van zijn schouders lijkt te tillen en hem een fladderend gevoel in zijn buik geeft.

Misschien was het die middag op het strand, toen ze met haar blote voeten in de branding van de zee ging staan, haar armen spreidde en haar ogen sloot, terwijl de wind aan haar haren en kleding trok, en hij voor het eerst zag hoe vrij ze is; toen hij zich voor het eerst realiseerde hoe vrij ze hém zich doet voelen.

Of misschien was het hun allereerste ontmoeting, een paar jaar geleden, maar herkende hij toen gewoon het gevoel niet dat ze op deed bloeien in zijn hart.

Hij houdt van haar. En dat heeft hij in zijn brief geschreven, die hij zo meteen aan haar wil geven.

De wind trekt aan de kraag van zijn jack en doet het papier zachtjes ritselen. Als hij de brief nu los zou laten, zou de wind hem beetgrijpen en van hem weg doen vliegen. Hij glimlacht flauwtjes als hij zich voorstelt hoe de brief hoger en hoger de lucht in zou stijgen en zou veranderen in een vogel.

De vogel zou zijn vleugels spreiden en zich mee laten voeren op de stroming van de wind, zijn buik roze in de gloed van de zonsondergang. Hij zou naar de bergen vliegen, over de bomen heen en tussen de takken door. Bloesemblaadjes zouden om hem heen dansen en op zijn vleugels gaan liggen. Uiteindelijk zou de vogel terugkeren… en daar zou zij zijn, de liefde van zijn leven. Ze zou lachend opkijken naar de vogel die boven haar hoofd cirkelde en de bloesemblaadjes die op haar neerregenden. En dan zouden zijn woorden haar bereiken, iedere letter zou op haar huid vallen en in haar hart verdwijnen, en dan-

Een heldere stem roept zijn naam.

Met een ruk schrikt hij op uit zijn fantasie en zijn hart maakt een sprongetje als hij haar ziet. Ze rent tegen de heuvel op, wild zwaaiend met haar armen. Ze is buiten adem als ze zich naast hem op het bankje laat vallen en kijkt hem lachend aan. ‘Hoi,’ zegt ze opgewekt.

Hij kijkt naar haar blauwe ogen, luistert naar haar lach, ziet de vrijheid in haar verwilderde haren. ‘Hé,’ zegt hij, net iets te laat.

‘Zullen we zo gaan? Het festival begint over een half uur, maar misschien kunnen we de stad nog even ingaan? Dat kraampje staat er weer – je weet wel, die ene die zoete broodjes verkoopt,’ voegt ze eraan toe, terwijl ze een hand op zijn arm legt.

‘Ja… Ja, is goed,’ zegt hij, maar hij krijgt de woorden er amper uit; zijn hart zit in de weg, bonkend in zijn keel. Hij verstevigt zijn greep op de brief, haalt diep adem en opent bijna zijn mond om te vragen: Zou je eerst mijn brief willen lezen?

Voordat de woorden zijn lippen kunnen verlaten, legt ze opeens haar hoofd op zijn schouder. Hij stopt met ademhalen. ‘Ik heb zóveel zin in vanavond,’ lacht ze. ‘Ik heb er de hele dag naar uitgekeken!’

Ik ook, wil hij zeggen, maar het lukt hem niet nu ze zo dichtbij hem zit. Haar haren kriebelen tegen zijn kin, hij ruikt een vlaag van haar zoete parfum. Hij houdt de brief nog steeds in zijn hand, hij vouwt hem bijna uit om hem aan haar te geven-

‘Ik ben blij dat ik jou heb,’ zegt ze zachtjes. ‘Je bent echt mijn beste vriend.’

Mijn beste vriend. Haar woorden verlammen hem waar hij zit, galmen door zijn hoofd, steken hem in zijn hart, verwarren hem.

Zij is zijn beste vriendin. En toch houdt hij van haar. Kan dat betekenen dat voor haar hetzelfde geldt? Of bedoelt ze dat ze niets anders van hem verlangt dan vriendschap en dat er geen plek is in haar hart voor zijn liefde?

Als hij haar nu de brief geeft, zal hij erachter komen.

Ze zal zijn gevoelens beantwoorden.

Of zijn woorden zullen alles vernietigen.

Hij klemt zijn kaken even op elkaar, sluit zijn ogen en laat zijn kin op haar hoofd zakken. Hij ademt diep in en krijgt een bitterzoet gevoel. Bitter, omdat ze zo dichtbij is en toch niet dichtbij genoeg. Zoet, omdat dit soort momenten zo waardevol voor hem zijn.

Te waardevol om in gevaar te brengen.

‘Wat is dat?’ vraagt ze opeens en ze heft haar hoofd op van zijn schouder, wijzend naar de brief.

Weer een kans. Een tweede kans om haar alsnog de brief te geven.

Hij aarzelt, kijkt in haar blauwe ogen.

‘Niets,’ zegt hij dan met een snelle glimlach, terwijl hij de brief in zijn jaszak propt.

Ze fronst even, bestudeert hem met een blik alsof ze hem niet gelooft. Alsof ze weet wat voor brief dat is en wat er in staat.

Hij weet niet zeker of hij opluchting of teleurstelling in haar ogen ziet, voordat ze haar blik neerslaat en opspringt van het bankje. ‘Kom op, laten we gaan. Ik trakteer!’

‘Oké,’ zegt hij met een lach en hij komt zelf ook overeind. Ze rent van hem weg de heuvel af, maar hij volgt haar nog niet. Hij trekt de brief uit zijn jaszak en vouwt er een vliegtuig van. Hij brengt zijn arm naar achteren en gooit het papieren vliegtuig dan met een strakke beweging in de lucht.

De brief vliegt van hem weg, zwevend op de windstroming – en plotseling lijkt hij sprekend op de vogel uit zijn fantasie, die naar de bergen vloog en-

‘Hé, waar blijf je nou?’

Hij wendt zich van het papieren vliegtuig af en ziet haar halverwege de heuvel staan, wild zwaaiend met haar armen. Hij grijnst en rent dan naar haar toe. Hij voelt zich licht, zo licht dat hij bijna van de heuvel lijkt te vliegen.

Op een dag zullen zijn woorden haar bereiken. Misschien morgen. Misschien over een week, of over een jaar. Op een dag zal hij het durven.

Voor nu is hij blij met het fantaseren over vogels die door de lucht zweven. Voor nu is hij blij met iedere dag die hij met haar kan delen.

Hoe lang het nog duurt voor hij zijn gevoelens aan haar opbiecht, dat maakt niet uit.

De woorden in zijn hart zullen nooit veranderen.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Zijn Hart in een Brief, is deze keer niet geïnspireerd door een WordPress Daily Prompt, maar door het liedje “True Love” van Kim Sung Kyu. ❤

Bos van Leven

Dode bladeren en uitgedroogde boomtakken maken knerpende en krakende geluiden onder haar schoenzolen. Als ze stil blijft staan en neerhurkt, is er geen geluid meer te horen. Niet eens een vogel. Niet eens een zuchtje wind.

Het bos is dood. Het heeft geen ziel meer. Het is een leeg, droog omhulsel en alles wat er ooit heeft geleefd beweegt niet meer, haalt geen adem meer, voelt niets meer.

Haar eigen hart voelt als dit dode bos, als ze naar het wezen kijkt waar ze bij neerhurkt. Het is een slank dier – het lijkt op een hert, hoewel zijn vacht bijna zwart is en een blauwe glans vangt. Zijn witte gewei is net zo broos als de boomtakken die op de grond liggen, terwijl ze zich nog zo goed kan herinneren hoe ze voorheen opgloeiden in de nacht.

Ze slikt moeizaam en kijkt weer om zich heen. De bomen zijn kaal, zelfs de struiken weten hun bladeren niet meer vast te houden. En hoewel ze hen vanwaar ze zit niet kan zien, weet ze dat er nog meer wezens op de grond zijn gestort, wachtend tot de tijd hun lichamen zal doen verpulveren tot stof.

Tijd. Daar is niet veel meer van. Maar misschien nog net genoeg, als ze haast maakt.

Terwijl ze overeind komt raakt ze kort haar lederen heuptas aan, die onder de krassen en beschadigingen zit, verweerd door de vele reizen die ze al heeft afgelegd.

Ze loopt weg, haast zich door het bos heen en als ze eenmaal onder het web van kale takken en twijgen vandaan komt, versnelt ze haar pas tot ze rent. Ze vliegt door de open velden heen, met de wind in haar haar en dikke grasstengels die tegen haar benen slaan.

Ze is op weg naar het Bos van Leven; het bos dat een hartslag geeft aan alle bomen, planten en dieren.

Als de zon van plek wisselt met de maan en de hemel volstroomt met sterren, heeft ze de velden achter zich gelaten en strekt een droog gebied zich voor haar uit. De bruine grond onder haar voeten zit vol met kraaklijnen en ligt bedolven onder stof en zand – maar tussen die kraaklijnen ziet ze planten en bloemen tevoorschijn komen. Zelfs hier is er leven.

Om te rusten zoekt ze de beschutting van een paar rotsen op. Ze legt haar tas onder haar hoofd en trekt haar mantel dichter om zich heen. Met een diepe zucht sluit ze haar ogen en wacht tot ze overmand wordt door slaap. Ze droomt over hoe levendig het bos vroeger was. Hoe alles ademde, bewoog, leefde. Ze droomt over hoe de wind in haar oren zong en hoe ze de hartslag van het bos in de grond voelde, in ritme met haar eigen hart.

Zonlicht dat door haar oogleden brandt maakt haar de volgende ochtend wakker. Ze gaat weer op weg, trekt verder door het rotsachtige gebied, dat na verloop van tijd verandert in een landschap van met mos begroeide boomstronken die als een trap dienen.

Zachte regen kriebelt in haar gezicht en maakt haar kleding vochtig. Ze klimt steeds verder omhoog, van boomstronk naar boomstronk. Ze zijn glad en ze moet oppassen dat ze niet uitglijdt, maar ze blijft doorgaan, onbevreesd en vastbesloten. Paddenstoelen in alle mogelijke kleuren groeien uit de boomstronken; hun kleuren zijn briljant, zelfs onder de bewolkte hemel.

Hoe hoger ze komt, hoe ijler de lucht wordt die haar longen vult. Ze laat de boomstronken achter zich en de regen verandert in sneeuw, ontelbare witte vlokjes die gewichtsloos naar beneden dwarrelen en aan haar mantel en wimpers blijven kleven.

De sneeuw op de grond wordt dieper, iedere stap die ze zet wordt zwaarder. Ze houdt haar arm voor haar gezicht geheven om de wind en sneeuw uit haar ogen te houden. De wind snijdt in haar huid, sist in haar oren dat ze beter op kan geven en terug moet gaan.

Ze geeft niet op.

Witte grond, witte rotsen, witte bergen. Ze kan bijna niets van elkaar onderscheiden.

Maar dan ziet ze een beweging.

Ze blijft met een ruk staan en houdt haar adem in. Een groot, tijgerachtig wezen komt onder een rots tevoorschijn en sluipt op haar af. Zijn grote poten maken amper geluid en zijn dikke vacht is net zo wit als de sneeuw. Hij houdt zich laag en afgezien van de gierende wind, denkt ze diep gegrom te horen. Het wezen komt dichterbij en houdt haar gevangen in zijn blik; zijn ogen zijn blauw, zo blauw als de hemel.

Het wezen blijft vlak voor haar staan. Hoewel hij zich laag houdt, komt zijn kop tot aan haar middel. Dampwolken kringelen uit zijn bek en hij kijkt vijandig naar haar op, grommend en met ontblote tanden.

Hij verspert haar de weg. Maar ze is al zo ver gekomen.

‘Alsjeblieft,’ brengt ze uit en ze moet haar stem verheffen om boven de wind uit te komen, ‘laat me erlangs. Ik ben op weg naar het Bos van Leven. Het bos waar ik vandaan kom is dood; er is geen leven meer, helemaal niets. Als ik nu niets doe, zal het bos veranderen in stof en as, en dan zal het bos voor eeuwig verdwijnen.’

Ze heeft geen idee of het wezen haar kan verstaan. Ze kan communiceren met de wezens in haar bos, maar ze hoort niet thuis in dit land van winter – en even is ze ervan overtuigd dat het wezen dat ook weet.

Dan verandert er iets in zijn ogen. Ze lijken lichter te worden van kleur en opeens heft hij langzaam zijn kop op. Hij duwt zijn snuit tegen haar hand aan, draait zich dan om en loopt van haar weg. Ze knippert verrast met haar ogen. Het wezen kijkt naar haar om, gebaart met zijn kop en loopt dan weer door.

Alsof hij wil dat ze hem volgt.

Een opgeluchte glimlach trekt aan haar mondhoeken en ze haast zich achter het wezen aan. Hij leidt haar door het landschap, toont haar paden die ze zelf nooit had kunnen vinden, en laat haar op zijn rug zitten als ze rotsen moeten beklimmen die te steil zijn voor haar vermoeide armen en benen.

Hoe hoger ze komen, hoe helderder de lucht wordt. Het stopt met sneeuwen, en als ze eenmaal bovenaan zijn en ze van de rug van het wezen klimt, kijken ze samen op naar de hemel die gevuld wordt met allerlei kleuren; blauwe, groene en paarse bogen, die zich met elkaar vervlechten en door de zee van sterren glijden.

Na een stilte wendt ze zich af van de lucht en haar ogen worden groot als ze het ziet liggen in de verte: haar eindbestemming.

Het Bos van Leven.

Ze bedankt het tijgerwezen dat haar heeft geholpen en haast zich naar het bos toe. Met hernieuwde kracht begint ze te rennen door een graanveld met wit opgloeiende stengels, naar het bos dat alsmaar groter wordt naarmate ze dichterbij komt. De bomen torenen tientallen, misschien wel honderden meters de hemel in. De boombladeren zijn zwart, maar ze vangen de kleuren van de hemel en lijken het ene moment groen te zijn, het volgende moment blauw, dan paars.

Eenmaal in het bos vertraagt ze haar pas. Ze volgt een smal beekje dat tussen de bomen door leidt. Het water glinstert, hoewel de bladerdaken zo dicht zijn dat ze geen licht doorlaten; het lijkt wel een sterrenhemel van water. Ze blijft het beekje volgen.

En dan is ze er.

Een open plek in het magische bos, waar een waterval met een machtig, bulderend geluid in een rivier stort. Ook dit water glinstert en mistslierten drijven door de lucht. Heel even denkt ze dat die ook glinsteren – maar dan ziet ze dat de glinsteringen in de lucht op eigen kracht bewegen.

Het lijken wel vuurvliegjes. Ze worden ook wel Levensschenkers genoemd.

Met trillende handen reikt ze in haar heuptas en trekt een glazen pot tevoorschijn. Ze haalt de dop eraf en houdt dan de pot voor zich uitgestoken met beide handen.

‘Willen jullie me helpen mijn bos tot leven te wekken?’ fluistert ze. ‘Om mijn thuis weer een hartslag te geven?’

Zodra ze uitgesproken is, lijken de Levensschenkers bevroren te zijn in de lucht. Ze houdt haar adem in, net als ze deed in het winterland.

Dan komen ze naar haar toe gezweefd. Tranen van opluchting springen in haar ogen als minstens tien Levensschenkers in haar pot gaan zitten. ‘Dankjewel,’ fluistert ze, als ze de dop dichtdraait.

Ze blijft nog heel even staan en maakt een diepe buiging naar de andere Levensschenkers.

Tijd om terug te gaan.

 

* * *

 

Ze volgt het beekje en verlaat het bos. Halverwege het veld van witte, opgloeiende graanstengels, stopt ze als ze het tijgerwezen naar zich toe ziet komen. Hij snuffelt aan haar tas, knikt met zijn grote kop en gaat dan in het graan liggen. Hij gebaart met zijn staart, tot ze zich laat zakken en zich tegen hem aan nestelt. Zijn vacht is zacht, zijn lichaam is warm, en ze beseft nu pas hoe moe ze is.

Onder het wakend oog van het wezen valt ze in slaap, totdat hij haar de volgende ochtend weer wakker maakt. Hij begeleidt haar door zijn winterland, totdat de sneeuw weer verandert in regen. Ze drukt een kus op zijn kop, bedankt hem en belooft dat ze hem nog eens op zal zoeken.

Ze zoekt zich een weg naar beneden, klautert van de boomstronken af en bewondert de kleurrijke paddenstoelen. Als ze beneden is, stopt de regen en brandt de zon op haar huid. Ze haast zich door de stoffige woestenij, valt weer in slaap bij dezelfde rotsen als op de heenweg, en begint de volgende ochtend te rennen.

Niets kan haar nog vermoeien. Niets kan haar nog tegenhouden. De zon begint weer langzaam onder te gaan als ze de grasvelden bereikt en schildert rode, roze en oranje strepen in de lucht.

Ze vertraagt haar pas als ze de kale takken van het bos weer ziet en buiten adem loopt ze onder de bomen door. Ze loopt naar het hart van het bos, tot ze weer bij het hertachtige wezen staat, dat nog altijd geen vin heeft verroerd.

Zo voorzichtig mogelijk haalt ze de pot uit haar tas en na diep ademhalen draait ze de dop eraf. De Levensschenkers zweven naar boven toe, boven de rand van de pot uit. Een aantal stijgt hoger de lucht in en ze volgt de weg die ze afleggen met haar blik. Ze gaan op de kale takken van de bomen zitten en een bries steekt op.

De wind is warm. Zacht, als een ademhaling. Het blaast de haren uit haar gezicht, doet de twijgen ritselen. De roze lucht achter de kale boomtakken lijkt dieper van kleur te worden – en begint dan te verdwijnen; het wordt langzaam maar zeker opgeslokt door de frisgroene bladeren die beginnen te ontluiken.

Ze lacht en kijkt om zich heen. De bomen komen weer tot leven, het struikgewas ook. De dode bladeren op de grond maken plaats voor gras, dat sprietje voor sprietje uit de aarde gegroeid komt. Ze ziet bloemen, ze ziet leven. Ze voelt een hartslag onder haar voeten, ritmisch en sterk, en hoort de wind zingen als het door de bladeren glijdt.

Dan kijkt ze naar beneden, naar het roerloze wezen aan haar voeten. Eén Levensschenker landt op zijn gewei en na enkele momenten begint het een zachte, witte gloed uit te stralen. Ze legt haar hand tegen haar hart, kijkt gespannen toe. Ze durft amper te bewegen als ze de borstkas van het wezen plotseling op en neer ziet deinen en zijn zwarte vacht begint te glanzen.

Zijn ogen gaan open.

Ze zijn groen, zo groen als de bladeren aan de bomen.

Het wezen komt overeind en met zijn gewei torent hij een meter boven haar uit. Ze glimlacht en slikt de brok in haar keel door. Hij kijkt haar aan, zakt dan iets door zijn voorpoten heen en laat zijn kop zakken.

Hij buigt, zoals zij boog voor het Bos van Leven.

Ze buigt terug en voelt een traan over haar wang biggelen.

Als ze weer opkijkt is het wezen ook overeind gekomen – en hij draait met een ruk zijn kop om als er een kreet klinkt, die door het hele bos galmt. Niet lang daarna doemen er allemaal wit opgloeiende geweien op, half verscholen achter struikgewas en bomen.

Het wezen kijkt nog één keer naar haar om. Ze knikt. Dan rent hij weg, lichtvoetig en snel; zijn hoeven maken ritselende geluiden in het gras.

Ze kijkt de kudde na, waarna ze haar blik door het bos laat dwalen. De Levensschenkers zweven loom door de lucht; ze gaan niet weg. Ze blijven.

Vanavond is het tweede Bos van Leven geboren.

Ze hoopt dat velen de moed zullen vinden om dezelfde reis af te leggen als zij – want niets is waardevoller dan leven.

Dan een hartslag.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Bos van Leven, is geïnspireerd door de WordPress Daily Prompt “Forest” van 11 mei 2018.

Legende

‘Jij zal een legende worden.’

Ik hoor de woorden van mijn oude leermeesteres door mijn hoofd galmen, half overstemd door het geraas van de zee, het water dat me omringt als een muur en het gebrul van het reusachtige wezen dat voor me oprijst.

Ik hoor haar woorden, haar allesbeslissende woorden die ze ’s nachts tegen me zei, samen met het geknisper van het vuur dat haar ogen deed glanzen.

Haar ogen, gevuld met overtuiging. Gevuld met vertrouwen.

In mij.

Ik voel diezelfde overtuiging, datzelfde vertrouwen, ook al heb ik vele voorgangers gehad. Vele voorgangers die allemaal hebben geprobeerd de Waterdraak voor eens en altijd te verslaan. Het monster terroriseert de wereld al eeuwenlang. Het doet schepen omslaan en de bemanning verdrinken. Het overspoelt het land en vernietigt de gewassen. Het verleidt je om naar de zee te komen… en sleurt je met zich mee, de dieptes van de oceaan in.

Mijn kleding raakt doorweekt en ik zet me schrap, terwijl ik opkijk naar de Waterdraak. Hij is doorschijnend, als water, en spert zijn bek wijd open. Zeewater regent over me heen, striemt langs mijn wangen en maakt de grond onder mijn voeten glibberig. Ik verstevig mijn greep op het heft van mijn zwaard en kijk het wezen in de ogen, die als de schuimkoppen van golven zijn.

Lichtflitsen glijden tussen de donkergrijze wolken heen, met groeiende vertakkingen en knetterende geluiden. Ze verdwijnen uit mijn zicht als de draak zijn vleugels weer eens uitslaat. Ik zie water door zijn lichaam stromen, hij is als een reusachtige golf die aan de ene kant constant in beweging is, maar aan de andere kant als een muur is.

Een massieve muur, waar je niet omheen kan.

Maar wel doorheen.

Ik haal diep adem. Zet mezelf af. Slaak een kreet. Duik met een sprong naar voren toe en hef mijn zwaard boven me op. Ik vlieg, ik weeg niets meer; mijn zwaard is geen wapen in mijn hand, maar een verlenging van mij.

We zijn één wezen en we bestaan om de wereld te bevrijden van dit monster.

Ik zal doen wat niemand ooit is gelukt. Ik zal doen waarin mijn voorgangers zijn gefaald. Ik zal een legende worden, ik-

De Waterdraak duikt met een bulderend geluid naar beneden toe en mijn ogen worden groot als ik zijn bek, zo donker als een oneindige oceaan, naar me toe zie komen. Ik kan niets doen, maar ik ben bijna bij hem en nog even en ik rijt zijn buik open met mijn zwaard. Hij zal uiteenspatten als een golf die breekt, en-

De draak is sneller.

Duisternis slokt me op voor ik bij hem ben en de zee sleurt me met zich mee. Mijn zwaard wordt uit mijn hand gerukt en alle lucht wordt uit mijn longen gestoten.

Water. Er is alleen nog maar water.

Koud, bruut water dat me naar links trekt, naar rechts, naar voren, naar achteren. Ik ben niets. Ik ben zwak. Ik kan me niet verzetten, de kracht van het water is te groot.

En dan stopt het.

Het gebulder houdt op en stilte vult mijn oren. Ik word niet meer heen en weer getrokken, maar ik zweef. Het enige wat ik zie is absolute duisternis en ik heb geen idee of ik nog ademhaal of niet. Ik voel geen pijn, geen kou.

Ik ben niets. Ik ben nergens.

‘Jij bent de zoveelste die ons probeert te vernietigen,’ galmt een stem door de duisternis, ‘en de zoveelste die faalt.’

Ik probeer om me heen te kijken, maar kan me niet bewegen.

‘Je wil een legende worden, door een andere legende te doden.’

‘Jij bent geen legende,’ breng ik uit, ‘je bent een monster.’

‘De arrogantie van de mensheid.’

‘Je vernietigt alles. Je doodt mensen en-’

‘Alleen omdat ze ons proberen te doden. Wij zijn groot. Wij zijn machtig. We hadden de mensheid kunnen helpen, maar mensen zijn bang voor alles dat machtiger is dan zij. Het moet sterven. Het moet verdwijnen. Maar wij zijn een legende en een legende is onsterfelijk.’

Ik zeg niets meer. Ik zweef in het niets en herhaal de woorden in mijn hoofd die de stem constant blijft herhalen: wij en ons.

En opeens dringt het tot me door waarom de stem lijkt te galmen; het is niet slechts één stem. Het zijn er meerderen. Tientallen, misschien wel honderden.

‘Wie zijn jullie?’ fluister ik.

‘Wij zijn alle zielen die hebben geprobeerd de legendes van de wereld te doden. Alle zielen die nu één zijn, en de legende in leven houden.’ De stemmen zwijgen even. ‘En nu zal jij je bij ons voegen, jonge krijger. Het is nu aan jou om ons te leiden, totdat de volgende opstaat en probeert de legende te doden.’

‘Ik… word de Waterdraak?’

‘Jij wordt een legende. En hoe deze legende verdergaat, ligt aan jou en de krijger wiens pad je zal kruisen. Blijft dit een legende van bloedvergiet en destructie? Of…’

‘…wordt dit een legende van een nieuw begin?’ maak ik de zin af en het is net alsof ík de hele tijd al heb gesproken, en niet al die andere stemmen. Ik bind al die stemmen samen, ik breng ze allemaal bij elkaar. Mijn stem is nu hun stem. Onze stem.

Het gebulder keert terug en ik zweef niet langer – ik raas door het water heen. Ik kan me weer bewegen en ik ben groot, groter dan ik ooit ben geweest.

Alsof ik door een muur heen barst kom ik boven water en ik sla mijn vleugels uit. Ik stijg de hemel in en zie de wolken uit elkaar breken. De ondergaande zon is een rode bol aan de horizon en ik glinster in zijn stralen. De wolken zijn roze, paars, oranje.

Ik vlieg, wij vliegen, hoger en hoger, en de hele wereld zal ons zien.

Ik zal rondzwerven over de aarde, ik zal de legende in leven houden, wachtend op de dag dat een volgende krijger zijn zwaard zal trekken… of de dag waarop de wapens worden neergelegd en een jong meisje haar handen naar ons uit zal strekken, met ogen die een nieuw begin beloven.

Wij zijn groot, wij zijn machtig en wij leven; en die grootheid, die macht en dat leven kunnen we teruggeven, als ze ons niet zouden proberen te doden.

Wij zijn een legende. De legende van destructie; of de legende van een nieuw begin.

Het ligt aan jullie.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

Jouw Lied

Ze houdt zich stevig vast, zo stevig als ze kan. Haar vingers omsluiten de tak van een boom en ze voelt een hol gevoel in haar maag als ze naar beneden kijkt. Meters, meters onder haar ziet ze een grasveld. De grassprieten buigen om in de wind en vangen het zonlicht.

Uit alle macht probeert ze haar greep op de tak te verstevigen, hoewel ze weet dat ze het niet lang meer kan houden. Het is dan ook tijd voor haar om verder te gaan en dat weet ze, toch durft ze nog niet los te laten.

Ze is een bloesemblaadje, ze is de lente, ze is zoveel meer; ze is geboren vanuit de winter, ze is een teken van nieuw leven.

Maar nu is het tijd om haar taak door te geven aan de zomer.

Haar armen beginnen te trillen. Ze knijpt haar ogen dicht en houdt haar adem in. Ze kan dit niet lang meer volhouden. De wind trekt aan haar haren en aan haar kleding, het suist en giert in haar oren. Nog even en-

Langzaam opent ze haar ogen. Nee, de wind suist en giert niet alleen – het zingt. Ze luistert aandachtig en hoort de melodie aanzwellen. Ze hoort geen stem, geen instrument. Het is een lied zonder woorden, zonder bron.

Het klinkt als warmte. Als zonlicht. Als groene bladeren. Als bloemen in briljante kleuren.

Als de zomer.

Ze laat de lucht uit haar longen ontsnappen. Het klinkt geruststellend en opeens is ze niet bang meer. Zelfs als ze zich nu zou laten vallen, zou ze niet neerstorten.

Plotseling weet ze dat met alle zekerheid van de wereld.

Dit zal niet het einde zijn. De lente is dan ook niet het einde; het is het begin.

Ze glimlacht. Voelt haar hartslag versnellen. En laat los.

De wind strijkt langs haar heen, als handen die haar telkens heel even vastpakken en dan weer loslaten. Een fladderend gevoel vult haar buik, alsof er honderden kleine vleugels in zitten, en ze zweeft en dwarrelt naar beneden.

Gewichtsloos.

Met een zucht duwt de wind haar een eindje verder en ze vliegt weer een stukje omhoog, maar dan laten de handen haar weer gaan en ze dwarrelt verder, dansend door de lucht.

Ze valt en valt, de grond komt alsmaar dichterbij… maar ze voelt niet de klap waar ze eerst zo bang voor was, de klap die alles zou beëindigen.

Twee armen vangen haar op en het is alsof ze ondergedompeld wordt in een bad van warmte, van zachtheid. Een zucht ontsnapt uit haar longen en voor een moment houdt ze haar ogen gesloten. Het lied klinkt luider nu en het voelt als zonlicht dat langs haar ziel strijkt.

Ze kijkt op, recht in twee ogen.

Hij glimlacht. ‘Ik zag je vallen,’ zegt hij zacht.

‘De zomer,’ fluistert ze. ‘Jij bent de zomer.’

Hij knikt en kijkt dan omhoog naar de boom. Ze volgt zijn blik en knippert met haar ogen als ze geen bloesems meer ziet, maar frisgroene bladeren ziet ontluiken. Het is prachtig. Het is leven.

Haar glimlach groeit en dan lacht ze hardop. Een bries strijkt langs hen heen als hij begint te grijnzen, de zon wordt warmer en het veld wordt groener, briljanter van kleur.

‘Ik hoorde je lied,’ zegt ze daarna. ‘Daarom durfde ik los te laten.’

‘Je had al veel eerder los kunnen laten. Ik stond hier de hele tijd, wachtend om je op te vangen.’ Hij kijkt op haar neer en zijn ogen zijn groen, blauw, alle kleuren van de zomer. ‘Ik heb je hulp nodig. Zonder de lente kan de zomer niet bestaan. Zonder jou…’

‘…kan jij niet bestaan,’ maakt ze zijn zin af.

‘Blijf je bij me?’ Hij trekt haar iets dichter tegen zich aan. ‘Samen kunnen we een zomer maken als nooit tevoren. Een onvergetelijke finale, voordat de herfst komt.’

Het lied zwelt aan en het is geen melodie meer – het is een symfonie.

Ze slaat haar armen om zijn nek en laat haar hoofd op zijn schouder rusten. Samen kijken ze uit over het grasveld, luisterend naar de bladerdaken die ruisen in de wind. Luisterend naar het lied.

‘Samen,’ fluistert ze, en hij glimlacht.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Jouw Lied, is geïnspireerd door de WordPress Daily Prompt “Song” van 15 april 2018.