Vogel van Inkt

Ik sta aan de rand van een rivier. Het water is zwart, zo zwart als inkt, en stroomt zo snel dat het alles met zich meesleurt.

Dit zwarte water wil dan ook niets anders dan alles met zich meesleuren; dit water leeft ervoor om je te verdrinken, om je alles af te nemen, om je stukje bij beetje af te breken tot er niets meer van je over is.

Dit water is mijn angst, al mijn angsten samengebundeld tot één levende, alles verslindende stroming. Het is als vergif dat zich een weg door mijn wereld vreet en alles aantast wat het tegenkomt. De rivier groeit en groeit.

Ik sta aan de rand van die rivier, maar de grond onder mijn voeten brokkelt steeds verder af. Met bonkend hart staar ik naar de stenen die wegrollen en meegesleurd worden door het water.

Al mijn dromen.

Steen na steen rolt weg – droom na droom – en ik wil een stap achteruit doen, maar er is niet genoeg ruimte. Opeens sta ik niet meer aan de rand van de rivier, maar op een eiland. Een heel klein eiland, dat ieder moment verzwolgen zal worden.

Ik slik moeizaam, een brok rijst op in mijn keel, mijn ogen branden. Ik voel me zwak, machteloos, krijg bijna geen lucht meer. Ik kijk om me heen, maar zie niets. Geen horizon, geen andere eilanden om naartoe te zwemmen.

Niets.

Met trillende benen laat ik me zakken tot ik neerhurk. Ik probeer mezelf zo klein mogelijk te maken en laat mijn kin op mijn knieën zakken. Ik klem mijn kiezen op elkaar terwijl ik in het zwarte water tuur; terwijl ik in de dieptes van al mijn angsten kijk.

En ik zie niets. Helemaal niets.

Want angst ís niets. Het is een illusie, hoe levensecht het vaak ook lijkt te zijn. Het doet je denken dat het leeft, dat het sterker is dan jij en alles van je af kan nemen.

Ik frons, leun dan dichter naar het water toe en dompel mijn vingers onder. Het water is niet koud en niet warm. Ik trek mijn hand weer uit de stroming en staar naar de zwarte, glanzende druppels die langs mijn vingers druipen.

Ik wil hier niet zijn. Ik wil deze angst niet voelen. Ik wil niet dat het me verstikt en alles van me afneemt wat ik heb en nog zal bereiken. Ik had zoveel dromen, maar dit zwarte water deed hun kleuren verbleken, totdat de toekomst zo donker werd dat ik het niet meer kon zien. En niets kan overleven in de schaduwen.

Maar duisternis is nooit voor eeuwig; het licht komt altijd terug, de zon komt altijd weer op, hoe eindeloos lang een nachtmerrie soms ook lijkt te duren.

Het kan niet voor eeuwig donker blijven.

Ik houd mijn adem in en kijk omhoog. Ik zie de hemel niet; ik zie alleen maar een wit doek, wachtend om beschilderd te worden. Mijn hand trilt als ik hem omhoog breng. Ik strek mijn wijsvinger uit… en begin het doek te beschilderen.

Ik schilder met de zwarte inkt aan mijn vingers, ik schilder met mijn angst; ik grijp het beet en laat het me niet meer leiden – ík leid de angst, ik gebruik het als een instrument.

Ik schilder vogels.

Tientallen vogels.

Op het moment dat ik mijn hand terugtrek slaan ze hun vleugels uit en plotseling is het niet alleen maar de rivier die nog in beweging is – de lucht ook. De wind steekt op, giert in mijn oren, trekt aan mijn kleding. Ik kom overeind en houd mijn hand voor mijn gezicht om mijn haar uit mijn ogen te houden, terwijl ik opkijk naar de inktvogels die van me wegvliegen.

Terwijl ik opkijk, naar al mijn angsten die me verlaten.

Ze vliegen weg, steeds hoger en hoger, totdat ze verbleken en op lijken te lossen in het niets. Als inkt, vermengd met water.

Ik adem in, vul mijn longen met zuurstof. De zwaarte is weg en even ben ik ervan overtuigd dat ik weg zou kunnen vliegen, net als de vogels. Dan kijk ik echter naar beneden… en ik zie mijn reflectie in het water.

De rivier is niet zwart meer, maar heeft alle kleuren van de regenboog. Het is doorschijnend en schittert in het zonlicht dat plotseling op me neerschijnt. Het water is blauw, roze, paars, oranje, groen.

Het eiland brokkelt niet langer af; in de verte zie ik juist nieuwe eilanden ontstaan. Ze groeien, voegen zich samen tot vaste land. Aan de horizon zie ik de vormen van plekken die ik zal bezoeken, mensen die ik zal ontmoeten, dromen die ik waar zal gaan maken.

Plekken, mensen en dromen, die ik alleen zal bereiken als ik mijn laatste beetje angst loslaat.

Ik kijk neer op mijn hand. Mijn vingers zijn nog steeds gitzwart. Ik buk me, steek mijn hand in het water en laat de inkt van me afgespoeld worden. Ik voel de stroming van het water aan me trekken, als een hand die zich om de mijne sluit en me aanmoedigt om mee te komen.

Ik verstrengel mijn vingers met de vingers van die andere hand.

En ik laat me meevoeren door de stroming, de stroming van dromen en hoop. Ik ben een vogel, een vogel van inkt in allerlei kleuren. Ik ben vrij.

Vrij van angst.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Vogel van Inkt, is geïnspireerd door de WordPress Daily Prompt “Toxic” van 1 april 2018.

Advertenties

Eén Dag (Kan Alles Veranderen) – deel 3

Lees hier deel 1 en hier deel 2!

 

‘Mina?’

Nash hoort zijn eigen stem door zijn hoofd galmen, hij hoort zichzelf haar naam weer roepen, als een geluidsopname die zich keer op keer af blijft spelen in zijn gedachten.

‘Mina! Waar ben je? Mina?!’

Hij herinnert zich weer hoe hij door de regen rende, zoekend en roepend. Hoe Jonah hem achterna kwam, vragend wat er aan de hand was.

Het is een maand geleden dat Mina is verdwenen. Maar Nash zit gevangen in die avond, in het moment dat hij besefte dat ze er niet meer was.

Ze had hem de moed gegeven om weer piano te spelen en te zingen voor anderen. Ze had hem zijn liefde voor muziek weer doen terugvinden. Ze had hem zijn zelfvertrouwen teruggegeven.

En toen vertrok ze, hoewel ze Nashs hoofd nog voor geen seconde heeft verlaten.

Nash is thuis. Het is een warme zomeravond en de geur van natte aarde waait door de ramen de flat binnen. Onweersgerommel, het geruis van de regen en het krassende geluid dat zijn potlood op het papier maakt zijn de enige geluiden die de stilte in zijn huis verbreken.

Het enige licht in de kamer komt van de lamp op de hoek van zijn bureau. Hij zit over het tafelblad heen gebogen, schrijft driftig couplet na couplet op het papier. Er ligt een hele stapel nieuwe vellen op de andere hoek van het bureau; verkreukelde proppen zijn in de prullenmand gegooid, of liggen ernaast op de vloer. Nash ziet ze niet eens. Hij schrijft en schrijft en schrijft, zoekend naar de juiste woorden, met opeen geklemde kiezen en het potlood zo stevig tussen zijn vingers geklemd dat zijn vingertoppen er wit van zijn.

Zo brengt hij al een maand lang zijn avonden door. Zijn vrienden kunnen hem amper bereiken. Hij heeft zich teruggetrokken, komt alleen zijn huis nog uit om overdag naar zijn werk te gaan en de nodige boodschappen te doen. Dan trekt hij de voordeur weer achter zich dicht, gaat aan zijn bureau zitten en schrijft.

Hij schrijft een nieuw lied, een lied over die ene dag die alles heeft veranderd. Een lied over dat meisje dat hém heeft veranderd. Dat meisje, dat vervolgens gewoon is verdwenen.

In het lied vraagt hij haar waar ze is; hij vraagt haar om terug te komen; hij vraagt haar om minstens één dag – één dag om haar ervan te overtuigen om bij hem te blijven.

Als hij het lied af heeft, is hij van plan om hem overal te zingen, waar hij ook is, in de hoop dat ze zijn lied zal horen en terug zal komen.

Maar hij is al een maand lang bezig met het lied en kan nog steeds niet de juiste woorden vinden.

De punt van zijn potlood breekt. Nash knippert met zijn ogen, blijft even als bevroren naar de gebroken punt staren. Dan dwaalt zijn blik over de songtekst. Hij klemt zijn lippen op elkaar, grist het papier van het bureau, verkreukelt het en smijt de prop in de prullenmand. Hij slijpt zijn potlood, trekt een nieuw vel naar zich toe en begint opnieuw.

Telkens weer komt hij niet verder dan de eerste twee coupletten en de helft van het refrein.

Sinds die avond heeft hij niet meer opgetreden. Niet met zijn band, ook niet alleen. De passie die hij die avond voelde is samen met Mina spoorloos verdwenen.

Eerst heeft ze hem alles gegeven; vervolgens heeft ze hem alles afgenomen.

Hij voelt zich als een omhulsel. En in dat omhulsel zit niets meer. Geen inspiratie. Geen passie. Geen levenslust. Geen enkel gevoel, behalve wanhoop.

Nash stopt halverwege een zin en kijkt dan langzaam op, terwijl hij zijn potlood laat zakken. Hij staart naar de kleine zandloper die onder de lamp staat. Een helle lichtflits verlicht voor een moment de hele kamer, diep onweersgerommel rolt door de lucht en de ruis van de regen neemt toe. Hij pakt de zandloper op tussen zijn duim en wijsvinger, staart naar het witte zand, concentreert zich dan op zijn handen en armen.

De eerste keer dat hij de zandloper oppakte, zag hij vreemde, witte draden die om zijn vingers gedraaid waren. Hij weet nog steeds niet zeker of hij ze zich verbeeld heeft, of niet. En als hij ze weer zou zien, zou hij geen idee hebben wat ze zijn.

Maar iets in hem zegt dat ze de sleutel zijn. De sleutel tot het mysterie.

De sleutel tot Mina.

Hij heeft er geen bewijs voor, maar hij is ervan overtuigd dat de zandloper van Mina is. Deze zandloper is de schoen van Assepoester, deze zandloper is het spoor dat ze heeft achtergelaten.

Jonah zou zeggen dat hij gek is.

Zuchtend zet Nash de zandloper terug. De zandloper is het enige spoor dat hij heeft; de andere sporen kan hij niet vinden, dus het enige wat hem rest is Mina zien te bereiken met zijn muziek. Maar de pianoklanken klinken hol sinds ze weg is en de woorden die hij zingt hebben geen betekenis. De schaduwen zijn er weer, het monster heeft hem weer besprongen en zijn tanden in zijn hals gezet.

Laatst was hij zijn muziek kwijt en voor zijn gevoel had hij alles verloren.

Nu heeft hij Mina verloren… en zelfs muziek kan die leegte niet opvullen.

 

* * *

 

Er is een maand verstreken, maar het voelt als een jaar.

Mina ligt opgekruld op de vloer, met haar handen onder haar wang. Ze denkt onweersgerommel te horen, maar het lijkt van heel, heel ver weg te komen, vanuit een andere wereld. Ze staart in de schaduwachtige duisternis, ze haalt adem en doet verder niets.

Zo heeft ze de afgelopen vier weken geleefd. Dag in, dag uit.

In leegte.

Ze is niet meer naar buiten gegaan, op zoek naar losgeraakte zielendraden. Ze heeft geen enkele ziel meer geheeld. Ze kan het niet meer, sinds ze haar zandloper is kwijtgeraakt. En zonder haar zandloper kan ze haar werk niet meer doen.

Maar zelfs als ze haar zandloper nog zou hebben, betwijfelt ze of ze een ziel had kunnen helen.

Hoe kan ze andermans ziel helen, als haar eigen ziel iedere dag stukje bij beetje afsterft?

Haar eigen ziel moet geheeld worden, haar eigen zielendraden zijn losgeraakt. Maar er is niemand die een Zielenheler kan helpen. Zover ze weet is er ook nog nooit een Zielenheler geweest die zich heeft laten overnemen door schaduwen.

Ze is de eerste. En de laatste.

Mina sluit haar ogen en slikt moeizaam als ze zijn gezicht ziet. Ze voelt haar hart verkrampen als ze zijn stem hoort. Ze voelt hoe leeg haar armen zijn als ze zich herinnert hoe ze hem vasthield, die ene dag, op het grasveld.

Nash. Een beverige zucht ontsnapt uit haar longen en ze knijpt haar ogen harder dicht, alsof ze zijn gezicht zo beter kan zien; alsof ze zo dichter bij hem kan zijn.

Ze heeft Nash geheeld – echter ten koste van zichzelf. Maar ze heeft er geen spijt van. Nash heeft de mooiste ziel die ze ooit heeft gezien, een ziel die het niet verdient om pijn te lijden.

Nu draagt zij zijn pijn bij zich, een pijn die haar verlamt. Een pijn die scherper wordt, maar ook wordt verlicht als ze zich voorstelt hoe hij muziek maakt, hoe hij zingt voor een publiek, hoe hij verder gaat met zijn leven, badend in het licht en bruisend van energie, van passie.

Het doet haar pijn als ze zich voorstelt hoe ze door de jaren heen langzaam maar zeker uit zijn hoofd zal verdwijnen, hoe ze zal veranderen in een vage herinnering van een meisje dat hem ooit heeft geholpen en vervolgens weer verdween; het maakt haar blij als ze zich voorstelt hoeveel gelukkiger zijn muziek hem vanaf nu zal maken.

Ze ligt roerloos op de grond, omgeven door schaduwen; schaduwen, die ze ook binnenin haar voelt groeien met de dag die verstrijkt. Het zal niet lang meer duren voor ze haar opslokken en ze ophoudt te bestaan.

Dan verdwijnt ze voorgoed.

 

* * *

 

Dagen zijn verstreken. Avond na avond zit Nash aan zijn bureau. De prullenmand is nu tot aan de rand gevuld en nog steeds kan hij de juiste woorden niet vinden.

Inspiratie is iets levends. Inspiratie is iets dat kan sterven. En Nash voelt dat het dood is gegaan – stilletjes, zonder dat hij het op dat moment in de gaten had – toen hij ontdekte dat Mina weg was.

En toch kan hij niet stoppen. Toch kan hij niet opgeven.

Zijn mobieltje ligt in één van de bureaulades. Hij heeft hem een aantal dagen geleden uitgezet. Hij heeft zich teruggetrokken in de duisternis en niemand kan hem nog bereiken. Hij leeft in zijn eigen wereld, een wereld van schaduwen, die donkerder is dan ooit sinds Mina hem zoveel licht heeft laten zien.

Hij heeft haar nodig om het licht weer te kunnen verdragen.

Hoewel zijn oogleden zwaar zijn blijft hij verder schrijven, er komt een stroom van woorden onder zijn hand vandaan, maar terwijl hij ze opschrijft weet hij al dat ze niet de woorden zijn die hij bedoelt.

Alleen de titel blijft onveranderd: Eén Dag (Kan Alles Veranderen).

Nash wrijft in zijn vermoeide ogen en reikt ondertussen blindelings naar de puntenslijper. Er klinkt een “tik!” als hij in plaats daarvan per ongeluk iets omvergooit… en als hij opkijkt, stokt zijn adem in zijn keel.

Het is de zandloper. Hij ligt nu horizontaal op het bureau. Maar dat is niet het enige dat Nash ziet en niet hetgeen wat hem doet vergeten om adem te halen:

Draden. Witte draden, die om zijn handen zijn gedraaid.

Hij durft zich niet te bewegen, hij houdt zijn adem in, hij staart naar de draden, verwachtend dat ze ieder moment weer zullen verdwijnen. Als zijn ogen droog worden en beginnen te branden, waagt hij het om één keer te knipperen.

De draden zijn er nog steeds.

Hij ademt zachtjes uit. Ze verdwijnen nog steeds niet. Hij beweegt zijn handen. Ze worden zo mogelijk nóg witter, ze gloeien bijna op. En ze blijven waar ze zijn.

Dus toch. Hij had zich de draden niet verbeeld die avond.

Met zijn blik volgt hij de weg van de draden. Ze zijn langer dan hij eerst dacht; ze leiden naar de woonkamer, als een gespannen koord dat in de lucht hangt.

Nash fronst, komt dan met bonkend hart overeind, stopt de zandloper in zijn broekzak en volgt de draden. In de kleine woonkamer, waar voor weinig meer plek is dan een bankstel, een tv en een kast, blijft hij staan. Het is donker in de kamer, er brandt geen enkele lamp, maar hij kan de draden moeiteloos zien. Ze lijken daadwerkelijk licht te geven en ze leiden naar de voordeur toe. Daar verdwijnen ze naar buiten toe.

Hij haast zich erheen, pauzeert alleen bij de kapstok om zijn sneakers aan te trekken. Hij strikt voorzichtig zijn veters om de draden niet te verwarren, trekt dan de voordeur open en blijft op de galerij staan. De draden leiden naar beneden toe en slaan verderop linksaf, een andere straat in.

Het is bijna middernacht, er brandt geen licht meer achter de ramen van de buren – toch sprint Nash op volle snelheid langs de voordeuren over de galerij heen. Hij negeert de lift, haast zich naar het trappenhuis en rent trap na trap af. Eenmaal beneden vliegt hij naar buiten toe, over de parkeerplaats heen, en volgt de draden de volgende straat in.

Het is een warme, broeierige zomernacht. De lucht is vochtig en zwaar om in te ademen. Nash voelt het zweet binnen de kortste keren op zijn rug staan, maar hij vertraagt geen moment zijn pas. De wind suist in zijn oren als hij door straat na straat rent. Hij komt pas weer voorbijgangers tegen als hij zich langs de bushalte haast waar hij Mina de eerste avond naartoe had gebracht, maar als hij even later een smalle straat in rent verandert alles.

De tijd lijkt te bevriezen. De hele wereld lijkt stil te vallen. Het geeft Nash het gevoel dat hij de enige levende mens op aarde is, en het doet hem zijn pas vertragen tot hij loopt. Zijn ademhaling is zwaar en gejaagd, maar zelfs dat geluid lijkt verzwolgen te worden.

Hij is in de straat van het restaurant waar hij Mina heeft ontmoet. Nash blijft de draden volgen en kijkt heel even opzij naar de boom die een maand geleden nog vol zat met bloesembloemen. De takken hebben de roze blaadjes inmiddels losgelaten en de wind heeft ze met zich meegevoerd, en groene bladeren hebben hun plaats ingenomen.

De draden leiden Nash naar een gebouw en verdwijnen door de voordeur. Hij blijft staan… en ergens verrast het hem niet dat het het restaurant is. Alsof hij diep vanbinnen wist waar de draden hem naartoe zouden brengen.

Er staat een lantaarnpaal achter zijn rug en het licht rekt zijn schaduw uit aan zijn voeten. Zijn schaduw bereikt de deur van het restaurant eerder dan Nash zelf doet, maar dan sluit hij zijn hand om de deurklink en…-

Nash stopt. Hij aarzelt en tuurt door het grote raam naar binnen toe. Het is vreemd, maar hij kan bijna niets zien. Het is er onnatuurlijk donker en er lijkt een waas aan het raam te kleven, dat voorkomt dat hij ergens ook maar een glimp van op kan vangen.

Hij duwt de deurklink naar beneden toe en de deur gaat krakend open. Nash stapt behoedzaam over de drempel heen. De deur valt achter hem dicht.

Het eerste wat hem opvalt, is dat hij de draden nog steeds prima kan zien. Het volgende wat hem opvalt, is dat het lang niet zo donker is in het restaurant als het van buitenaf leek te zijn.

Maar het restaurant is niet zoals hij het kent.

Hij ziet de tafels en stoelen staan, maar ze staan scheef en een sommigen zijn gekanteld. Als hij naar de lampen kijkt die aan kettingen boven de tafels hangen, springen ze plotseling aan. Ze stralen een zachte gloed uit en hij ziet motten wild heen en weer fladderen, alsof ze plotseling tot leven zijn gekomen. Nash laat zijn blik verder dwalen. De toonbank ligt bedolven onder roze bloesemblaadjes en als hij naar de vloer kijkt, ziet hij dat ze daar ook liggen. In feite ligt de hele vloer ermee bezaaid.

De keuken achterin het restaurant is echter nergens te bekennen – het enige wat Nash ziet is een muur, met een enorm, afbrokkelend gat in het midden waar de draden doorheen verdwijnen.

Er brokkelen stukjes beton af als Nash bij het gat is en hij knijpt zijn ogen samen. De ruimte achter het gat is donkerder dan het restaurant. Hij stapt naar binnen toe en blijft dan staan. Het wordt gelijk lichter en Nash kan zien dat de draden ophouden; Nash kan zien waar de draden aan verbonden zijn.

Aan een gedaante, die opgekruld tussen de bloesemblaadjes op de vloer ligt.

Een meisje.

‘Mina…?’ brengt hij ademloos uit.

Ze verroert geen vin.

‘Mina.’ Nash hurkt bij haar neer, strijkt haar lange, blonde en roze haren uit haar gezicht. Haar ogen blijven gesloten en haar wimpers strijken langs haar jukbeenderen. Ze heeft haar handen onder haar wang gelegd en lijkt diep te slapen. Er liggen een paar bloesemblaadjes op haar kleding, alsof iemand ze over haar heen heeft gestrooid.

Nash buigt zich dichter naar haar toe en ziet de draden steeds korter worden – en opeens beginnen ze te pulseren. In het ritme van een hartslag.

‘Mina,’ zegt Nash weer en hij streelt haar wang.

Hij hoort haar inademen. Ze trekt haar schouder iets op. Haar wenkbrauwen trekken zich samen in een frons. Dan opent ze haar ogen.

Secondes verstrijken waarin ze elkaar alleen maar aankijken.

‘Nash…?’ fluistert ze ongelovig.

Hij glimlacht zwakjes. De brok in zijn keel is te scherp om te kunnen praten; ieder woord zou aan flarden worden gescheurd als hij het zou proberen. Maar zijn glimlach zegt meer dan woorden zouden kunnen. Zijn glimlach laat alles zien wat hij voelt, hoe zwak de glimlach ook is.

Mina drukt zich overeind en schudt haar hoofd. ‘Hoe…?’ Ze stopt als ze de draden ziet, die van haar handen naar die van Nash leiden. Haar ogen worden groot.

‘Ze verschenen toen ik de zandloper omver stootte vanavond,’ zegt Nash. Hij trekt de zandloper uit zijn broekzak. ‘Is deze van jou?’

Mina pakt hem met trillende vingers van hem aan en strijkt met haar duim over het gladde glas. Haar paarse nagels glanzen in het flauwe licht dat vanuit het restaurant door het gat valt. ‘Dus jíj had hem,’ fluistert ze.

Nash raakt haar gezicht aan. ‘Mina, waar was je al die tijd? En wat doe je hier? Ik bedoel… waar zijn we?’

‘Dit… Dit is mijn huis,’ antwoordt ze na een aarzeling. ‘Op dit moment, tenminste.’

‘Het is het restaurant waar we elkaar hebben ontmoet – en toch ook weer niet.’ Nash kijkt haar zowel verward als afwachtend aan.

Ze knikt. ‘Ja. De thuis van… iemand zoals ik, is de ontmoetingsplaats met de laatste persoon wiens ziel hij of zij heeft geheeld. Jij bent de laatste ziel die ik heb geholpen. Vandaar dus het restaurant.’

Een frons dringt zich op aan Nashs voorhoofd. ‘Ik begrijp het niet. Waar heb je het over?’

‘Ik ben geen gewoon meisje, Nash,’ zegt ze zacht en ze kijkt hem onzeker aan, zo anders dan toen ze elkaar ontmoetten. ‘Ik ben iets anders.’

Er valt een stilte, totdat Nash de vraag stelt die hij haar die ene dag twee keer heeft gesteld: ‘Wie ben je, Mina?’

Ze slikt en verstevigt haar greep op de zandloper. ‘Wij noemen onszelf… de Zielenhelers,’ begint ze ten slotte. ‘Wij bestaan om mensen te helpen. Iedereen die verdriet heeft, pijn lijdt, onzeker is, eenzaam, de weg kwijt… Iedereen wiens ziel gewond is.

‘Als de ziel van een mens beschadigd is, raakt hij de greep op zijn zielendraden kwijt.’ Ze gebaart met haar handen en de draden tussen haar en Nash deinen op en neer. ‘Als een Zielenheler die draden opraapt, krijgt hij één dag de tijd om de ziel te helen.’ Ze houdt de zandloper omhoog. ‘Als de ziel aan het eind van de dag geheeld is, zullen de zielendraden weer terugkeren naar hun eigenaar.’

Nash hoort haar zwijgend aan. Mina praat verder: ‘Een maand geleden vond ik jouw zielendraden, Nash. En ik heb je ziel geheeld…’

‘In één dag tijd,’ maakt Nash haar zin af. Hij kijkt haar hoofdschuddend aan en zijn stem klinkt schor als hij vraagt: ‘Waarom ben je weggegaan? Ik begrijp dat je werk erop zat – maar voelde jij het dan niet? Voelde jij niet wat ik voelde?’

‘Jawel.’ Haar ogen glanzen en ze ademt beverig in. ‘Maar als ik langer dan een dag bij iemand blijf – als ik blijf, nadat de zandloper heeft getoond dat mijn tijd erop zit – dan verlies ik mijn krachten. Dan kan ik geen Zielenheler meer zijn, en zal ik een gewoon meisje worden. Een mens. Sterfelijk.’

Het duurt even voor Nash iets weet te zeggen. Hij weet dat hij verbaasd zou moeten zijn, dat hij niet zou moeten geloven dat ze geen mens is maar een ander wezen. Toch kan hij niets anders dan haar geloven; de magische draden, de zandloper, het restaurant, hun ontmoeting, die ene dag die zo magisch perfect was… het bewijst alles.

Nash komt nog iets dichter naar haar toe en neemt haar gezicht in zijn handen. ‘Zou dat zo erg zijn?’ fluistert hij. ‘Zou het echt zo erg zijn als je menselijk was?’

Haar lippen wijken uiteen, maar ze zegt niets.

‘Met die ene dag heb je me geholpen. Je hebt mijn ziel geheeld,’ begint Nash, ‘maar je hebt me daarna vernietigd door weg te gaan. De reden dat ik mijn zelfvertrouwen terugvond was niet het meezingen met de radio in de auto. Het was niet het optreden. Jij was het, Mina. Door jou geloof ik in mezelf. En het lukt me niet als je weg bent.’

‘Het lukt mij ook niet meer,’ brengt Mina uit en tranen ontsnappen uit haar ooghoeken. ‘Sinds jou denk ik niet dat ik nog een ziel kan helen. Ik had het opgegeven. Ik… Ik wilde gewoon hier blijven. Totdat ik verdween,’ besluit ze fluisterend.

Nash veegt de tranen van haar wangen en brengt zijn gezicht vlakbij dat van haar. ‘Kan je je krachten niet opgeven? Niet voor mij – maar voor ons. Ik beloof je dat je er geen spijt van zal krijgen. Ik zal er álles aan doen om je gelukkig te maken, dat meen ik-’

‘Je wil echt dat ik bij je blijf?’ onderbreekt ze hem.

Nash voelt zijn ogen branden. Hij knikt. ‘Ja.’

Mina’s onderlip trilt, maar het lukt haar om te glimlachen. ‘Dan is er eerst iets wat ik moet doen.’

‘Wat?’ vraagt Nash voorzichtig en hij bereidt zich voor op slecht nieuws, iets wat hem ruw wakker zal schudden uit deze droom.

Maar haar glimlach groeit, ze pakt zijn hand vast en trekt hem overeind terwijl ze opstaat. ‘Dit,’ zegt ze, en ze houdt de zandloper omhoog.

En gooit hem op de grond.

 

* * *

 

De zandloper breekt uiteen en de scherven vliegen over de vloer. Het zand stuift op als rook en blijft even als een nevel in de lucht hangen voordat het verdwijnt. Mina reikt verrast naar haar hart: ze voelt iets veranderen. Alsof er een gewicht opgetild wordt, waarvan ze nu pas beseft dat die er zat.

Het gewicht van haar krachten.

Ze kijkt naar Nash. ‘Gaat het?’ vraagt hij.

‘Ja.’ Ze glimlacht. ‘Je kan de zielendraden loslaten nu.’

Hij trekt onzeker zijn donkere wenkbrauwen op, gebarend met zijn handen. Ze knikt aanmoedigend en dan laat hij de zielendraden tussen zijn vingers vandaan glippen. Ze trekken gelijk naar Mina toe, wikkelen zich om haar handen, polsen en armen. Heel even gloeien ze zo helder op dat ze bijna oogverblindend zijn, maar Mina blijft naar ze kijken; ze wil geen moment missen.

Want dit zal de laatste keer in haar leven zijn dat ze de zielendraden ziet.

Ze doven en dan verdwijnen ze. Mina ademt langzaam uit en sluit haar ogen. Ze slikt en voelt dan pas dat ze een brok in haar keel heeft. Ze heeft haar krachten opgegeven; ze is niet langer een Zielenheler, terwijl ze geen ander leven kent dan dat. Heel even vraagt ze zich af of wat ze voelt spijt is.

‘Mina?’

Ze opent haar ogen en kijkt op naar Nash. Zijn donkere haar hangt verwilderd over zijn voorhoofd en zijn groene ogen dwalen over haar gezicht. Ze bekijkt hem goed. Hij is niet veranderd, zelfs niet nu ze een gewoon meisje is. Ze ziet nog steeds hoe mooi zijn ziel is. Daar heeft ze haar krachten helemaal niet voor nodig.

Nee, ze voelt geen spijt. Ze voelt zich gelukkig.

‘Nash,’ zegt ze en ze glimlacht.

Hij glimlacht terug en ze ziet zijn opluchting. Ze voelt zijn opluchting, als hij haar in zijn armen neemt en stevig vasthoudt. Ze slaat haar armen om hem heen en begraaft haar gezicht in zijn hals. Dan leunt Nash iets van haar weg en tilt haar gezicht naar zich op door zijn vingers onder haar kin te leggen. Hij kijkt haar nog even aan voordat hij zijn mond op de hare laat zakken.

Zijn lippen zijn zacht en warm – net als de kus. Mina sluit haar ogen en leunt tegen hem aan. Ze voelt eindelijk hoe het is als je ziel wordt geheeld. Hoe kalm het je doet voelen, als ieder deel van je ziel op zijn plaats valt; en hoe compleet het je doet voelen als je een stukje van andermans ziel erbij krijgt.

Nash verbreekt de kus en streelt haar wang. ‘Zullen we naar huis gaan?’

‘Naar huis?’ Mina kijkt hem verrast aan. Dan glimlacht ze weer. ‘Ja. Laten we gaan.’

Ze stappen door het gat heen, lopen door het restaurant. Nash houdt de deur voor haar open, maar het is Mina die de deur achter hen dichtdoet. Als ze vervolgens door het raam naar binnen kijken, ziet het restaurant er weer uit zoals het hoort.

Hand in hand lopen ze over straat, door de warme zomernacht en onder een heldere sterrenhemel. Eenmaal in de flat zinken ze in de slaapkamer neer op het bed. Nash trekt haar beanie af en strijkt met zijn vingers door haar haren. Ze gaan liggen, dicht tegen elkaar aangekropen, in een baan van maanlicht dat door het raam naar binnen valt.

Nash fluistert tegen haar lippen dat hij van haar houdt. Mina fluistert het terug en het dringt tot haar door dat deze woorden oneindig meer magie bevatten dan de krachten die ze heeft opgegeven.

 

* * *

 

‘Ga nou, jullie optreden begint bijna,’ lacht Mina en ze duwt Nash weg.

Hij grijnst, trekt haar weer naar zich terug en drukt nog een kus op haar lippen. ‘Die had ik nog nodig – voor geluk.’

‘Jij hebt helemaal geen geluk nodig,’ kaatst ze terug en ze lacht weer als hij haar nog één keer kust.

Dan haast hij zich naar het lage podium achterin de bar, waar een piano staat en Jonah en de anderen hem opwachten. Ze hebben hun instrumenten al opgesteld en Mina glimlacht als ze Jonah Nash een speelse duw ziet geven.

Ze zijn in dezelfde bar waar Nash zijn solo-optreden heeft gegeven; Mina zit aan precies dezelfde tafel, maar ditmaal zonder een zandloper in haar broekzak. Vanavond heeft ze alle tijd van de wereld.

Vanavond gaan ze samen naar huis.

Normaal gesproken kondigt Jonah het optreden altijd aan, maar deze keer leunt Nash als eerste naar zijn microfoon toe: ‘Dames en heren, bedankt voor jullie komst. Vandaag beginnen we met ons nieuwste nummer: “Eén Dag, Kan Alles Veranderen”. Ik hoop dat jullie ervan genieten,’ voegt hij eraan toe, maar hij kijkt uitsluitend Mina aan als hij dat zegt. Ze voelt haar wangen warm worden.

Hij heeft de tekst van het nummer in één avond geschreven. Mina zat toen bij hem en had hem gevraagd wat al die verkreukelde proppen papier waren die in de prullenmand lagen. Hij had haar even aangekeken en toen zijn blik neergeslagen. ‘Mijn leven zonder jou,’ zei hij.

Daarna heeft hij in zijn eentje verder gewerkt aan het nummer – hij wilde niet dat Mina het hoorde voordat het perfect was. Vanavond hoort ze het lied pas voor het eerst.

Nashs pianoklanken zijn zacht en toch krachtig. Daarna komt Jonah’s akoestische gitaarspel erbij, samen met de basgitaar. Dan, als het tweede couplet begint, de drums en een tweede akoestische gitaar.

Nash zingt. Hij zingt over de avond dat Mina en hij elkaar leerden kennen; hij zingt over hoe Mina de volgende dag verdween; hij zingt over hoe ze elkaar daarna weer terugvonden.

Mina kan zich niet van hem afwenden, ze luistert en voelt hoe ieder woord, iedere klank haar vult met warmte. Nash is een Zielenheler op zijn eigen manier; en Mina realiseert zich dat zij dankzij Nash altijd een Zielenheler zal blijven, zelfs zonder haar krachten. Want zonder haar viel hij weer in het gat waar ze hem juist uit had gered. Hij heeft haar nodig om sterk te blijven. Om te blijven schijnen.

Net zoals zij hém nodig heeft.

Nash houdt zijn ogen op Mina gericht terwijl hij zingt en pianospeelt. Hij ziet haar glimlachen en lacht naar haar terug, terwijl hij het lied op laat klimmen naar een climax. Zijn vingers vliegen over de pianotoetsen heen en terwijl hij zingt over wat ze hebben meegemaakt, denkt hij aan alles wat ze nog samen zullen meemaken.

Hun toekomst is weids. Oneindig. Vol met mogelijkheden.

Hij blijft haar aankijken als het lied tot een eind komt en hij buigt zich iets dichter naar zijn microfoon toe om de laatste, zachte woorden te zingen.

‘Eén dag,’ zingt hij en hoewel dit de eerste keer is dat ze het lied hoort, ziet hij Mina’s lippen de volgende woorden al vormen, ‘kan alles veranderen.’

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Einde | Dit is het laatste deel van de Eén Dag (Kan Alles Veranderen) miniserie

 

Ik hoop dat jullie ervan hebben genoten 🙂 ❤

Eén Dag (Kan Alles Veranderen) – deel 2

Lees deel 1 hier!

 

Een zoemend geluid maakt hem wakker.

Nash fronst. Een diepe zucht ontsnapt uit zijn longen als hij zijn ogen opent. Voor enkele momenten blijft hij liggen zonder zich te bewegen. Dan draait hij zich op zijn rug, slaat zijn dekbed – dat plotseling veel te warm is – half van zich af en wrijft met zijn handen over zijn gezicht.

Hij laat zijn handpalmen op zijn oogkassen rusten, alsof hij de wereld buiten probeert te sluiten, en luistert naar het geruis van de regen en het kletterende geluid van de afvoerpijp op balkon.

Er drukt een zwaar gevoel neer op zijn borst, een zwaar gevoel dat hem lijkt te dwingen om te blijven liggen. Voor de zoveelste keer in de afgelopen dagen, galmen de woorden weer door zijn hoofd: De band is goed, maar zou beter zijn met een andere leadzanger. Hij past niet bij hun sound, net als hun songteksten.

De woorden kerven zich in zijn ziel, hoeveel hij zich er ook tegen probeert te verzetten. Het is gewoon een mening, herinnert een stemmetje hem. Geen feit. Maar het stemmetje is zwak en te zacht om tot Nash door te willen dringen.

Heel even denkt hij erover om gewoon maar niet uit bed te komen vandaag – hij heeft de energie niet om zich eroverheen te zetten, om weer dat gevecht met zichzelf aan te gaan – maar dan herinnert hij zich iets.

Een meisje, met roze strengen in haar blonde haar, blauwe ogen en een glimlach die een hele kamer op kan lichten.

Mina.

Nash laat zijn handen wegglijden van zijn gezicht en staart naar het plafond. Zijn hart maakt een sprongetje als hij zich hun afspraak herinnert en opeens lukt het hem om zijn problemen te negeren, opeens lukt het hem om de zwaarte enigszins van zich af te schudden. Want in Mina’s buurt gisteravond, leken zijn problemen helemaal niet zo groot te zijn.

Om tien uur, voor het restaurant, herinnert hij zich. Hij drukt zich half overeind op zijn elleboog en reikt naar zijn mobieltje dat op het houten kastje naast zijn bed ligt. Het scherm ligt op. Het is net acht uur geweest…

Pas als hij ziet dat hij een nieuw bericht heeft binnengekregen, beseft hij wat het zoemende geluid was dat hem wakker heeft gemaakt. Hij opent de sms. Het is zijn beste vriend, Jonah: Hé Nash. Kan je vandaag afspreken? Heb al dagen niets meer van je gehoord en we moeten serieus gaan oefenen voor ons volgende optreden; en zonder onze leadzanger is dat toch wel een beetje lastig, weet je wel? Ik weet dat je hebt gezegd dat je het druk hebt – maar laat ff wat horen, OK?

Nash gooit het dekbed van zich af en zwaait zijn benen het bed uit. Het laminaat op de vloer voelt koel en een beetje klam onder zijn blote voeten.

Hij kent Jonah al zeker tien jaar. Sinds dag één zijn ze al elkaars beste vrienden. En juist dat maakt het zo moeilijk om Jonah te vertellen dat hij zal stoppen met de band. Dat hij weg moet.

Zijn duim zweeft besluiteloos boven de touch screen van zijn mobieltje. Hij voelt hoe de zwaarte weer terug dreigt te keren, om op zijn rug te gaan zitten, zijn armen om zijn nek te slaan en zich aan hem vast te klampen met zijn klauwen.

Hij stuurt snel een antwoord en houdt het kort, om er de rest van de dag niet meer over na te hoeven denken: Sorry, heb vandaag geen tijd. Je hoort binnenkort van me.

Ja, hij zal de band binnenkort verlaten. Maar nog niet vandaag.

Op het moment dat hij het scherm van zijn mobieltje verduistert, schittert er licht in zijn ooghoeken. Nash kijkt op, komt dan fronsend overeind en schuift het gordijn verder open. Hij trekt zijn wenkbrauwen op als hij zojuist de regen af ziet nemen en de zon door de bewolking heen ziet breken. De laatste regendruppels glinsteren in alle kleuren van de regenboog en de natte bladerdaken van de bomen glanzen in het zonlicht, dat een warme gloed op de flat aan de overkant werpt.

Ook zijn kamer is opeens lang niet zo donker meer. Alles is vriendelijker. Kleurrijker. Nash glimlacht flauwtjes. Over een paar uur ziet hij Mina weer.

Een gewicht glijdt van hem af.

 

* * *

 

Mina knijpt haar ogen samen als ze opkijkt naar de lucht. Ze staat voor het restaurant, dat ’s ochtends om deze tijd nog niet eens open is, en trekt zachtjes aan Nashs zielendraden. Ze kijkt toe hoe de zon de laatste wolken wegbrandt en laat haar blik over de strakblauwe hemel dwalen die zich nu boven de straat uitstrekt.

Ze glimlacht tevreden. Vanmorgen heeft ze de regen al laten stoppen, maar dit maakt het begin van deze magische dag perfect.

Als ze voetstappen hoort, wendt ze zich af van de lucht.

Het is Nash.

Hij draagt weer jeans, maar deze keer geen zwart maar een blauw T-shirt dat losjes om zijn torso valt. Hij heeft zijn handen in zijn broekzakken gestoken en loopt met ietwat afgezakte schouders. Als hij Mina echter in het oog krijgt, ziet ze hem zijn handen uit zijn zakken trekken en zijn rug rechten. Opeens lijkt hij veel langer, zijn schouders breder, zijn lichaam sterker.

‘Hé,’ zegt hij als hij bij haar is. Een bries waait zijn donkere haar uit zijn groene ogen, die lichter zijn dan Mina gisteravond gezien dacht te hebben.

Mina opent haar mond maar zegt niets – eventjes kan ze alleen maar naar hem kijken. Zijn ziel is overschaduwd, hij heeft haar hulp nodig. En toch straalt hij licht uit, waar Mina gisteren ook al een glimp van op dacht te vangen.

Het slaat haar heel even uit het veld.

Ze voelt iets bij Nash. Iets wat ze nog nooit eerder heeft ervaren, bij geen enkele ziel die ze geheeld heeft.

Dan herstelt ze zich met een glimlach. ‘Nash.’

‘Ik heb mijn auto verderop geparkeerd; je mag niet rijden in deze straat…’ Nash aarzelt, neemt haar ietwat onzeker op, bijna alsof hij verwacht dat ze van gedachte is veranderd. ‘Zullen we gaan?’

‘Ja.’ Haar glimlach wordt breder en ze ziet Nash zich ontspannen.

Ze lopen de straat uit, langs de bloesemboom waar vandaag nog veel meer bloemen in zitten dan gisteren, en dan over het voetpad onder de groene bladerdaken van de bomen. Het is een warme lentedag geworden, bijna zomers, en Mina glimlacht als ze de voorbijrazende auto’s ziet glanzen in het zonlicht. Zonder Nashs zielendraden had het vandaag een hele regenachtige dag geweest.

‘Waar wil je naartoe?’ vraagt Nash, als ze even verderop linksaf slaan, een parkeerplaats op. ‘Je zei dat je me iets wilde laten zien.’

Mina kijkt naar hem op en trekt haar beanie recht, die eigenlijk iets te warm is. ‘Is het goed als ik je onderweg gewoon vertel welke richting je op moet?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Ja. Natuurlijk. Uh, dit is mijn auto,’ voegt hij er mompelend aan toe, terwijl hij halfslachtig opzij wijst. Het is een vrij kleine auto en de rode lak glanst dof. ‘Ik moet ‘m nog opknappen, maar ik ben ervoor aan het sparen-’

‘Ik heb totaal geen verstand van auto’s, Nash,’ onderbreekt Mina hem en als hij haar grijns ziet, begint hij te lachen.

Ze stappen in. Mina zegt hem linksaf te slaan. Eenmaal op de weg vraagt ze hem of ze de radio aan mag zetten. Muziek vult de auto, zo nu en dan onderbroken door de dj, en de wind waait naar binnen door de open ramen. Mina blijft hem de weg wijzen en dan verlaten ze de drukke stadswegen. Ze rijden langs enorme bloemenvelden, die zich tot in de oneindigheid uit lijken te strekken.

Mina’s handen rusten op haar schoot en ze werpt een blik op Nashs zielendraden, die veel korter zijn nu hij naast haar zit. Ze trekt zachtjes aan de draden, beweegt ongezien voor Nash haar vingers, en ze ademt diep in als ze de wind aan voelt zwellen en door de bloemenvelden heen ziet blazen. De wind lijkt een grijze waas van ze af te blazen, het hele veld wordt overspoeld door kleuren die nog veel intenser zijn. De gele, rode, roze bloemen lijken op te gloeien in het zonlicht, het gras wordt nóg groener.

Als ze vanuit haar ooghoeken opzij kijkt naar Nash, ziet ze hoe hij zijn blik verwonderd over de omgeving laat dwalen, hoewel hij zich blijft concentreren op de weg. Ze hoort hem een zachte zucht slaken.

De dj is weer aan het woord op de radio. Mina plukt aan de draden, draait ze om haar vingers heen… en als de dj het volgende nummer begint te spelen en ze Nash een verrast geluid hoort maken dat van diep uit zijn keel komt, weet ze dat ze het goed heeft gedaan.

‘Dit is één van de nummers die me deed beseffen dat ik muzikant wilde worden,’ merkt hij op. Dan zwijgt hij weer, bijna alsof zijn eigen woorden hem hebben verrast.

Hoewel ze haar gordel om heeft, draait Mina zich toch zo dat ze naar hem kan kijken. ‘Hoe oud was je toen?’ vraagt ze glimlachend.

Ze ziet zijn gezicht verzachten en zijn greep op het stuur ontspannen. De wind trekt aan de hals van zijn shirt en waait wild door zijn haar. ‘Tien,’ antwoordt hij na een stilte. ‘Toen leerde ik Jonah kennen – hij is mijn beste vriend. Hij wist toen al dat hij gitarist wilde worden.’ Een lach trekt aan zijn mondhoeken. ‘We deden graag alsof we in een band zaten. We deden alsof we alle instrumenten bespeelden en zongen gewoon keihard mee. Het deed er niet toe of we goed waren, of niet. Ik zong gewoon de longen uit mijn lijf. En dat was alles,’ besluit hij zachter.

Mina grijnst. ‘Laat eens horen?’

Hij schudt zijn hoofd en zijn glimlach verflauwt.

‘Kom op,’ dringt ze aan. ‘Alsjeblieft? Eén couplet.’

‘Ik zal dit nummer geen eer doen, geloof me.’

Mina houdt haar hoofd schuin, perst haar lippen even opeen en kijkt dan naar de radio. Ze trekt voorzichtig aan de zielendraden, sluit heel even haar ogen, en woorden stromen haar hoofd binnen. Ze opent haar mond, haalt adem en begint mee te zingen.

Verrast kijkt Nash naar haar opzij. ‘Je kent de tekst goed. Is het ook één van jouw favoriete nummers?’

Ze geeft geen antwoord; ze lacht alleen maar en zingt verder. Niet zozeer heel mooi, maar wel luid, precies zoals Nash daarnet vertelde.

Eigenlijk is dit de eerste keer dat ze het liedje hoort. De enige reden dat ze de tekst zo goed kent, is omdat ze bij Nash is; zo gaat het altijd als ze iemands ziel heelt. De draden van een persoon wiens ziel beschadigd is, zijn altijd losgeraakt van die persoon. Ze liggen op de grond, wachtend om opgepakt te worden door een Zielenheler. Telkens als Mina iemands draden oppakt, versmelt zijn of haar ziel een beetje met die van haar.

Ze heeft de zielen van kleine kinderen geheeld door spelletjes met hen te spelen, waarvan ze voorheen de regels niet eens kende; ze heeft een oude vrouw rust helpen vinden door haar een verhaal te vertellen uit haar jeugd, waar Mina – voordat ze de vrouw ontmoette – noch het begin, noch het eind van wist.

Het is mooi om iemand te kunnen helpen, om heel even deel uit te mogen maken van zijn of haar ziel. Telkens weer weet het Mina te betoveren.

Haar hart maakt een sprongetje van blijdschap als ze hoort hoe Nash zachtjes begint te zingen. Ze blijft zelf ook verder zingen, luid en met de wind in haar haar, en eenmaal tijdens het refrein zet Nash alles van zich af en zingt hij luidkeels mee.

Ze razen over de lange weg heen, langs gras en bloemen, onder een strakblauwe hemel, en Mina kan voelen hoe de duisternis uit Nashs hart verdwijnt. Ze kijkt naar hem en ziet zijn vrijheid, ziet hoe hij geniet van iedere klank die uit zijn keel komt. Ondanks dat hij hardop zingt, is zijn stem vrij zacht. Toonvast. Mooi.

Iemand zoals hij zou zich nooit onzeker hoeven te voelen. Ze bestudeert hem, begint zelf iets zachter te zingen. Behalve dat zijn stem mooi is, is hij ook een mooi mens. Ze ziet het. Ze voelt het. Een glimlach trekt aan haar lippen. Net als gisteravond, geeft het haar een fijn gevoel om bij Nash te zijn. Ze voelt zich… compleet.

Zonder dat Nash het merkt, trekt ze de zandloper half uit haar broekzak. Het zand loopt langzaam, heel langzaam naar beneden. Ze heeft nog uren de tijd.

Het duurt even voor ze beseft wat dat haar doet voelen: opluchting.

Ze slikt en stopt de zandloper terug in haar zak.

Ze wil nog lang geen afscheid nemen van Nash.

 

* * *

 

Nash voelt de warmte van de zon op zijn huid branden als hij Mina een grasveld op volgt. Ze zijn urenlang onderweg geweest en hij heeft eigenlijk geen idee waar ze hem precies naartoe heeft gebracht. Het maakt hem niet uit. Al zou ze hem naar een andere wereld toe brengen, hij weet zeker dat hij haar toch wel zou volgen.

Ze is de enige die hem alles kan doen vergeten.

Er zijn tientallen mensen op het grasveld, van alle leeftijden. Families. Vrienden. Hier en daar zijn er tafels en bankjes, waar mensen zitten te picknicken, maar de meesten zitten op dekens in het gras.

Als Mina bij een grote mand stopt waar een geruite deken bovenop ligt, fronst Nash zijn wenkbrauwen. Hij kijkt even om zich heen. ‘Is dit niet van iemand anders…?’

‘Nee, deze mand is voor ons,’ zegt ze met een lach en ze spreidt de deken uit over het gras. De wind graait ernaar, dus Nash grijpt hem gauw vast en helpt Mina om de deken onder controle te houden.

‘Hoe heb je dit geregeld?’ vraagt hij als ze vervolgens gaan zitten.

‘Ik heb zo mijn wegen,’ antwoordt ze op luchtige toon, terwijl ze de mand opentrekt.

Nash schudt vertwijfeld zijn hoofd, maar na een aarzeling besluit hij niet verder te vragen.

Hij voelt zich licht. Ontspannen. De wind is warm en voelt als een streling langs zijn huid. Het luidkeels meezingen in de auto heeft zijn hoofd geklaard en als Mina hem een boterham geeft, realiseert hij zich dat hij meer trek heeft dan hij de afgelopen dagen heeft gehad.

Voor een paar minuten zijn het zachte gesuis van de wind en de pratende en lachende mensen om hen heen de enige geluiden die te horen zijn, maar dan hoort Nash opeens een akkoord aangeslagen worden op een akoestische gitaar. Het warme, rollende geluid wordt meegedragen op de wind en het duurt niet lang tot Nash het ziet: een band van drie jongens en twee meisjes, niet ouder dan een jaar of zestien, die muziek beginnen te maken.

Ze zijn vrolijk, zorgeloos. Lijken zich nergens druk om te maken. Nash ziet hoe ze iedereen aansteken met hun enthousiasme. Iedereen heeft zich inmiddels naar hen toegedraaid, lacht als ze grappige teksten zingen, klapt als ze een nummer afronden.

Een melancholiek gevoel overspoelt Nash. Zo is hij ook begonnen met zijn vrienden. En hoewel de druk iets is toegenomen sinds ze officieel een band zijn geworden, hebben ze toch nog altijd plezier.

Maar sinds de afgelopen dagen lijkt dat plezier opeens zo ver weg te zijn, als een eiland waar hij niet meer bij kan komen, hoe hard hij ook zwemt.

‘Ik zou jou ook graag op willen zien treden, Nash,’ zegt Mina plots.

Nash kijkt haar heel even aan, glimlacht slechts flauwtjes en wendt zich terug tot de band. Hij ademt diep in, maar het haalt niet het zware gevoel weg dat plots weer in zijn maag ligt en op zijn borst drukt.

‘Jij hebt toch ook een band?’ vraagt Mina. Hij knikt, blijft naar de band kijken. ‘Zitten er ook meisjes in jullie groep?’

‘Nee, alleen mijn vrienden en ik.’

‘Met hoeveel zijn jullie?’

‘Met z’n vijven.’

‘Treden jullie binnenkort nog eens op?’

Nash blijft even stil. Hij voelt zijn stemming verduisteren en er lijkt een grauwe sluier over het grasveld te vallen. De muziek klinkt lang niet zo levendig meer en de hitte van de zon is opeens veel te warm. Nash klemt zijn kiezen opeen.

Mina leunt naar hem toe. ‘Nash?’

‘Mijn vrienden zullen binnenkort vast wel weer optreden. Zonder mij,’ voegt hij er met rauwe stem aan toe en hij ontwijkt haar blik.

Ze klinkt verward: ‘Hoe bedoel je, zonder jou?’

Hij ademt beverig in en slaat dan zijn blik naar haar op. ‘Omdat ik uit de band stap,’ dwingt hij zichzelf te zeggen en de woorden vergen hem nog meer moeite dan hij verwacht. Ze geven hem het gevoel dat hij iets kostbaars opgeeft, dat hij een waardevol deel van zichzelf verwerpt.

Toch herhaalt hij de woorden nog een keer, hij dwingt zichzelf de woorden over zijn lippen te duwen: ‘Ik stap uit de band. Ik zal nooit meer optreden. Ik zit het succes van mijn vrienden in de weg, en… ik kan beter iets anders gaan doen met mijn leven. Ik ben niet goed genoeg.’

‘Wie zegt dat?’

‘Mensen. Ik heb het ze zelf horen zeggen,’ bromt hij.

Een wolk schuift voor de zon en de blauwe kleur van de hemel begint te verbleken. De wind krijgt een koele ondertoon en hoewel Nash het daarnet nog te warm had, moet hij nu een huivering onderdrukken.

Mina bestudeert hem met een ernstige blik die hij probeert te negeren. Dan vraagt ze: ‘Zegt iedereen dat tegen je, of zijn het maar een handjevol mensen?’

Nash aarzelt. Hij kijkt haar niet aan. ‘Er zijn ook mensen die tegen me hebben gezegd dat ik… goed genoeg ben.’ Getalenteerd, is het woord dat ze gebruikten, maar Nash voelt zich niet waardig genoeg voor een compliment als dat.

‘Aha,’ zegt Mina. ‘Maar jij hebt dus besloten om de mensen die je gecomplimenteerd hebben te negeren, en alleen maar te luisteren naar degenen die kritiek op je hebben?’

Haar woorden doen Nash onwillekeurig opkijken. Haar blauwe ogen wachten hem op en hij staart haar aan. Hij weet niets meer te zeggen.

Ze schuift dichter naar hem toe. Nash zit in kleermakerszit en Mina’s knie tikt tegen de zijne. ‘Stel,’ begint ze, terwijl ze hem aan blijft kijken, ‘dat iedereen – echt iedereen – je af zou kraken… Zou jij dan écht kunnen stoppen met muziek maken? Je hebt me gisteren verteld dat muziek je leven is. Kan jij daar écht mee stoppen, Nash?’

Zijn keel is droog. ‘Nee,’ brengt hij schor uit.

‘Dat dacht ik al,’ zegt Mina zacht. Ze glimlacht. ‘Bovendien moet je onthouden, Nash, dat er altijd wel iemand is die je blij kan maken met de dingen die je creëert en deelt.’

Nash weet niets meer te zeggen. Want Mina doet hem iets realiseren dat hij de afgelopen dagen helemaal uit het oog was verloren: waarom maakt hij muziek? Omdat het hem gelukkig maakt. En de drang om dat geluk met anderen te delen is onbeheersbaar.

Mina leunt opzij, reikt in de picknickmand en haalt een flyer tevoorschijn. Het is nog steeds bewolkt, de wind steekt op en doet het papier wild ritselen. Nash pakt de flyer aarzelend van Mina aan.

Het kondigt voor vanavond acht uur een optreden aan in een bar.

Een optreden… van Nash.

Nash kijkt beduusd op, staart Mina niet-begrijpend aan. Ze wendt zich van hem af en als hij haar blik volgt, zakt zijn mond open van verbazing: opeens ziet hij dat iedereen op het grasveld dezelfde flyer heeft.

‘Wat…?’ brengt hij uit.

‘Ik wil je vanavond zien optreden, Nash,’ zegt Mina. ‘Ik wil je muziek zien maken zoals je zou doen als je alleen in je kamer zit, zonder publiek, zonder de meningen van anderen. Ik wil je muziek zien maken zoals je begonnen bent met muziek te maken.’

Nash zoekt naar woorden, houdt dan de flyer omhoog. ‘Heb jíj dit optreden geregeld?’

Ze knikt.

Hij schudt zijn hoofd. ‘Wie ben jij?’

‘Iemand die je wil helpen,’ antwoordt ze slechts.

De druk op zijn borst neemt toe, maar het is meer dan alleen onzekerheid: het is paniek, een monster dat zijn adem steelt en zijn hart vult met angst, die als een vloeistof over de randen gutst en zijn hele lichaam vult.

Het vooruitzicht van een optreden, zonder zijn vrienden om hem te ondersteunen, maakt hem doodsbenauwd.

Met een ruk komt hij overeind. ‘Wie denk jij dat je bent?’ bijt hij Mina toe – want woede, woede is veel makkelijker om te laten zien dan angst. ‘Je kent me nauwelijks, dus waarom zet je me zo onder druk?!’

De wind zwelt aan en trekt aan Mina’s lange haren. Ze komt ook overeind en kijkt naar hem op. Haar blauwe ogen zijn groot. Eerlijk. ‘Omdat ik je wil helpen,’ herhaalt ze zacht.

Helpen, helpen, helpen, ze blijft het maar zeggen- ‘Ik wil je hulp verdomme niet – ik heb er nooit om gevraagd!’ snauwt hij en hij draait zich met een ruk om, klaar om op de vlucht te slaan, klaar om zich terug te trekken in de schaduwen; want bij nader inzien is het veel veiliger om zich daarin te verschuilen-

Voordat hij weg kan lopen, slaat Mina haar armen om hem heen.

Hij stopt abrupt. De wind giert in zijn oren. Hij voelt hoe ze haar wang tegen zijn rug duwt, tussen zijn schouderbladen, en het enige wat hij kan is als bevroren blijven staan en nietsziend voor zich uitstaren.

‘Er zijn zoveel mensen in deze wereld die gebroken zijn, terwijl dat helemaal niet nodig is,’ begint Mina. ‘Zoveel mensen die ondermijnd worden door anderen, of zichzelf ondermijnen. Zoveel mensen die zich laten leiden door angst en onzekerheden, en daardoor vergeten te genieten van de schoonheid van het leven.

‘Hetzelfde geldt voor jou, Nash,’ zegt ze. ‘Jij hebt zo’n mooi talent… Ik kan het niet aanzien hoe jij dat talent vernietigt met angst. Hoe jij jezelf vernietigt.’

Ze houdt hem nog iets langer vast, haar vingers zijn met elkaar verstrengeld voor zijn borst. Dan laat ze hem langzaam los. Nash knippert met zijn ogen, draait zich naar haar om en kijkt woordeloos op haar neer. Ze kijkt naar hem op en glimlacht. Hij slikt – en houdt zijn adem in, als ze omhoog reikt naar zijn gezicht en zijn wang streelt.

Zijn hartslag versnelt en hij kan alleen maar fluisteren als hij nogmaals vraagt: ‘Wie ben jij?’

Heel even lijkt ze op het punt te staan om hem iets te vertellen. Hij ziet het. Dus hij legt zijn hand over de hare heen, drukt haar handpalm dichter tegen zijn wang, kijkt haar aan.

Opeens glimlacht ze weer. ‘Mina. Ik ben Mina,’ zegt ze. Ze trekt zachtjes haar hand los, slaat verlegen haar blik neer en wendt zich dan tot de band die nog steeds staat te spelen.

De bewolking breekt open en de warmte van de zon dringt zich weer een weg door Nashs T-shirt heen. Toch is dat lang niet zo warm als de warmte van Mina’s hand, die hij nog steeds op zijn wang voelt.

Ze zeggen niets meer en luisteren zwijgend naar de muziek.

 

* * *

 

Het is druk in de bar. Over een paar minuten is het acht uur.

De deur valt achter hen dicht. Mina en Nash blijven bij de ingang staan en Mina laat haar blik door de bar dwalen. Er ligt een oude houten vloer, de muren zijn terracottakleurig maar lijken donkerder door de schemerige verlichting, overal waar je kijkt staan ronde tafels met stoelen eromheen, aan de bar is bijna iedere kruk bezet… en achterin, op een laag podium, staat een gitzwarte, glanzende piano.

Er hangt een sfeer van anticipatie die Mina als een elektrische lading in de zielendraden voelt gonzen. Ze staat aan het begin van de climax van deze dag; de climax van haar werk, waar ze sinds gisteravond naartoe heeft geleefd.

Bijna al het zand van de zandloper in haar broekzak is in het onderste reservoir gevallen. Ze kijkt er bewust niet te veel naar. Want haar werk is nog niet klaar; ze heeft nog tijd en heeft nog dingen te doen.

Ze kijkt opzij naar Nash, die zojuist hoofdschuddend een stap naar achteren doet. ‘Ik kan dit niet-’

‘Jawel, Nash,’ onderbreekt ze hem met zachte stem en ze pakt zijn hand vast. Ze ziet zijn zielendraden die om zijn vingers gedraaid zijn; dezelfde draden die aan haar handen hangen. ‘Ik begrijp dat je bang bent. Maar je moet niet vergeten,’ vervolgt ze en ze geeft een kneepje in zijn lange pianovingers, ‘dat wat er zo meteen ook gebeurt, er in elk geval één persoon in het publiek zal zitten wie je blij zal maken met je muziek. En dat ben ik,’ besluit ze met een glimlach.

Nash slikt en ze ziet verwarring in zijn groene ogen; ze ziet dat hij er nog steeds achter probeert te komen wie ze precies is. Hij is de eerste die haar ooit zo heeft geprobeerd te doorgronden en ze voelt dat haar hart iets sneller begint te slaan onder zijn zoekende blik.

Diep vanbinnen hoopt ze dat hij erachter komt wie ze is.

Maar niemand weet van de Zielenhelers. Ook Nash niet, en ze ziet hoe hij het mysterie opgeeft. Hij kijkt het publiek nogmaals rond, kijkt dan naar de piano en uiteindelijk weer naar Mina.

‘Dan speel ik voor jou,’ brengt hij schor uit, ‘Mina.’

Ze vergeet om adem te halen.

Heel even vergeet ze zelfs om zijn hand los te laten, maar dan laat ze zijn vingers tussen de hare vandaan glijden en knikt naar hem.

Het is alsof hij een stukje van haar met zich meeneemt als hij van haar wegloopt, naar de piano toe. Mina slikt om haar plots droge keel te smeren en ze moet eerst diep in- en uitademen voordat ze haar lichaam weer in beweging krijgt. Met een plots zwaar gevoel neemt ze plaats aan een lege tafel, die haar een perfect zicht biedt op Nash.

Ze heeft deze plaats speciaal voor zichzelf gereserveerd.

Speciaal voor de finale.

Voor een moment kijkt ze neer op haar hand. Haar hand, waarmee ze daarnet voor de allerlaatste keer die van Nash heeft vastgehouden.

Opeens voelt de zandloper als een loodzwaar gewicht in haar broekzak. Ze heeft zich nog nooit zo gevoeld.

Nash neemt plaats achter de piano. Mina ziet zijn onzekerheid, ze ziet zijn angst – hoewel hij zijn uiterste best doet die te camoufleren, maar hij kan niets verbergen voor haar ogen – als hij het publiek weer rondkijkt.

Wat ze echter ook ziet, is hoe de trekken van zijn gezicht ontspannen als hij haar in het oog krijgt. Ze glimlacht naar hem. Zijn blik verzacht. Ze ziet hem zijn ogen sluiten, diep ademhalen, zijn handen omhoog brengen naar de pianotoetsen.

En al zijn angst smelt weg. Alle zwaarte glijdt van hem af. Alle schaduwen trekken zich terug, als schuwe demonen die terugdeinzen van een licht zo intens dat ze er niets tegen kunnen beginnen.

Nashs pianospel doet de hele bar stilvallen, zijn stem vult niet alleen oren maar harten met een melodie die langs alle uithoeken van je ziel strijkt. Hij zingt over vreemdelingen die elkaar vinden in menigtes; hij zingt over regenachtige en zonnige dagen; hij zingt over rennen, rennen over straten, rennen over velden, rennen zonder zorgen.

Hij zingt over alles waar Mina voor staat.

Alles, waar ze haar leven aan wijdt.

Hij is ook een soort Zielenheler, op zijn manier, bedenkt ze zich. Ze ziet de mensen om haar heen. Ze zijn ontspannen, ze glimlachen, ze luisteren aandachtig. Mina ziet hoe Nash hen allemaal weet te raken, hoe hij de wereld van al deze mensen – al is het alleen maar voor dit moment – mooier maakt.

Nash maakt háár wereld mooier. Mina voelt haar hartslag weer versnellen. Ze zou willen dat ze hem iedere dag kon horen pianospelen en zingen. Ze zou willen dat ze iemand anders was, iemand die bij hem kon blijven, iemand die-

Als haar blik op een jonge man van Nashs leeftijd in het publiek valt, realiseert ze zich weer met een klap wie ze is en wat ze hier doet. Want ze is geen gewoon meisje. Een gewoon leven is niet voor haar weggelegd – en dat is de reden dat deze jonge man hier is.

Het is Jonah, Nashs beste vriend. En hij is hier, omdat Mina letterlijk aan de juiste touwtjes heeft getrokken.

Hij zit op een kruk aan de bar. Hij kijkt naar Nash, zijn hoofd beweegt mee op de muziek, zijn vingers trommelen op het hout van de bar, perfect in het ritme.

Mina glimlacht, maar de glimlach voelt zwaar, net als de zandloper in haar broekzak. Ze dwingt zichzelf om hem tevoorschijn te halen en slikt moeizaam. Al het witte zand is in het onderste reservoir gevallen.

Haar tijd is op. Haar taak is vervuld.

Ze wacht nog heel even voordat ze opstaat en kijkt nog één laatste keer naar Nash. Hij kijkt zojuist op en vangt haar blik. Hij lacht naar haar.

Hij ziet er gelukkig uit. Bruisend. Zijn zelfvertrouwen is hersteld. Zijn ziel is geheeld.

Ik zal je nooit vergeten, Nash.

Ze lacht naar hem terug. Pas als hij zich van haar afwendt laat ze een beverige zucht ontsnappen en haar ogen vochtig worden. Haar handen trillen als ze ze optilt van het tafelblad en haar adem stokt als ze de draden van haar vingers voelt glijden. Vanuit een impuls grijpt ze ze weer beet, op het nippertje, voor ze echt naar beneden kunnen vallen. Ze klampt zich nog heel even aan ze vast. Aan Nash.

Dan knippert ze de tranen uit haar ogen. Ze laat de draden gaan. Ze vallen op het tafelblad, glijden naar beneden toe en kronkelen over de vloer heen, terug naar Nash. Ze draaien zich om zijn onderarmen.

Er zijn geen losse eindjes meer.

Ze staat op. Ze kijkt niet meer naar Nash. Ze glipt weg, luistert naar de laatste klanken van de piano en zijn stem, en trekt uiteindelijk de deur van de bar achter zich dicht.

Het is donker geworden buiten. De schaduwen groeien en dat blijven ze doen, terwijl ze verdwijnt in de avond.

 

* * *

 

Nash heeft geen idee hoe lang hij al speelt en hoeveel nummers hij al gezongen heeft – maar als hij een zoveelste lied afrondt, voelt hij de spieren in zijn armen branden en dat zijn keel droog is. Hij voelt zich in een soort roes verkeren en staart naar de glanzende witte en zwarte toetsen onder zijn vingers. Langzaam trekt hij zijn handen weg.

En kijkt beduusd op, als hij het applaus los hoort barsten.

Zijn mond zakt open als hij het publiek rondkijkt. Iedereen kijkt naar hem, hun applaus is helemaal voor hem, al die glimlachen zijn voor hém.

Er zijn dus toch mensen die hem goed genoeg vinden.

Mensen die hij weet te raken.

‘Nash!’

Hij kijkt op bij het horen van de bekende stem en trekt zijn wenkbrauwen op als hij Jonah naar hem toe ziet komen. Hij draait zich weg van de piano. ‘Jonah? Wat doe jij hier?’

Jonah trekt zijn broodmagere schouders op. ‘Ik werd vanmiddag gebeld door één of ander meisje. Ze zei dat ze een optreden voor je had geregeld. “Om je ziel te helen”, of iets dergelijks?’ Hij fronst even. ‘Ze bleef aandringen dat ik erbij moest zijn. Dat jij me nodig zou hebben.’

Nash knippert met zijn ogen. ‘Mina heeft dat…-?’

‘Ze heeft me alles verteld.’ Jonah komt dichterbij. ‘Serieus, waar komt die onzekerheid vandaan, man? Is dat de reden van die radiostilte van de afgelopen dagen?’

Nash verbreekt het oogcontact en knikt – en schrikt op als Jonah hem een klap tegen zijn schouder geeft.

‘Je bent een idioot,’ zegt Jonah. ‘Jij bent de reden dat we het zo goed doen; jij bent dé reden dat we überhaupt een band zijn geworden. Wat moeten we zonder jouw zang en teksten? Het maakt niet uit wat anderen zeggen, oké? Wij willen muziek maken met betekenis, met teksten die ergens over gaan.’

Een brok rijst op in Nashs keel, maar hij weet hem weg te slikken en zijn ogen droog te houden. ‘Sorry,’ bromt hij, ‘ik dacht dat jullie misschien…’ Hij maakt zijn zin niet af.

Jonah slaat zijn armen over elkaar en grijnst flauwtjes. ‘Als dat zo was hadden we je allang geloosd, hoor.’

Nash lacht onwillekeurig. ‘Ja?’

‘Ja, tuurlijk. Je denkt toch niet dat we vrijwillig tegen die lelijke raap van je aan hadden blijven kijken als je niets kon? Maar ja, we kunnen niet zonder je, dus we hebben weinig keus.’

Opeens begrijpt Nash niet meer waar hij zich zorgen om heeft gemaakt de afgelopen dagen. Hij was de enige die problemen zag; problemen, die er eigenlijk helemaal niet waren. Schaduwen, die nooit hadden hoeven te bestaan.

‘Je zei dat je gebeld was door Mina?’ wendt hij zich terug tot Jonah.

Hij knikt. ‘Wie is ze eigenlijk?’

‘Kom, ik zal je aan haar voorstellen.’ Nash komt overeind van de pianokruk, stapt van het lage podium af, kijkt met een glimlach naar de tafel waar-

Waar ze niet meer zit.

Nash blijft vertwijfeld staan en kijkt de bar rond.

Hij ziet haar nergens.

‘Nash? Alles oké?’ hoort hij Jonah achter hem vragen.

Het lukt hem niet om antwoord te geven. Hij weet niet precies waarom, maar zijn hart begint te bonzen, alsof een deel van hem al weet wat er aan de hand is terwijl de rest van hem nog probeert grip te krijgen op de situatie.

Hij haast zich naar de lege tafel toe, draait om zijn as, zoekt en zoekt met zijn ogen. Dan stapt hij op een vriendengroep af aan de tafel ernaast. Hij praat zo snel, dat hij bijna over de woorden struikelt: ‘Hebben jullie haar gezien? Een meisje, met roze strengen in haar haar? Ze droeg een beanie en…’

Eén van hen schudt zijn hoofd, maar een ander wijst met zijn duim over zijn schouder naar de deur. ‘Ze is een paar minuten geleden naar buiten gegaan-’

Nash wacht niet eens tot hij uitgesproken is – hij rent op de deur af, rukt hem open, vliegt naar buiten toe. Het is donker geworden, de straat is schemerig verlicht en het struikgewas verderop lijkt weinig meer dan een gapend, zwart gat.

‘Mina?’ roept hij. ‘Mina!’

De wind steekt op, ijzige kou strijkt langs zijn blote armen en snijdt door zijn T-shirt. Hij kijkt om zich heen, voelt zijn hart in zijn keel bonzen. Hij haalt adem om haar naam opnieuw te roepen… en stopt, als hij iets op de grond ziet liggen.

Fronsend raapt hij het op. Het is een kleine zandloper. Het zand op de bodem is wit en lijkt bijna op te gloeien.

Net als de draden, die hij plotseling ziet. Ze zijn om zijn vingers, polsen en onderarmen gedraaid. Nash wankelt een stap naar achteren toe, houdt zijn armen wijd. ‘Wat is…?’

Zijn vraag sterft weg op zijn tong als hij met zijn ogen knippert, en de draden plotseling weer verdwenen zijn. Hij schudt zijn hoofd, bekijkt zijn armen, zijn handen, dan de zandloper.

Een regendruppel valt met een tikkend geluid tegen het glas en spat uiteen. Een volgende regendruppel valt, deze keer op zijn hand, weer een volgende, deze keer op zijn hoofd. Een ruisend geluid vult zijn oren als de regen toeneemt, maar Nash denkt er niet eens aan om terug naar binnen te gaan.

Want terwijl hij naar de zandloper kijkt, herinnert hij zich plotseling Mina’s woorden van gisteravond: ‘Geef me één dag. Dat is alles wat ik aan je vraag. Eén dag om al je zorgen weg te halen.’

Nash schudt zijn hoofd, ademt schokkerig in.

‘Eén dag,’ hoort hij Mina weer zeggen in zijn hoofd.

Hij rukt zijn blik los van de zandloper. De regen doorweekt zijn kleding, zijn haar plakt aan zijn voorhoofd.

‘Mina?’ fluistert hij. ‘Waar ben je?’

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Wordt vervolgd in Eén Dag (Kan Alles Veranderen) – deel 3

Eén Dag (Kan Alles Veranderen) – deel 1

Ze stapt in een ondiepe regenplas en tientallen waterdruppeltjes spatten op.

Het is een nauwe, schaduwachtige straat, schemerig verlicht door enkele lantaarnpalen. Het is er stil; het is een druilerige avond en het weer lijkt niet te kunnen besluiten of het lente of zomer is. De temperatuur is broeierig, maar de wind strijkt als koele vingers langs haar wangen.

Bijna iedereen is binnen. Ze loopt langs een café, waar mensen achter de ramen zitten. Ze passeert een paar kleine winkels, die nog tot laat op de avond open zijn.

Ze loopt verder.

De motregen kriebelt op haar huid en maakt haar kleding vochtig. Als de wind weer opsteekt worden er roze bloesemblaadjes naar haar toe geblazen, van de boom aan het einde van de straat. Wat de wind ook met zich meevoert, is de kruidige geur van eten.

Ze stopt voor een restaurant en kijkt door de ramen naar binnen.

Dit is waar ze naar op weg was. Dit is waar ze moet zijn.

Als ze naar beneden kijkt, ziet ze wit opgloeiende draden die om haar handen en vingers gedraaid zijn. De draden zijn lang, ze verdwijnen door de deur van het restaurant naar binnen toe en zijn verbonden aan iemand anders.

Ze houdt de draden van andermans lot in haar handen. Ze hoeft slechts een vinger te bewegen, of ze kan van alles in beweging zetten. Ze kan van alles veranderen.

En dat is ook precies wat ze gaat doen.

Heel even verstevigt ze haar grip op de draden, wendt zich dan van ze af en doet een stap naar voren toe. Er rinkelt een belletje als ze de deur opendoet en het restaurant binnengaat.

 

* * *

 

Nash hoort het belletje rinkelen, maar kijkt niet op. Het is warm in het restaurant, bijna net zo broeierig als buiten, en hij voelt de hitte van de dampwolkjes die opstijgen van zijn maaltijd, die de serveerster hem daarnet is komen brengen.

Met een langzame beweging pakt hij de eetstokjes op en prikt er lusteloos mee in de kom met witte rijst die voor hem staat. Hij heeft er een kom met soep naast staan en verder een paar bakjes met groente en vlees. De geuren zouden zijn mond normaal gesproken doen wateren. Nu niet. Hij ruikt het amper.

De wereld is wazig. Hij is zich nauwelijks bewust van kou of warmte. Van geuren. Geluiden. Wat dan ook. Hij is vanavond in een restaurant gaan eten, in de hoop dat de drukte hem af zou leiden. Hij was bang om te lang alleen te blijven – om te lang alleen te blijven met zijn eigen gedachten.

Maar zelfs de aanwezigheid van andere mensen kan hem niet helpen. Het geroezemoes, het geklik van eetstokjes, de sissende en kletterende geluiden uit de keuken; niets kan hem afleiden.

Hij begint te eten en kauwt langzaam. Proeft er niets van.

Nash is helemaal niet bezig met eten – zijn hoofd is heel ergens anders. Voor een zoveelste keer in de afgelopen dagen, denkt hij terug aan het laatste optreden met zijn band.

Zijn vrienden en hij hebben de band een jaar geleden opgericht. Ze werken of studeren overdag, en de meeste avonden komen ze bij elkaar om te oefenen, nieuwe nummers te schrijven en te bespreken, of om op te treden in lokale bars. Het is hun droom om door te breken. Om naam te maken.

Nash is de leadzanger van de band en schrijft de songteksten – en het afgelopen jaar was hij ervan overtuigd dat hun droom uit zou komen. Het publiek reageert enthousiast. Het aantal volgers neemt langzaam maar gestaag toe.

Ook tijdens hun laatste optreden reageerde het publiek goed. Tenminste, dat dacht hij, totdat hij later die avond via de achteruitgang naar buiten ging en de jongens hoorde die voor de bar stonden te roken. Ze zagen hem niet. En het was niet Nashs bedoeling om hen af te staan luisteren, maar hun woorden deden hem bevriezen waar hij was, half verscholen achter een muur:

De band is goed, zeiden ze, maar zou beter zijn met een andere leadzanger.

Hij past niet bij hun sound, zei één van hen.

Ja, voegde een ander eraan toe, net als hun songteksten.

Nash voelt het kleine beetje eetlust dat hij daarnet nog had verdwijnen en laat met een zucht zijn eetstokjes zakken. Hij zit voorovergebogen over het kleine tafeltje en staart nietsziend naar zijn eten, terwijl hij een hand door zijn donkere haar haalt. Uiteindelijk laat hij zijn hand op zijn nek rusten en sluit voor een moment zijn ogen, terwijl hij moeizaam slikt.

Het succes van het afgelopen jaar lijkt opeens een leugen te zijn. Want alle complimenten waren alleen maar bedoeld voor de rest van de band; voor zijn vrienden. Niet voor hem.

Als Nash weg zou gaan, zouden zijn vrienden dan het succes krijgen waar ze allemaal van dromen?

Is hij hetgeen wat hen in de weg staat? De storende factor?

Degene wiens talent niet goed genoeg is?

Zijn mobieltje ligt op de hoek van de tafel en maakt een brommend geluid. Nash opent zijn ogen en ziet zijn mobieltje opzij draaien door de vibratie, alsof het een eigen leven leidt, en het scherm oplichten. Een sms van Jonah. Zijn beste vriend. Samen met hem is hij de band begonnen.

Nash wacht tot het scherm weer verduistert en voelt de knoop in zijn maag groeien. Hij stopt een grote hap rijst in zijn mond. Eet zonder te proeven.

Stoelpoten schrapen over de vloer en Nash kijkt onwillekeurig op als hij een beweging ziet vanuit zijn ooghoeken. Een meisje gaat aan het kleine tafeltje links van hem zitten, één van de tafels die het dichtst bij het raam staan. Ze kijkt glimlachend op naar de serveerster die naar haar toekomt.

Voor enkele momenten blijft Nash naar het meisje kijken. Ze lijkt een jaar of twintig te zijn, ongeveer van zijn leeftijd. Ze draagt een beanie, waar lange, donkerblonde haren onder vandaan komen met roze geverfde strengen. Zijn blik blijft rusten op haar net zo roze gestifte lippen, haar donkere oogschaduw, haar blauwe ogen-

Die hem plotseling aankijken.

Nash voelt een windvlaag van de serveerster die langs hem heen gebeend komt en knippert met zijn ogen. Met een ruk wendt hij zich van het meisje af, gooit gauw wat groente en vlees bij zijn rijst en neemt weer een hap.

Hij kauwt. Slikt het door. Doet dan niets meer. Hij vergeet het meisje, hij vergeet dat hij in een restaurant zit. Hij voelt de donkere gedachtes hun greep op hem verstevigen, voelt hoe ze zich aan hem vastklampen, hoe ze aan zijn ziel lijken te blijven plakken als een kleverige vloeistof die hem dreigt te verdrinken.

Als zijn talent niet goed genoeg is, wat moet hij dan? Het enige wat hij wil is zijn zang en teksten delen met anderen. Hij wil mensen raken, hij wil ze aan het denken zetten, hij wil ze een blij gevoel geven. Maar als hij daarin faalt, waarom zou hij dan nog moeite doen?

Wat heeft alles nog voor nut als-

‘Hé… Smaakt het eten dan zó slecht hier?’

Nash schrikt op en kijkt recht in het gezicht van het meisje. Ze leunt fronsend naar hem toe, werpt een blik op zijn eten en kijkt hem dan weer aan. Ze dempt haar stem nog iets meer: ‘Je raakt het amper aan. Is het echt zo erg? Want ik heb net wat te eten besteld, en…’ Ze lacht even.

Even lijkt hij zich niet meer te kunnen herinneren hoe hij moet praten. Hij staart haar aan en heeft het idee dat hij zojuist boven water is gekomen; met een klap dringen alle geluiden in het restaurant tot hem door. Hij hoort mensen lachen, hij hoort het belletje bij de deur weer rinkelen als een paar klanten weggaan, hij hoort de zachte instrumentale muziek die gespeeld wordt. Hij knippert met zijn ogen en ziet eindelijk de details; de nerven in de houten tafelbladen, de warme, gedempte verlichting…

En hij realiseert zich dat het meisje hem nog altijd afwachtend aankijkt.

‘Nee,’ zegt hij als hij zijn stem weer terugvindt, die veel zachter en schorder klinkt dan hij gewend is. Hij schraapt zijn keel. ‘Nee,’ herhaalt hij, ‘het ligt niet aan het eten; het ligt aan mij. Ik eet hier altijd graag. Het is hier klein en goedkoop, maar… het eten is goed,’ besluit hij.

‘Oh. Gelukkig.’ Ze lacht even en leunt weer van hem weg. ‘Ik begon me al zorgen te maken.’

Nash grijnst zwakjes. ‘Nergens voor nodig.’

Ze zwijgen even. Het meisje beweegt haar vingers. Haar paarse nagels glanzen in het licht van de lampen, die met roestige kettingen aan het plafond hangen. Nash wendt zich terug tot zijn eten, denkt erover weer een hap te nemen, maar kijkt op als het meisje plots weer begint te praten: ‘Waarom eet je niet? Ben je ziek?’

Hij bestudeert haar gezicht. Hij vraagt zich af of hij het zich verbeeldt, maar ze lijkt oprecht bezorgd te zijn. Maar hij ziet ook iets anders, iets dat haar ogen oplicht: vrolijkheid.

Ze doet hem denken aan zonlicht. Ze doet hem denken aan een veer, gewichtsloos in de wind. Ze doet hem denken aan alle oefenavonden met de band en alle optredens, die datzelfde licht in zijn ogen brachten.

Dat licht droeg hij vorige week nog bij zich, maar de afgelopen dagen zijn de schaduwen ondoordringbaar geworden.

Hij betwijfelt of hij zich ooit nog zo zal kunnen voelen. Wat heeft hij immers nog, als hij zou stoppen met zingen en schrijven?

‘Ik ben niet ziek,’ antwoordt hij na een stilte. Hoewel ik me vanbinnen wel ziek voel, bedenkt hij zich. Dat is misschien de beste omschrijving van de duisternis die hij voelt. Een ziekte.

Hij voelt het meisje hem aandachtig opnemen, maar hij vermijdt het oogcontact. Laat me, is wat hij wil zeggen. Ik ben het slechtste gezelschap dat je kan hebben. Dus doe jezelf een lol en vraag niet verder.

‘Ik heet Mina.’ Een slanke hand met paarse nagels wordt naar hem uitgestoken. ‘En jij?’

Hij staart naar haar. Schudt dan uit automatisme haar hand, voor hij erover na kan denken. ‘Nash,’ antwoordt hij na een aarzeling.

Ze laten elkaars hand los en een lichte frons dringt zich op aan Nashs voorhoofd; want het is net alsof hij de zwaarte voelt afnemen, alsof het meisje een stukje van zijn duisternis van hem overneemt.

Hij schudt het vreemde gevoel van zich af.

De serveerster keert terug en zet vrijwel dezelfde maaltijd voor Mina neer als ze minutengeleden naar Nash is komen brengen. ‘Eet smakelijk,’ zegt de serveerster voordat ze weggaat. Mina glimlacht en bedankt haar.

Ze snuift diep de geur van het eten op en Nash kijkt toe hoe ze overal een hapje van proeft. Haar gezicht klaart op, hoewel ze even fronst als ze van de soep proeft. Ze wappert met haar hand bij haar mond. ‘Heet,’ sist ze.

Nash glimlacht voor hij er erg in heeft.

Mina trekt een wenkbrauw op. ‘Ik snap niet dat je er niet van eet. Het is heerlijk.’

‘Weet ik.’

‘Waarom laat je het dan koud worden?’

Nash ademt in om antwoord te geven. Dan aarzelt hij en schudt zijn hoofd. ‘Geniet gewoon van je eten en verspil je tijd niet aan mij. Je wil het allemaal niet horen, geloof me.’

‘Nou, misschien wil ik dat wél.’

Hij lacht wrang. ‘Waarom zou je? We kennen elkaar niet eens.’

‘Jij bent Nash. Ik ben Mina.’ Ze haalt haar schouders op. ‘We kennen elkaar.’

‘We weten elkaars naam. Dat is heel wat anders.’

‘Het is de eerste stap,’ zegt ze luchtig, waarna ze een grote hap neemt. Ze kauwt met bolle wangen en grijnst bijna schaapachtig naar hem als hij haar vertwijfeld opneemt.

Nash slaat zijn armen over elkaar. Mina slikt haar eten door, neemt vervolgens een slok water. ‘Wil je erover praten?’ vraagt ze.

‘Waarover?’ Nash ontwijkt haar blik.

‘Over wat je dwars zit.’

‘Hoezo denk je dat mij iets dwars zit?’

Ze geeft geen antwoord en kijkt hem alleen maar aan met een flauwe glimlach, en een blik die recht in zijn ziel lijkt te priemen. Nash vergeet even om adem te halen, maar weet zich dan te herstellen. ‘Ik wil er niet over praten.’

‘Oké. Dan praten we over iets anders. Maar alleen,’ vervolgt ze, ‘als jij je eten opeet, want het is veel te zonde om het te laten staan.’

‘Bazig,’ merkt hij op. Hij vraagt zich af wie zij is om hem te commanderen, maar als hij de speelse glinstering in haar ogen ziet, beseft hij dat het geen bemoeizucht is. Hij neemt een demonstratieve hap. ‘Nu blij?’

Ze lacht alleen maar.

Het geluid van haar lach voelt als een tinteling op zijn huid en het verrast hem hoe de zwaarte in zijn hart weer iets afneemt. Hij merkt dat zijn eetlust terugkeert en het lukt hem om niet meer na te denken over zijn problemen, zijn onzekerheden, zijn angsten.

Zij is de afleiding die hij hoopte te vinden vanavond.

‘Woon je hier in de buurt?’ vraagt Nash, nadat ze een paar minuten in stilte hebben gegeten.

Mina wacht even voordat ze antwoord geeft. ‘Ja.’

‘Ik heb je nog nooit eerder gezien.’

‘Ik jou ook niet.’

Hij grimast even. ‘Ja. Sorry. Stom van me.’ Als hij vervolgens vluchtig naar haar kijkt, ziet hij dat ze glimlacht. Hij knijpt zijn ogen iets samen. ‘Lach je me nou uit?’

‘Natuurlijk niet,’ grinnikt ze, waarna ze naar zijn tafel kijkt. ‘Vind je het goed als ik bij je kom zitten?’

‘Uh…’ Zijn mond zakt open. Hij doet hem gauw weer dicht. ‘Ja, tuurlijk. Ga je gang.’

Ze zet haar kommetjes en bakjes bij hem op tafel, en gaat tegenover hem zitten alsof ze bij een oude bekende aan tafel schuift. Nash krabt even op zijn arm. ‘Doe je dit bij iedereen die je net hebt ontmoet?’

‘Nee, hoor.’ Ze pakt behendig een stukje groente op met haar eetstokjes en slaat kort haar blauwe ogen naar hem op. ‘Niet bij iedereen.’ Ze kauwt op haar groente en maakt een goedkeurend geluidje. ‘Wat doe jij precies?’ vraagt ze nadat ze het doorgeslikt heeft en ze bestudeert hem aandachtig. ‘Iets… creatiefs, denk ik. Schilderen? Nee, wacht… Muziek?’

‘Ja,’ antwoordt hij verrast. Hij heft zijn kin iets op. ‘Ben je gewoon goed in raden, of speel je spelletjes met me en heb je me eens op zien treden?’

Ze kijkt hem stralend aan. ‘Muziek dus? Ik had gelijk! En je treedt op?’

‘Met mijn band,’ antwoordt hij langzaam en hij voelt zijn stemming weer verduisteren.

‘Cool,’ zegt ze enthousiast. ‘Welk instrument bespeel je?’

‘De piano, soms. Ik zing meestal. En ik schrijf onze songteksten,’ voegt hij eraan toe. Zijn kaken verstrakken en een druk daalt neer op zijn borst, de knoop in zijn maag keert terug. Hij verandert snel van onderwerp: ‘En wat doe jij?’

Haar blik dwaalt langs hem heen, terwijl ze van haar glas nipt. ‘Ik… help mensen,’ besluit ze vaagjes.

‘Je helpt mensen,’ herhaalt Nash en als ze geen toelichting geeft, vraagt hij: ‘Werk je in de zorg, of zo?’

Een glimlach trekt aan haar mondhoeken. ‘Zoiets.’

‘Zeg, hé.’ Nash fronst. ‘Je vraagt mij het hemd van mijn lijf, maar je vertelt bijna niets over jezelf.’

Langzaam laat ze haar eetstokjes zakken. ‘Je wil meer over mij weten?’

Nash knikt en trekt afwachtend zijn wenkbrauwen op.

‘Oké.’ Ze volgt een nerf in het tafelblad met haar vingernagel. Dan kijkt ze hem recht aan. ‘Mijn naam is Mina. En ik houd van zonnige, zomerse dagen, omdat mensen dan meestal blij zijn. Ik houd niet van donkere, winterse dagen, omdat veel mensen zich dan ongelukkig voelen. Ik houd van alle mooie dingen in de wereld. Van kunst. Van boeken. Van muziek. Alles wat de duisternis van de wereld kan verjagen. Daar leef ik voor.’

Er valt een stilte, slechts doorbroken door het geroezemoes in het restaurant. Nash staart haar sprakeloos aan. Mina blijft zijn blik vasthouden, zonder terughoudendheid, zonder verlegenheid.

‘Muziek,’ weet hij dan hees uit te brengen. ‘Ik leef voor muziek.’

Ze glimlacht voor een zoveelste keer. ‘Dan leven we allebei voor hetzelfde, Nash.’

Daarna stoppen ze niet meer met praten. Woord na woord, zin na zin, ze praten over alles. Nou, misschien niet álles – Nash wil niet praten over de schaduwen in zijn hart. In feite vergeet hij bijna dat ze bestaan, want telkens als Mina iets zegt, telkens als ze lacht, doet ze hem de duisternis vergeten.

Twee uur verstrijkt en pas als de serveerster komt zeggen dat het bijna sluitingstijd is, beseffen ze dat het hele restaurant leeg is, op hen na. Ze verontschuldigen zich, komen gauw overeind en vertrekken. Eenmaal buiten lachen ze om zichzelf. Het is gestopt met regenen. Mina knoopt haar spijkerjas tot de helft dicht – het is laat op de avond en de koelte van de bries neemt de overhand – en Nash trekt de kraag van zijn leren jack recht.

Hij kijkt de uitgestorven straat rond. Er brandt geen licht meer achter de ramen van de cafés en winkels. ‘Hoe ga je naar huis? Lopend?’

‘Nee, ik ben met de bus.’

‘Ik zal met je meelopen naar de bushalte.’

‘Dat hoeft niet-’

‘Ik laat je niet om deze tijd alleen over straat gaan,’ onderbreekt Nash haar stellig.

‘Dat doe ik altijd-’

‘Niet vanavond.’

Haar lippen wijken iets uiteen als ze hem verrast aankijkt. Dan grijnst ze en haalt haar schouders op. ‘Oké dan.’

Ze lopen naast elkaar door de schemerige straat heen. Nash steekt zijn handen in de zakken van zijn jack en kijkt vanuit zijn ooghoeken naar haar opzij. Ze is een kop kleiner dan hij en de roze strengen in haar lange haar lijken bijna paars in het donker. Hij voelt een kriebel in zijn buik en heeft het idee dat hij zweeft; iedere stap die hij zet voelt licht, terwijl hij de afgelopen dagen juist het gevoel had dat hij tientallen kilo’s met zich meetorste.

Hij zoekt naar woorden om haar te bedanken. Hij zoekt naar woorden, de juiste woorden waarmee hij haar bij zich zou kunnen houden. Hij is bang voor wat er met hem gebeurt als ze straks weer weg is. Uit zijn leven verdwijnt. Hij kent haar pas net, maar ze heeft hem uit een diep dal getrokken vanavond. Hij heeft nog nooit iemand ontmoet die zo vrolijk is, die zoveel licht uitstraalt-

‘Heb je morgen iets te doen, Nash?’ vraagt ze plots.

Wát? Zijn tong zit in de knoop, hij weet zeker dat hij haar verkeerd heeft verstaan, hij-

Al zijn twijfels verdwijnen als ze naar hem opkijkt. Nee – hij hoorde haar goed.

‘Nee. Niet echt. Ik bedoel-’ Hij vervloekt zichzelf, ‘Je wil afspreken?’

‘Heb je een auto?’

Als je die gare tweedehands bak een auto kan noemen… ‘Ja-’

‘Laten we morgenochtend om tien uur bij het restaurant afspreken.’

‘En dan…?’

‘Dan stappen we in je auto en gaan we ergens naartoe.’

‘Waarheen?’

‘Gewoon, ergens. Er zijn wat dingen die ik aan je wil laten zien.’

‘Aan me wil laten zien?’

‘Ja. Er zit je iets dwars,’ zegt ze en Nash slaat zijn blik neer, ‘en ik wil je laten zien dat het leven mooier is dan je denkt; dat het licht helderder schijnt dan je op dit moment ziet.’

Nash krijgt een scherp gevoel in zijn keel.

Ze lopen langs de bloesemboom aan het eind van de straat. De wind steekt op en tientallen blaadjes dwarrelen naar beneden toe. Nash zegt niets meer. Mina ook niet. Als ze de straat uit zijn en langs de autoweg lopen, verbreekt het gegons van het verkeer de stilte. Er staan bomen aan weerszijden van het voetpad en de bladerdaken vormen een dak boven hun hoofd. De binnenstad is druk – veel drukker dan het smalle straatje waar ze vandaan komen –, overal branden lichten en iedereen lijkt nog onderweg te zijn.

Eenmaal bij de bushalte, laat Nash zachtjes zijn adem uit zijn longen ontsnappen. Hij moet iets zeggen nu. Hij kan niet blijven zwijgen, niet nadat ze hebben afgesproken om elkaar morgen weer te zien. Hij veegt een paar plukken haar uit zijn ogen en wendt zich weer tot Mina.

‘Ik begrijp het niet,’ begint hij. ‘Je hebt me vanavond pas leren kennen, je hebt geen idee wie ik precies ben en toch-’

‘Toch wil ik je helpen.’ Haar glimlach groeit, een glinstering raakt haar ogen. De lantaarnpaal naast de bushalte werpt een onaardse gloed op haar gezicht. Opeens lijkt ze bijna niet van deze wereld te zijn. ‘Ik heb je al verteld dat ik mensen graag help.’

Nash bestudeert haar. Ze is als een puzzel, die bijna compleet is maar waar hij de laatste stukjes nog van mist. ‘Doe je dit bij iedereen die je net hebt ontmoet?’ herhaalt hij zijn eerdere vraag van vanavond.

Ze lacht zacht. ‘Nee, hoor. Niet bij iedereen,’ herhaalt ze op haar beurt haar eerdere antwoord.

De manier waarop ze hem aankijkt, slaat voor een moment alle lucht uit Nashs longen. Het is vreemd; ze geeft hem het gevoel dat hij is uitgekozen.

Pas als hij een sissend geluid hoort, beseft hij dat de bus is gearriveerd. De deuren zijn opengeschoven, een paar passagiers stappen uit en de chauffeur leunt opzij om te zien of er nog iemand in zal stappen.

‘Morgenochtend, tien uur, voor het restaurant,’ zegt Mina. Ze loopt achteruit naar de bus toe en blijft Nash aankijken. ‘Geef me één dag. Dat is alles wat ik aan je vraag.’

Nash trekt zijn wenkbrauwen op en moet zijn stem verheffen om boven de stationair draaiende motor van de bus uit te komen: ‘Eén dag?’

‘Eén dag om al je zorgen weg te halen.’ Ze grijnst naar hem; haar tanden zijn recht en wit. ‘Morgen wordt de eerste dag van je nieuwe leven, Nash.’

Nog voor Nash iets kan zeggen, springt Mina lichtvoetig de bus in. Haar donkerblonde haar met roze strengen golft achter haar aan. Nash blijft bij de bushalte staan, volgt haar met zijn blik als ze op een stoel naast het raam gaat zitten. Ze zwaait naar hem. Hij steekt aarzelend zijn hand op, en laat hem net zo aarzelend zakken als de bus vertrekt en hij Mina nakijkt, totdat het voertuig de hoek omslaat en uit het zicht verdwijnt. De geur van uitlaatgassen blijft zwaar in de vochtige lucht hangen.

Voor een moment blijft hij staan staren naar het punt waar hij de bus voor het laatst zag. Hij glimlacht flauwtjes, draait zich dan hoofdschuddend om en begint naar huis te lopen.

Vanmorgen was zijn wereld zo donker, dat hij moeite had om op te staan. Morgenochtend zal dat anders zijn.

 

* * *

 

Mina blijft tot aan de eerste halte in de bus zitten. Dan stapt ze uit, op de hoek van een straat waar ze helemaal niet moet zijn. Ze heeft wel een thuis, maar niet in de zin van een huis zoals gewone mensen.

Maar vanavond gaat ze niet naar huis toe.

Ze wacht tot de bus weer weg is gereden en ze helemaal alleen is bij de halte. Ze kijkt op haar handen neer, op de witte draden die aan haar vingers hangen en op dit moment meters, honderden meters lang zijn.

Gewone mensen kunnen de draden van hun ziel niet zien. Nash ook niet. Hij heeft geen idee dat zij zijn draden in haar handen houdt; hij heeft geen idee dat de draden die om haar vingers zijn gewikkeld uiteindelijk met hém verbonden zijn.

Alleen mensen, wezens zoals Mina zijn zich van deze draden bewust.

Ze noemen zichzelf de Zielenhelers.

En vanavond heeft ze de taak op zich genomen om Nashs ziel te helen.

Mina sluit haar ogen, voelt de draden aan zich trekken en geeft zich eraan over. Ze brengen haar terug, terug naar Nash, ze voeren haar ziel door tijd en ruimte, en als ze haar ogen opent is ze niet meer bij de bushalte.

Wind giert zachtjes in haar oren en haar lange haren worden over haar schouders geblazen. Ze zit op het dak van een flat, neergehurkt op de rand. Ze kijkt uit op de balkons van de flat aan de overkant.

En op één van die balkons, leunend met zijn armen op de balustrade, staat Nash.

Hij draagt nog steeds hetzelfde zwarte T-shirt en dezelfde jeans als vanavond. Hij heeft een koptelefoon op en zijn hoofd beweegt mee op de muziek die in zijn oren klinkt. Een bries waait zijn donkere haar voor zijn ogen.

Mina houdt haar hoofd schuin en neemt hem aandachtig op. Hij lijkt nu al… lichter. En ze heeft haar ware werk nog niet eens gedaan. Maar het lijkt allemaal zoveel makkelijker te gaan bij Nash. Ze heeft al vele zielen geheeld – van vele verschillende mensen, van kinderen tot grootouders –, maar nog nooit eerder heeft ze zo’n connectie gevoeld als met Nash.

Behalve dat ze vanavond een stukje van zijn duisternis overnam, leek hij haar op zijn beurt ook een stukje licht te geven.

Ze beweegt haar vingers, laat de lange draden van haar handen die aan de zijne verbonden zijn op en neer golven. Ze glimlacht als ze Nash zijn ogen ziet sluiten en zijn mond ziet bewegen, zachtjes meezingend met de muziek.

‘Morgen zullen de laatste schaduwen je loslaten,’ fluistert ze. ‘Dat beloof ik je.’

Ze reikt naar haar broekzak en haalt er een kleine zandloper uit. Het fijne zand is net zo wit als de zielendraden. Met een langzame beweging draait ze hem om en houdt hem voor haar gezicht. Een dun straaltje zand, bijna te dun voor het oog om te registreren, loopt naar beneden toe.

Deze zandloper geeft de tijd aan die ze nodig heeft om Nashs ziel te helen. Als zijn ziel bijna geheeld is, zal de zandloper dat aangeven; als al het zand in het onderste reservoir is gevallen, is het tijd voor haar om te vertrekken.

Want ze kan nooit langer dan een dag bij iemand blijven. Zodra iemands ziel is geheeld, moet ze weg – als ze dat niet doet, zal ze haar krachten kwijtraken.

Haar krachten, waarmee ze alles en iedereen kan beïnvloeden.

Haar krachten, waarmee ze Nashs wereld mooier kan maken.

Hoe zou ze die ooit op kunnen geven?

Ze stopt de zandloper terug in haar jaszak en blijft neergehurkt op de rand van het dak zitten. Het wasgoed aan de lijnen op sommige balkons wappert in de wind, achter enkele ramen brandt nog licht, bij anderen zijn de gordijnen dichtgeschoven. Nash blijft nog een tijd op het balkon staan, maar dan trekt hij zijn koptelefoon af, kijkt op naar de bewolkte avondhemel en ademt diep in. Hij gaat naar binnen toe en trekt de deur achter zich dicht.

Heel even flakkeren de draden, als kaarslicht, maar dan herstellen ze zich weer en verdwijnen ze door de deur naar binnen toe. Nog altijd verbonden.

Vanavond heeft Mina de eerste stap gezet.

Maar morgen gaat haar echte werk beginnen.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Wordt vervolgd in Eén Dag (Kan Alles Veranderen) – deel 2… | VERDER LEZEN

Als Stof

Ze ziet dingen die niemand anders ziet. Dingen, die zo ongrijpbaar zijn als stof.

Haar blonde haren zijn zo licht dat ze bijna wit lijken en ze vangen een roze glans van de ondergaande zon. Ze knijpt haar ogen samen tegen het licht en voelt de warmte branden op haar huid; zelfs de bries die langs haar heen strijkt is warm.

De wereld is altijd warm als de scheiding het dunste is.

De scheiding, tussen het stoffelijke en onstoffelijke; de scheiding, tussen deze wereld… en de geestenwereld.

Het is stil op het basketbalveld. Haar schaduw strekt zich uit vanaf haar voeten, net zo roerloos als de schaduwen van de baskets. Niemand zou iets kunnen zien bewegen op het veld – het meisje, echter, ziet overal beweging.

Haar ogen dwalen over wezens die de gewone wereld niet kent. Ze lijken menselijk van vorm, en toch ook weer niet. Ze zijn witdoorschijnend en stralen een zachte, pulserende gloed uit. De wezens bewegen zich gracieus en kunnen van het één op andere moment uit elkaar vallen in honderden bloesemblaadjes, die even verderop weer bij elkaar komen en de wezens weer compleet maken.

In de lucht ziet ze vogelachtige gedaantes, net zo witdoorschijnend als de menselijke wezens, die hun vleugels spreiden en zich mee laten voeren door de wind. Veren dwarrelen naar beneden toe en voor ze de grond raken, veranderen ze in vlinders. Ze fladderen om de benen van het meisje en lijken op te gloeien in het zonlicht dat door hen heen schijnt – net als de planten en bloemen, die ze langs de lantaarnpalen omhoog ziet groeien.

‘Wat zie je?’

De zachte stem klinkt achter haar. Nu pas ziet ze de nieuwe schaduw op het basketbalveld en ze draait zich om. Een bries steekt op en strijkt door de verwarde haren van een jonge man, trekt aan zijn kleding. Hij kijkt even langs het meisje heen, knijpt zijn ogen samen tegen de zon en wendt zich dan weer tot haar terug.

‘Ik bedoel… het is net alsof je ergens naar staat te kijken,’ begint hij na een stilte en ze hoort de twijfel in zijn stem, alsof hij zich afvraagt of hij dit wel moet zeggen. ‘Naar iets dat niemand anders kan zien.’

Ze bestudeert hem even. Zijn ogen zijn donker – álles aan hem lijkt donker te zijn. Hij ziet er verloren uit. Vermoeid. Als ze langer naar hem kijkt, beseft ze dat hij er ouder uitziet dan hij eigenlijk is; hij is geen jonge man, maar een jongen. Hij lijkt gebukt te gaan onder een gewicht, onder een schaduw die te zwaar is om nog mee te torsen.

‘Nee, weet je- Sorry,’ zegt hij vlug als de stilte te lang duurt en hij draait zich al bijna om, ‘vergeet wat ik zei-’

‘Ik zie geesten,’ zegt ze.

Haar woorden doen hem gelijk bevriezen. Hij fronst. Ze ziet het scepticisme op zijn gezicht, zelfs een vlaag van irritatie. Maar dat ziet ze net zo snel weer verdwijnen, als hij haar recht aankijkt en ziet dat ze geen grap maakt.

‘Geesten,’ herhaalt hij.

‘Ik zie geesten,’ zegt ze weer en ze glimlacht, ‘van alles dat ooit heeft geleefd – mensen, dieren, bloemen.’

‘Dus er bestaat écht een geestenwereld?’ vraagt hij en zijn stem klinkt opmerkelijk zacht; zo zacht als de veren van de geestvogels die naar beneden dwarrelen, dansend in de wind.

‘Hun wereld bestaat parallel met de onze,’ antwoordt ze. ‘Ze zijn altijd dichterbij dan je denkt; dan de meeste mensen weten.’

‘Je lijkt niet bang.’

‘Waarom zou ik bang zijn?’

‘Hoef je dan niet bang te zijn voor geesten?’

‘Het beeld dat mensen hebben van geesten klopt niet. De andere wereld is niet koud en duister. De andere wereld wordt niet bewoond door monsters en duivels.’

Hij kijkt haar aan en als hij weer praat, is zijn stem zo mogelijk nóg zachter; zo zacht dat de wind zijn woorden bijna met zich meeneemt. Maar ze verstaat hem toch als hij vraagt: ‘Is de andere wereld mooi?’

‘Prachtig,’ antwoordt ze en ze werpt een blik op de gedaantes die zich door de laatste zonnestralen van de dag verplaatsen en baden in de rode, oranje, gele, roze gloed van de avond. ‘Adembenemend mooi.’

‘Mooier dan deze wereld?’ brengt hij plots schor uit.

Ze wacht voordat ze antwoord geeft en bestudeert hem nog eens. Ze ziet zijn vermoeidheid weer. Hij kan niet ouder zijn dan zij, toch ziet hij eruit als iemand die al een heel leven achter de rug heeft en de energie niet meer heeft om verder te gaan.

Maar als ze verder kijkt… ziet ze wie hij zou kunnen zijn. Onder de vermoeidheid ziet ze iets moois, iets dat net zo mooi is als de andere wereld.

‘Deze wereld kent ook schoonheid,’ zegt ze dan. ‘Je moet gewoon verder kijken dan het oog kan zien.’

Een fronslijn verschijnt tussen zijn wenkbrauwen.

‘Wat is er immers mooier dan het leven?’ voegt ze er na een stilte aan toe.

‘Je zei net dat de geestenwereld adembenemend mooi was,’ kaatst hij terug.

‘Ja. Omdat dat het leven is in de onstoffelijke wereld.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Maar je moet niet vergeten dat het leven in de stoffelijke wereld – deze wereld – net zo kostbaar is.’

‘Dus als je niet naar de geestenwereld kijkt… Als je gewoon dit basketbalveld rondkijkt,’ begint hij en ze hoort een trilling in zijn stem, ‘dan zie je ook schoonheid?’

Ze kijkt hem recht aan en glimlacht veelbetekenend. ‘Ja.’

Voor een moment staart hij haar uit het veld geslagen aan. Dan slaat hij zijn blik neer en ze ziet hem in gedachten verzinken, ze ziet hem zich terugtrekken in een wereld die alleen voor hem bereikbaar is. Hij kijkt haar nog één keer aan, knikt naar haar en draait zich dan om zonder nog wat te zeggen.

Hij loopt van haar weg en ze kijkt hem na. Ze kijkt naar zijn afgezakte schouders, ze kijkt naar zijn schaduw die met hem meereist, terwijl veren en vlinders die hij niet kan zien om hem heen dwarrelen en fladderen.

Zij ziet van alles; hij ziet te weinig.

Ze hoopt dat dat zal veranderen.

 

* * *

 

Een jaar verstrijkt en een jaar lang blijft de jongen door haar hoofd spoken.

Op het moment dat ze hem weer ziet, weet ze dan ook niet zeker of ze haar ogen – die alles zien, álles – kan geloven.

Ze blijft stilstaan, halverwege de brug. Auto’s razen langs haar heen, glanzend in het zonlicht. Voetgangers passeren haar. Meeuwen krijsen boven haar hoofd. Vanuit haar ooghoeken ziet ze doorschijnende, menselijke gedaantes, ze ziet vogelachtige wezens door de lucht glijden, vlinders om haar heen fladderen, planten die langs de spijlen van de brugleuning groeien en bloemen van een andere wereld die opbloeien.

Te midden van die twee werelden, ziet ze hém.

Wat ze ziet is zo mooi, dat ze even niet weet bij welke wereld hij hoort.

Hij is ook stil blijven staan; hij staart haar aan en lijkt net zo verrast om haar te zien.

Dan verbreekt hij als eerste de bezwering door naar haar toe te lopen. Als hij bij haar is knikt hij naar haar, net als de laatste keer dat ze hem zag.

Maar deze keer glimlacht hij. ‘Je had gelijk,’ zegt hij en zijn stem is zacht, precies zoals ze zich kan herinneren, maar krachtiger. ‘In deze wereld moet je soms verder kijken dan het oog kan zien.’

Ze laat haar blik over hem heen dwalen. Het langste kijkt ze naar zijn gezicht. Naar zijn ogen. Hij is bruisend. Sterk. Hij leeft. De schaduw is verdwenen en ze ziet hetzelfde licht dat ze kent van de andere wereld.

Ze glimlacht terug.

De zwaarte is van hem weggeblazen.

Weggeblazen, als stof.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Als Stof, is geïnspireerd door de WordPress Daily Prompt “Astral” van 24 februari 2018.

De Sterrenvisser

De laatste zonnestralen van de dag grijpen om zich heen en de lucht verandert in een palet van pastelkleuren – rood, roze, paars, blauw. De eerste sterren laten zich zien, fonkelend in de verte, werelden verwijderd van deze.

Iedere dag, precies om dit tijdstip, pakt de Sterrenvisser zijn hengel op en begint hij aan zijn werk.

Met opgestroopte broekspijpen staat hij in de branding van de zee. Het koele water rolt over zijn enkels heen, spat op tegen zijn scheenbenen en trekt zich dan weer terug, in het ritme van een ademhaling. Voor de Sterrenvisser is de zee dan ook een levend wezen – een levend wezen vol met wensen die vervuld moeten worden.

Als je hem niet kent, lijkt de Sterrenvisser een gewone jongen te zijn, niet ouder dan zeventien jaar, met verwarde haren, versleten kleding en ogen zo blauw als de diepste oceanen. De oude hengel in zijn handen is zijn enige bezit. Hoewel hij iedere avond en nacht sterren opvist vanuit de zee om de wensen van anderen te vervullen, vervult hij echter nooit een wens voor zichzelf.

Natuurlijk heeft hij er wel eens aan gedacht. De Sterrenvisser is een eenzame jongen; een jongen die zich toewijdt om de wensen van anderen in vervulling te brengen, een jongen die leeft voor de glimlach op andermans gezicht, of het nu een bekende of een vreemdeling is. De Sterrenvisser wil de wereld vullen met schoonheid en hoop.

Maar te midden van die schoonheid en hoop die hij voor ogen heeft, is er ook eenzaamheid.

De Sterrenvisser wijdt zijn leven aan het vervullen van andermans wensen – maar er is niemand die zíjn wensen voor hem vervult.

Hij zou er zelf om kunnen wensen. Hij zou een ster voor zichzelf op kunnen vissen. Iedere avond neemt hij zich voor om dat te doen; iedere avond begint hij met het opvissen van andermans wensen, en tegen de tijd dat hij weer aan zichzelf denkt, ziet hij de zon opklimmen aan de horizon en is het te laat, want de wenssterren laten zich alleen ‘s nachts vangen.

Het geruis van de zee vult zijn oren en hij proeft zout op zijn lippen. Hij ziet de zon verdwijnen, alsof hij opgeslokt wordt door de zee, en langzaam beginnen de rode, roze en paarse tinten van de lucht te vervagen. Boven hem verandert de hemel in een inktblauw doek, besprenkeld met ontelbare witte puntjes.

Dat zijn echter niet de sterren die hij opvist.

Zijn blik focust zich op de lichtbronnen die hij op ziet doemen in zee. Hij glimlacht als hij de blauwe, rode, paarse, roze, oranje, gele en groene opgloeiende bollen in het water ziet, en verstevigt zijn greep op de houten hengel. Het is een magisch instrument, zo licht als een veer, met een bijna onzichtbare lijn waar een kleine, glanzende haak aan hangt.

Nu is de lijn echter allesbehalve onzichtbaar; hij gloeit paars op, net als één van de lichtbollen in zee, en als de Sterrenvisser zich concentreert op die paarse bol van licht, begint de lijn heviger te gloeien… en wordt hij langer. De lijn groeit en groeit, zwemt tegen de stroming van de zee in.

Een klein rukje aan de hengel. De haak heeft zich vastgeslagen.

De Sterrenvisser laat zijn adem uit zijn longen ontsnappen en begint dan de lijn binnen te halen, rustig, ongehaast, hij weet precies wat hij doet. Dan komt de haak boven water en aan die haak hangt een ster. Het ziet eruit als een zeester. De ster heeft vijf korte armen met zuignapjes. Hij heeft een heldere, paarse kleur en gloeit zachtjes op. De Sterrenvisser trekt hem van de haak. De armen van de ster wiebelen een beetje en druipen van het water. De jongen houdt de ster in zijn hand en de paarse gloed werpt een onaards licht op zijn gezicht. Hij kijkt erop neer, sluit zijn ogen… en in een oogwenk is de ster verdwenen.

Weer een wens die vervuld is.

Op naar de volgende. De Sterrenvisser werpt zijn hengel weer uit, concentreert zich deze keer op een rode lichtbron niet ver bij hem vandaan, en laat de rood opgloeiende lijn groeien zodat de haak zich eraan vast kan slaan. Hij heeft geen idee wiens wens dit is. Dat weet hij bijna nooit. Het enige wat hij weet is dat zolang de sterren een heldere kleur uitstralen, het een mooie wens is. Soms ziet hij ook zwarte sterren in de zee, die een rookachtige substantie uitwasemen, kolkend in het water. Dat zijn de slechte, donkere wensen – de wensen die hij negeert en niet uit laat komen.

Hij voelt weer een ruk aan zijn hengel en haalt de rode ster binnen. De ster voelt koud en klam in zijn hand, maar dan voelt hij warmte zijn handpalm en vingers binnendringen. Zijn huid tintelt ervan en hij glimlacht. Dit is een mooie wens. Hij kan het voelen.

De Sterrenvisser sluit zijn ogen, houdt de ster losjes vast, en ademt diep in en uit. De ster verdwijnt, maar hij blijft de warmte in zijn hand voelen. Hij opent zijn ogen weer. Hij voelt zich… vreemd. Niet slecht, maar vreemd – blij en tevreden. Bijna alsof hij zojuist een wens van zichzelf uit heeft laten komen-

‘Hallo.’

Een stem. Zacht en lieflijk. De Sterrenvisser schudt zichzelf wakker en draait zich om. Achter hem, in de branding van de zee, staat een meisje. Ze lijkt net zo oud te zijn als hij. Zandkleurig, lang haar valt over haar schouders en de wind trekt aan haar zomerjurk. Haar jurk is rood, net zo rood als de ster. Ze glimlacht verlegen naar hem en haar ogen glanzen van warmte.

‘Hallo,’ herstelt de Sterrenvisser zich vlug en hij merkt dat zijn wangen warm zijn geworden. Hij knippert gauw met zijn ogen, hoewel hij zich met geen mogelijkheid van haar gezicht af kan wenden en naar haar blijft staren. Hij opent zijn mond, dwingt zichzelf om te praten: ‘Kan… Kan ik je ergens mee helpen? Heb je een wens die ik voor je kan vervullen?’

Het meisje lacht even en schudt haar hoofd. ‘Nee.’

‘Oh.’ De Sterrenvisser zoekt naar woorden. Hij komt nergens op. Hij blijft maar naar haar staren, naar haar ronde gezicht, lange haren, donkere wimpers-

‘Je hoeft geen wens voor mij te vervullen,’ begint het meisje, nog altijd glimlachend, ‘want ik ben een wens die is uitgekomen.’

Hij fronst. ‘Een wens…?’

‘Jouw wens,’ verduidelijkt ze en ze lacht weer als ze de verbijstering op zijn gezicht ziet. ‘Iedere avond en nacht vervul je wens na wens, voor iedereen ter wereld. Maar je hebt nog nooit één van je eigen wensen vervuld. Tot vanavond.’

‘Dit kan niet kloppen,’ zegt de Sterrenvisser hoofdschuddend, ‘ik heb helemaal niet een wens van mezelf vervuld – ik dacht er niet eens aan.’

‘Je eigen wensen liggen begraven in je onderbewustzijn,’ zegt het meisje, ‘en toch liggen ze altijd aan de oppervlakte, zelfs als je er niet bewust aan denkt. Je bent eenzaam, toch?’ gaat ze op zachte toon verder, maar het lukt de Sterrenvisser niet om antwoord te geven – de brok in zijn keel zit de woorden plots in de weg. Het meisje doet een stap naar hem toe. ‘Wat je doet – het vervullen van andermans wensen – is mooi. Maar zou het niet mooier zijn als je die taak samen met iemand anders kan delen?’

Nu ziet de Sterrenvisser het pas; het voorwerp dat het meisje in haar hand houdt.

Een hengel, identiek aan de zijne.

Zijn ogen worden groot en hij kijkt haar weer aan. ‘Jij ook?’ fluistert hij. ‘Ik dacht… dat ik de enige was.’

‘Dat was je,’ fluistert ze terug, ‘maar nu niet meer.’

Ze strekt haar andere hand naar hem uit. Hij aarzelt, hij heeft het gevoel dat hij droomt. Hij is bang dat zodra zijn vingertoppen langs de hare strijken, ze zal verdwijnen of dat hij wakker zal schrikken in zijn bed en het allemaal een droom blijkt te zijn geweest. Een mooie, wrede droom. Maar hij moet het zeker weten.

Met ingehouden adem brengt hij zijn hand naar de hare toe. Verstrengelt hun vingers. Blijft zijn adem inhouden, wachtend op het moment dat de realiteit zich als een woeste zee bovenop hem stort.

Er gebeurt niets. Hij voelt hoe warm en zacht haar vingers zijn. En dan verstevigt ze haar greep op zijn hand, komt dichterbij, sluit haar ogen en drukt een kus op zijn wang. Zijn hele wereld staat stil, hoewel buitenom hem alles in beweging blijft: het zeewater rolt over hun blote enkels heen, de bries trekt aan hun haren, aan de rode jurk van het meisje. Ze geeft hem nog een kus, trekt zich dan terug en kijkt hem glimlachend aan.

Eindelijk durft hij zijn adem uit zijn longen te laten ontsnappen.

Ze blijft zijn hand vasthouden en knikt naar de opgloeiende sterren in de zee. ‘Zullen we?’

Hij glimlacht naar haar. ‘Ja,’ zegt hij zacht, ‘en ik weet de ideale plek om te beginnen.’

Hand in hand lopen ze het water uit en hij neemt haar mee naar de klif aan de rand van het strand. Ze klimmen meters en meters omhoog, onbevreesd, totdat ze bovenop de klif staan waar de wind in hun oren giert, de sterrenhemel boven hun hoofd een eindeloze zee lijkt te zijn, en de zee beneden hen juist de illusie van een sterrenhemel opwekt. Een hemel gevuld met sterren in alle mogelijke kleuren, gloeiend en pulserend onder de oppervlakte van het water.

Samen gooien ze hun hengels uit en samen beginnen ze de sterren op te vissen om wensen te vervullen.

Sinds die avond zijn er twee Sterrenvissers en men zegt dat je nooit de één zonder de ander ziet.

De Sterrenvisser weet nu meer over wensen dan hij ooit heeft gedaan. Het is mooi om anderen te helpen hun dromen te verwezenlijken – maar hij weet nu ook dat het niet erg is om, zo nu en dan, ook iets voor zichzelf te wensen… en om die wens op te vissen:

Een rode zeester. Een meisje in een rode jurk.

Iemand met wie hij zijn wensen kan delen.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

De Kracht in Jou

Hij zit achterin het lokaal, in de hoek bij het raam. Hij houdt zijn gezicht en ogen neergeslagen, en de koptelefoon op zijn hoofd vult zijn oren en ziel met muziek. Hij ziet eruit alsof hij onzichtbaar probeert te zijn en niet opgemerkt wil worden; hij ziet eruit als een jongen die de wereld buiten probeert te sluiten.

Dat is ook precies wat hij doet.

Lelijke woorden. Hij is eraan gewend om ze te horen, maar dat betekent niet dat ze minder pijn doen. Hij weet niet precies waarom ze zo’n hekel aan hem lijken te hebben. Zover hij weet heeft hij hen nooit iets aangedaan.

Misschien komt het omdat hij te klein is. Te mager? Te stil? Te zwak?

Met iedere klap die ze hem geven – fysiek of mentaal – voelt hij zich zwakker worden.

Met iedere belediging ziet hij de schaduwen groeien.

De zon schijnt door het raam op zijn tafel en schittert in zijn ooghoeken, maar het licht is flauw, zwak, dof; het lijkt constant schuil te gaan achter een sluier van duisternis, een sluier die met het jaar donkerder wordt.

Hij sluit zijn ogen en luistert naar de klanken en teksten die hem meevoeren naar een andere wereld zoals een boek dat kan, waar hij heel iemand anders kan zijn.

Een wereld waar hij de moed heeft om op te staan.

En te zeggen dat het genoeg is.

 

* * *

 

Ze komt het klaslokaal binnen met haar vriendinnen. Ze lachen allemaal als één van hen een grap maakt, maar ze hoort niet langer wat er gezegd wordt als haar blik op de jongen achterin het lokaal blijft rusten.

Op dit moment gunt niemand hem ook maar een blik waardig. Hij lijkt dan ook eerder op een schaduw dan op een jongen. Zijn knalgroene koptelefoon glanst in het zonlicht en als ze beter kijkt, denkt ze zijn lippen te zien bewegen.

Alsof hij zachtjes meezingt.

Alsof hij zachtjes de woorden zegt die hij wil zeggen.

Ze is ervan overtuigd dat hij heel veel te zeggen heeft. Net als zij. Maar ze houden allebei hun mond. Ze zijn allebei niet moedig genoeg.

Hij niet, omdat hij al genoeg klappen te verduren heeft gekregen. Zij niet, omdat ze bang is om het volgende mikpunt te worden.

Toch kan ze het niet negeren, zoals haar vriendinnen doen. Telkens weer als de grotere jongens zich in een groep om hem heen verzamelen, telkens als ze iemand hem uit hoort schelden, blijft het de rest van de dag door haar hoofd spoken.

Je kan hem helpen, blijft een stemmetje aandringen. Je zou er iets van kunnen zeggen. Je zou hem kunnen laten weten dat hij niet alleen is.

Je hoeft het alleen maar voor hem op te nemen.

Meer dan eens heeft ze op het punt gestaan om naar dat stemmetje te luisteren. Om op te staan, een stap naar voren te doen, haar mond open te trekken.

En te zeggen dat het genoeg is geweest.

Ze weet niet waarom ze hem zo lijken te haten. Hij is een stille jongen. Kleiner dan de meesten, maar met een blik zo diep, zo wijs, dat ze zich al jaren afvraagt wie hij precies is. Wie hij zou kunnen zijn, als anderen hem de vrijheid zouden geven om zijn vleugels te spreiden.

Als ze harde stemmen en gelach hoort, schrikt ze op en kijkt achterom. Daar zijn ze weer. De plaaggeesten. Ze kijkt terug naar de jongen en ziet dat hij ze ook gehoord heeft, ondanks de koptelefoon die op zijn hoofd staat. Ze ziet hem verstarren en dan gauw zijn blik neerslaan, hopend dat ze hem vandaag niet zullen zien.

Ze zou iets kunnen doen. Iets kunnen zeggen. Gewoon naast hem kunnen gaan zitten, om hem te laten weten dat hij niet alleen is. Dat zij hem ziet, en hem niet haat.

Heel even denkt ze dat ze moedig genoeg zal zijn vandaag. Maar op het moment dat de harde stemmen nog luider worden, voelt ze haar moed als water tussen haar vingers vandaan sijpelen.

Toch haalt ze diep adem en loopt ze op de jongen af. Hij kijkt niet op, totdat ze een briefje bij hem op tafel legt.

Fronsend kijkt hij haar aan. Ze ziet zijn behoedzaamheid, zijn argwaan, alsof hij denkt dat ze hem ergens mee in de val lokt, of in de maling neemt. Ze durft zijn blik maar heel even vast te houden, voordat ze zich omdraait en aan de andere kant van het lokaal gaat zitten.

Haar hart bonkt in haar keel en haar handen zijn klam.

Aan de ene kant voelt ze zich een lafaard. Aan de andere kant voelt ze zich een held.

 

* * *

 

Eigenlijk was hij van plan om het briefje van het meisje onmiddellijk weg te gooien. Nu hij echter ’s avonds in zijn kamer zit, met verse blauwe plekken verborgen onder zijn kleding, trekt hij het briefje uit zijn rugtas.

Voor enkele momenten staart hij er alleen maar naar, zonder iets te denken, zonder iets te voelen.

Het is een link naar een website.

Hoewel het donker is in zijn kamer, neemt hij niet de moeite om een lamp aan te doen. Hij klapt zijn laptop open en in het witte licht van het scherm typt hij de link over.

Hij wordt naar een website gebracht, waar hoofdstuk na hoofdstuk van een verhaal op staat dat dagelijks wordt aangevuld. Wie de schrijver is kan hij nergens vinden en hij treft ook nergens een spoor van bezoekers aan. Het is gek, maar het is net alsof hij uitgenodigd is in een kamer, waar nog nooit iemand anders is geweest.

Alsof de kamer speciaal voor hem is gemaakt.

Hij schudt zijn hoofd, wil het venster sluiten en aan zijn huiswerk beginnen, maar dan dringt de titel van het verhaal voor het eerst tot hem door:

De Kracht in Jou.

Na een aarzeling begint hij het eerste hoofdstuk te lezen. Als hij die uit heeft, leest hij het tweede hoofdstuk. Het derde, het vierde, het vijfde.

Hij leest over een jongen, die zichzelf probeert te verstoppen maar telkens gevonden wordt. Hij leest over een jongen, wiens lichaam en ziel onder de schrammen en blauwe plekken zitten.

Hij leest over een jongen, die in opstand komt.

 

* * *

 

Het schoolplein is uitgestorven, op een groep jongens na.

Haar pas hapert als het tot haar doordringt wat er gaande is. Ze blijkt stokstijf staan en krijgt een zwaar gevoel in haar maag als ze de jongen ziet, de stille jongen achterin het lokaal, die nu in het midden van de groep staat.

Ze lachen allemaal, behalve hij.

Ze duwen hem. Trekken aan hem. Zeggen lelijke woorden. Hij houdt zijn blik neergeslagen, probeert zich niet eens schrap te zetten en laat zich gewoon op de grond gooien.

Grijze wolken pakken zich samen, de eerste regendruppels vallen naar beneden toe en al gauw is het een witte waas. Het meisje blijft echter staan waar ze is en voelt haar hartslag versnellen. Ze moet iets doen. Maar ze durft het niet. Ze klemt haar kaken op elkaar, balt haar handen tot vuisten.

Maar ze is niet de enige die dat doet:

Haar ogen worden groot als ze naar de jongen kijkt, zijn kaken ziet verstrakken en hem zijn vuisten ziet ballen, hoewel hij nog altijd op de grond zit. Eén van de jongens schopt hem tegen zijn schouder. Hij krimpt heel even ineen, maar recht dan zijn rug. Ze ziet nu pas dat hij een bloedneus heeft en de regen maakt het bloed dunner. Het stroomt langs zijn kin naar beneden.

Maar ze ziet dat het hem niet zwakker maakt. Het maakt hem juist… sterker.

Als de jongen plotseling wankel overeind komt, worden haar ogen groot – en ze vergeet om adem te halen als hij met onverwachtse felheid zijn vuist tegen de kaak van één van de jongens ramt. De plaaggeest wankelt achteruit en de hele groep lijkt te bevriezen.

De jongen staat nog steeds hijgend in hun midden, maar ze zijn teruggedeinsd en opeens lijken de rollen omgedraaid te zijn. De jongen heft zijn kin op en kijkt langzaam de groep rond.

En ze ziet het; ze ziet de jongen terug uit haar verhaal, de jongen die opstaat tegen duisternis. De jongen die zo sterk is, omdat hij gelooft in de kracht binnenin hem.

De regenval neemt toe en ze kan niet verstaan wat de jongen zegt. Ze ziet echter zijn kracht, zijn kracht die al die tijd aan de oppervlakte heeft gelegen. De kracht die ze al die tijd in zijn ogen dacht te zien.

De plaaggeesten trekken zich terug. Ze doen niets meer, zeggen niets meer, staren alleen maar naar hem.

Ze veegt een natte streng haar uit haar gezicht. Als ze weer opkijkt, ziet ze dat de jongen naar haar toe komt. Hij loopt rustig, ongehaast, met rechte rug en schouders. Zijn koptelefoon hangt om zijn nek, de kraag van zijn shirt zit onder het bloed. Ze opent haar mond om hem te vragen of hij in orde is.

Voor ze dat kan doen is hij al bij haar. Hij lijkt haar zomaar voorbij te willen lopen, maar dan pauzeert hij en stopt iets in haar hand. Hij kijkt haar kort aan, glimlacht flauwtjes en loopt dan verder.

Ze draait zich beduusd om en ziet hem van het schoolplein lopen. Hij trekt een beetje met zijn been, toch lijkt hij sterker dan ze hem ooit heeft gezien.

Alsof hij een transformatie heeft ondergaan.

De regen stort op haar neer, maar ze blijft waar ze is. Ze opent langzaam haar hand. Het is een briefje en het papier wordt binnen de kortste keren natgeregend.

Het is háár briefje, maar ze ziet dat er aan de andere kant iets op geschreven is.

Ze draait hem om.

Er staat slechts één woord, maar dat ene woord doet haar glimlachen en beseffen dat ze sterker is dan ze dacht, net als de jongen. Hij heeft haar verhaal gelezen. Haar verhaal heeft hem zijn kracht doen vinden.

De regen dreigt de inkt weg te wassen en het papier te vernietigen, toch kan ze dat ene woord moeiteloos blijven lezen:

Dankjewel.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, De Kracht in Jou, is geïnspireerd door de WordPress Daily Prompt “Courage” van 17 februari 2018.