Welkom, Lucien

Er ligt een deken van mist over de straten.

Hij is als een schaduw in de nacht, zijn voetstappen zacht en zijn bewegingen doelbewust.

De huizen zijn donker. Iedereen slaapt, diep en onwetend. Zijn blik blijft rusten op het huis waar de flakkering van kaarslicht te zien is vanachter de gordijnen. Rimpelingen verschijnen in de ondiepe waterplas waar hij doorheen loopt, zijn schoenzolen laten natte afdrukken achter op het stenen paadje naar de voordeur.

Zijn spieren staan gespannen als hij aanklopt.

Hij steekt zijn koude handen in zijn zakken en kijkt steels om zich heen, wachtend tot er opengedaan wordt; hij weet zeker dat hij ogen in zijn rug voelt priemen.

Ogen, die hem altijd in de gaten houden.

Iedere stap die hij zet. Iedere beweging die hij maakt.

Als de deur opengaat, kijkt hij langzaam op. Een kalende man staart hem aan; wallen van slaaptekort werpen schaduwen onder zijn ogen, zijn baard is slordig en zijn schouders hangen naar beneden van vermoeidheid, toch is zijn blik alert als hij hem bestudeert. Een frons dringt zich op aan zijn voorhoofd.

Toen de man uit pure wanhoop een priester belde, was dit waarschijnlijk niet wat hij in gedachten had: een jonge man – slechts een jongen in zijn ogen – die hem aankijkt vanonder de rand van zijn hoed, zijn handen verborgen in de diepe zakken van zijn jas, waar jeans en sneakers onder vandaan komen.

‘Vader Wolf?’ vraagt de man aarzelend.

Wolf knikt.

De man dempt zijn stem tot hij fluistert: ‘De exorcist…?’

‘U zei dat u mijn hulp nodig heeft.’

De vermoeidheid keert terug, een grauwe sluier trekt over zijn gezicht. ‘Ja,’ zegt de man schor. Hij kijkt eerst de straat rond, om zeker te weten dat geen van de buren hen ziet, en stapt dan opzij om hem binnen te laten.

Het huis is schemerig verlicht met enkele lampen en kaarsen. Het is er stil, een doods soort stilte, de stilte voor de storm. Wolf voelt zijn hartslag versnellen en dwingt zichzelf diep adem te halen.

Kalmte. Dat is wat hij nodig heeft.

‘Vader?’ Een vrouw, van dezelfde leeftijd als de man, komt uit een kamer gestapt. Ze bekijkt Wolf met dezelfde vertwijfelde blik als haar echtgenoot, maar ze herstelt zich sneller dan hij. Tranen vullen haar ogen. ‘Kunt u haar helpen? Alstublieft… We weten niet wat we moeten doen. De dokters kunnen niet helpen en ze is…- Ze is onhandelbaar,’ voegt ze er verstikt aan toe. ‘Ze is niet onze Carina meer. Ze spreekt in tongen die we niet kunnen verstaan.’

‘Hoe lang is uw dochter al bezeten?’ vraagt Wolf zachtjes.

Hun ogen verwijden zich. De man en de vrouw wisselen een ongemakkelijke blik. De man schudt zijn hoofd. ‘Maanden-’

‘Vier maanden,’ antwoordt de vrouw. ‘Vier maanden geleden werd ze… anders.’

‘Waar is ze?’

‘In haar kamer.’ De man slikt. ‘We hebben haar opgesloten.’

Wolf heft zijn kin op en volgt de man als hij hem door het huis leidt. Ze stoppen voor een deur, waarachter geen enkel geluid te horen is. Met trillende handen haalt de vader een sleutel tevoorschijn. Hij kijkt Wolf weifelend aan. ‘Zal ik…?’

‘Als ik zo meteen binnen ben,’ begint Wolf, zijn stem laag en kalm, ‘draai dan direct de deur weer op slot. Doe niet open en kom niet naar binnen, totdat ik zeg dat de kust veilig is – wat jullie ook horen. Begrepen?’ Hij kijkt van de man naar de vrouw, die stilletjes achter hen staat.

‘Kunt u haar redden, vader?’ fluistert de vrouw.

Wolfs kaken verstrakken en hij voelt zijn borst heel even verkrampen. Hij kan haar blik niet langer vasthouden, en slikt voordat hij zegt: ‘Ik doe wat ik kan.’

Hij gebaart naar de vader om open te doen. Hoewel zijn handen nog altijd beven, weet hij de sleutel in het slot te steken. Hij draait hem opzij. Wolf sluit zijn hand om de deurklink, duwt hem naar beneden, duwt de deur open op een kier.

Een zure stank dringt zijn neus binnen.

Urine. Zweet. Maar ook iets anders, iets dat niet van deze wereld is. Een geur die hij maar al te goed kent.

Voor een moment sluit hij zijn ogen. Hij probeert niet te diep in te ademen en recht zijn schouders. Dan stapt hij de kamer binnen, waarna hij direct de deur achter zich dicht doet.

Zoals hij hem had opgedragen, hoort hij hoe de vader het slot gelijk vergrendelt.

Er brandt slechts één lamp.

Ze is een kleine gedaante, neergehurkt in de hoek van de kamer. Wolf weet dat ze al zeventien is, maar ze is zo mager en fragiel dat ze eerder een klein kind lijkt. De wallen onder haar ogen zijn nog donkerder dan die van haar vader en zelfs in de duisternis kan hij zien hoe bleek ze is. Zo wit als een lijk.

Ze is als een skelet, omspannen met een huid zo doorschijnend als het dunste papier.

Het enige wat ze aan heeft is een dunne nachtpon met vlekken en scheuren – te koud voor een herfstnacht als deze. Te koud voor een kamer gevuld met de ijzigheid van de andere wereld.

De ijzigheid van demonische aanwezigheid.

Langzaam doet Wolf zijn hoed af. Hij zet hem op het nachtkastje, onder de lamp, en wrijft een paar woeste krullen van zijn voorhoofd. Hij houdt zijn jas echter aan en wendt zich geen moment van het meisje af.

Ze staart naar hem, roerloos, haar ogen bodemloze putten.

‘Carina?’ vraagt hij behoedzaam.

Ze knippert met haar ogen. Heft met een schokje haar hoofd op.

Een grijns verwringt haar mond; haar uitgedroogde lippen beginnen te bloeden en Wolf verstijft als hij een zwarte veer tussen haar tanden ziet uitsteken.

Haar vader heeft hem vanavond aan de telefoon verteld dat Carina weigert om nog te eten. En als ze eet, dan zijn het dode dieren. Vogels, die ze op de één of andere manier op straat vindt als ze weer heeft weten te ontsnappen uit het huis.

‘Vader Lucien Wolf,’ raspt ze. ‘Wat leuk dat je er bent.’

Als ze vervolgens weer praat, komt er een andere stem uit haar keel; hees, onmenselijk: ‘We hebben op je gewacht.’

Haar gezicht verandert ook – heel even gloeien haar ogen op als kolen. Het volgende moment doven ze weer, maar groeien haar tanden. Daarna verdwijnen ook die weer en ontstaan er schubben op haar huid, bijna als die van een vis.

De taal die ze daarnet sprak was geen menselijke taal. Het was de taal van demonen.

Een taal die Wolf moeiteloos verstaat.

‘Ik ben er nu,’ bromt hij. ‘Dus jullie kunnen gaan. Laat mij dit afhandelen en dan zijn we klaar.’

‘Hmm?’ Haar stem is opeens hoog, haar ogen beginnen te fonkelen en ze draait haar hoofd opzij. ‘Wat hebben we een haast. Dat is niet leuk…’

‘Ik heb meer te doen vanavond,’ snauwt Wolf.

De hese stem van daarnet keert terug en haar ogen gloeien weer rood op: ‘Maar we hebben elkaar al zo lang niet meer gezien, Lucien… Het is al maanden geleden.’

‘Ga,’ zegt hij slechts.

Hij verstijft als ze zich overeind drukt en klemt zijn kaken op elkaar als hij ziet hoe verzwakt ze is. Ze strompelt naar hem toe met gebogen knieën, verliest haar evenwicht en grijpt zich aan hem vast door haar vingers als klauwen in zijn jas te slaan. Giebelend – alle stemmen giebelen, minstens vier – heft ze haar gezicht naar hem op. Haar bloedende lippen glanzen.

‘Wat hebben jullie met Carina gedaan?’ gromt Wolf.

‘Plezier gehad,’ grinnikt een demon.

‘Ze is zo bang voor ons,’ hijgt een ander, ‘het is heerlijk.’

‘Ga,’ herhaalt Wolf, vechtend tegen zijn opvlammende woede; zijn handen beginnen te beven. ‘Jullie hebben haar lang genoeg geteisterd.’

Ze kijkt naar hem op, haar gezicht ontdaan van emotie. ‘En dan,’ raspt ze, ‘breng jij haar straks naar ons toe. Nietwaar… Wolf? Ze komt bij ons. Ze hoort bij ons,’ ademt ze.

Wolf klemt zijn lippen opeen en houdt zijn adem in om niet de stank te ruiken.

‘Goed dan. Jij je zin,’ zucht ze. Ze kijkt langs hem heen met een verre blik, sluit haar ogen, slaakt een diepe zucht – maar het zijn meerdere zuchten, samengesmolten tot één, en ze gieren door de kamer, doen de gordijnen wapperen en de lamp flikkeren. De vloer trilt en Wolf zet zich schrap, terwijl hij een bezorgde blik op de ramen werpt die zachtjes rinkelen. Hij ziet de eerste scheur al ontstaan…-

De zucht stopt. Haar greep op zijn jas verzwakt.

Alle kracht verdwijnt uit haar lichaam en ze valt-

Wolf vangt haar op, tilt haar op in zijn armen en kijkt met bonkend hart op haar neer. Zijn donkere ogen dwalen over haar uitgemergelde gezicht en hij merkt hoe licht ze is, hoe breekbaar in zijn armen.

Een krakend geluid – een kreun, beseft hij – komt uit haar mond. Haar ogen gaan langzaam open. Het zijn geen bodemloze putten. Ze zijn niet zwart.

Ze zijn blauw.

Ze kijkt naar hem op, hoewel ze zich niet lijkt te kunnen focussen. Hij hoort een bijna ratelend geluid als ze inademt.

‘Hallo, Carina,’ fluistert hij. Zijn blik is zwaar. Net zo zwaar als het gevoel in zijn maag.

Voorzichtig legt hij haar op het bed neer, dekt haar toe, veegt de vette haren uit haar gezicht.

‘Ze hebben je lichaam verlaten,’ zegt hij, terwijl hij bij haar neerknielt.

‘I… Ik… ga…’ Ze ademt moeizaam, ‘…dood…?’

Wolf bestudeert haar. Ze is nog net zo bleek als daarnet. Er zit geen greintje kracht meer in haar lichaam. Ze is een omhulsel en ook haar ziel is bijna verdwenen, leeggezogen en beschadigd.

Ze was al stervende sinds het moment dat de demonen haar overnamen.

Dat is dan ook al die tijd hun doel geweest.

‘Nee,’ antwoordt Wolf echter, terwijl hij haar hand in de zijne neemt. Haar vingers voelen koud. Broos. ‘Ja, je staat op het punt om dit leven te verlaten. Maar er staat een ander leven op je te wachten. Een beter leven. Dat beloof ik je,’ fluistert hij rauw.

Ze zegt niets meer. Draait haar ogen omhoog, staart naar het plafond, vechtend voor een ademhaling.

Haar laatste ademhaling.

Als het geratel wegsterft, wacht hij tot het opnieuw klinkt. Hij wacht een minuut. Vijf minuten. Veel langer dan nodig is.

Maar hij heeft het nodig, om de kracht te vinden zich weer overeind te drukken en zijn rug te rechten. Hij balt zijn handen heel even tot vuisten, bereidt zich voor op wat hem te doen staat.

Wat hij al veel eerder had moeten doen, jaren geleden al.

Carina is het zoveelste slachtoffer… door zijn toedoen.

Hij is geen priester. Hij is niet “vader Wolf”.

Hij is een handlanger. Een monster, vermomd als mens.

Met grimmige vastberadenheid bonst hij op de deur. De ouders doen open, staren hem hoopvol aan, kijken dan langs hem heen en snakken naar lucht als ze hun dochter roerloos op het bed zien liggen. Ze laten zich snikkend op hun knieën vallen bij haar bed, roepen haar naam.

Wolf pakt zijn hoed van het nachtkastje, glipt stilletjes de kamer uit. Als hij de nacht weer in stapt, sluit hij de voordeur achter zich en doet zijn hoed weer op.

Zodra hij opkijkt, ziet hij een gedaante opdoemen vanuit de mist.

Carina. Carina’s geest.

Haar voeten zweven enkele centimeters boven de vochtige straatstenen en hoewel haar jurk nog steeds gescheurd en haar huid bleek is, zijn de wallen onder haar ogen weg en vallen haar haren in slagen over haar schouders.

Het meisje dat ze ooit is geweest.

Er is echter een draad om haar pols geknoopt, een rode draad die brandt als vuur.

De draad die haar verbindt aan het rijk van demonen.

‘Het brandt,’ fluistert ze, terwijl ze haar pols omhoog houdt.

‘Ik weet het,’ antwoordt Wolf schor.

‘Ze… trekken aan me. De demonen.’ Ze slikt. ‘De demonen die eerst in me zaten… ze trekken nu aan het draad. Ze willen me naar hun wereld halen, zodat ik één van hen word.’

‘Ik weet het,’ herhaalt Wolf. ‘Daarom hielden ze je bezeten; ze hebben je uitgekozen om een demon te worden.’

‘Word ik dan zoals zij?’ vraagt ze verstikt. ‘Een monster die mensen bezeten houdt?’

‘Uiteindelijk,’ beaamt Wolf.

‘Is dat wat je bedoelde toen je zei dat er een ander leven op me wachtte?’ fluistert ze.

Zijn gezicht verhardt, hoewel zijn ogen beginnen te branden van tranen. Hij haalt diep adem, dwingt zichzelf om af te maken waar hij aan begonnen is toen hij die woorden daarnet tegen haar zei in haar kamer.

Hij is te lang een handlanger geweest.

Heeft zich te lang laten gebruiken door de demonen.

Wolf loopt naar haar toe tot hij vlak voor haar staat. Normaal gesproken zou hij haar nu beet moeten grijpen en haar de andere wereld in duwen – om te voorkomen dat ze zich nog los kan trekken van de draad.

Ja, hij zou haar nu regelrecht in de armen van de demonen moeten duwen.

Dat is wat ze van hem willen. Van hem verwachten.

Ze kijkt angstig naar hem op als hij haar pols beetpakt; ze is een geest, maar hij kan haar nog steeds aanraken.

‘Nee,’ antwoordt hij dan. ‘Ik zei dat er een beter leven op je wachtte.’

Hij geeft een ruk aan de draad.

Die is heet, snijdt en brandt in zijn vingers, en is toch zo zwak als spinrag; de draad breekt en lost op het niets.

Carina hapt naar adem.

Dit is wat ik bedoelde met een leven na de dood, Carina.’ Wolf glimlacht zwakjes. ‘Ga. Wees vrij. Rust.’

Ze staart hem aan met grote ogen. Haar pols glipt tussen zijn vingers vandaan; ze vaagt weg, als stof op de wind. Ze versmelt met de mist en het laatste wat van haar overblijft is een fluistering, weergalmend in Wolfs oren: Dankjewel.

Hij zucht, trekt zijn hoed lager over zijn ogen, draait zich om en gaat terug naar huis, verdwijnend in de mist.

 

* * *

 

De flat ziet eruit alsof hij ieder moment in kan storten; in het trappenhuis bladdert de verf van de muren; zijn voordeur is bespoten met graffiti.

Wolf komt voor zijn gevoel pas thuis als hij zijn huis binnenstapt en de deur achter zich dichtdoet. In het donker hangt hij zijn hoed en jas op aan de kapstok, waarna hij de bureaulamp in de woonkamer aandoet.

Het licht maakt de schaduwen alleen maar donkerder. De planten in de vensterbank zijn ondefinieerbare vormen, de roodbruine, lederen bank en leesstoel lijken haast zwart, de tv in de hoek een gapend gat, en de stapels boeken liggen er roerloos bij…

Totdat één boek plotseling opengeslagen wordt door een ijzige wind die door de kamer giert. De bladzijdes ritselen en Wolf verstijft, laat zijn ogen wild heen en weer dwalen, zoekend naar de oorzaak.

Een wezen duwt zichzelf door de muur de kamer binnen, hoewel hij er nooit helemaal van los komt – hij lijkt opgesloten te zitten in de muur, alsof hij deze wereld niet helemaal kan betreden, zijn eigen rijk niet helemaal kan verlaten.

Wolfs handen worden klam van het zweet en zijn hart bonkt in zijn keel.

Het maakt niet uit hoe vaak hij hem ziet, het wezen blijft even grotesk. Hij is groot, zijn hoofd raakt bijna het plafond. Een duivelse verschijning met een bleke huid; diep weggezonken, zwarte maar glanzende ogen; een enorme mond gevuld met scherpe tanden; gekromde horens; lange en uitgemergelde ledematen; sterk geaccentueerde ribben, en vleermuisvleugels die zich wijd achter hem uitspreiden, gevangen in de muur.

‘Lucien Wolf.’

Zijn stem is diep en hees, en doet het glas van de vitrinekast in de kamer zachtjes trillen.

‘Je hebt me teleurgesteld vannacht.’

Wolf zet zich schrap, maar zegt niets.

De demon likt met zijn zwarte tong langs zijn tanden en wendt zich geen moment van hem af. ‘Jaren geleden hield ik je bezeten… en ik heb je alleen maar vrijgelaten en niet meegenomen naar mijn rijk, omdat we een deal hadden gesloten.

‘Jij zou je voordoen als vader Wolf en alle mensen “helpen” die bezeten zijn, door te doen alsof je de demonen uitdreef. Maar in werkelijkheid zou je hun zielen aan ons doneren, zodat er nieuwe demonen gemaakt kunnen worden – zodat onze bevolking toeneemt en we op een dag de wereld over kunnen nemen.

‘In ruil daarvoor, Lucien,’ vervolgt hij, zijn ogen zo donker dat ze lijken te groeien en Wolf op lijken te slokken, ‘zou jij geen demon hoeven te worden.’

Wolf zwijgt nog steeds, voelt zijn hart wild slaan.

‘Ik dacht… dat jij zo bang was om één van ons te worden?’ De demon kantelt zijn hoofd iets en ademt zwarte rookwolken uit. ‘Dat is toch jouw grootste angst, Lucien? Daarom sloten we deze deal…’

Wolf kijkt hem recht aan.

‘Het was mijn grootste angst,’ zegt hij laag. ‘Maar ik ben niet bang meer. En ik ben het zat om als een pion te worden gebruikt. Ik heb het gehad.’

De rookwolken die de demon uitademt bevriezen in de lucht.

‘Is dat zo…?’ fluistert hij ten slotte.

Een sluwe grijns glijdt over zijn dunne, kleurloze lippen en ontbloot zijn tanden nog iets meer.

Dan schiet zijn hand naar voren – zijn vingers zijn lang en hebben veel te veel breekpunten –, grijpt Wolf bij zijn arm beet en sleurt hem naar zich toe. Wolf slaakt een schorre kreet, probeert zich los te rukken zonder erbij na te denken, maar de demon is sterk. Te sterk, onmenselijk sterk.

Hij lacht als hij Wolf naar zich toetrekt. ‘Waar denk je heen te gaan, vader?’ sneert hij.

Wolf krijgt geen kans om antwoord te geven, hij heeft niet eens de kans om nog één keer achterom te kijken, om nog een laatste blik te werpen op zijn leven.

De demon trekt hem door de muur heen.

Naar zijn wereld.

Het rijk van monsters.

Het laminaat op de vloer maakt plaats voor een grond bezaaid met stof, as, verkoold papier, houtsplinters, glasscherven. De demon laat hem los en Wolf valt neer op handen en knieën. Scherpe voorwerpen snijden in zijn handen, door de stof van zijn broek heen, maar de pijn dringt nauwelijks tot hem door.

Wolf staart naar de brandende draad die om zijn pols geknoopt is. Hij volgt de weg van de draad, heft zijn gezicht op en ademt schokkerig in als hij ziet dat de draad met de demon verbonden is.

Een brandend gevoel vult zijn lichaam; zijn bloed staat in vuur een vlam.

‘Welkom, Lucien,’ fluistert de demon grijnzend, ‘in je nieuwe wereld, waar je zo lang voor op de vlucht bent geweest.’

Wolf kreunt en slaat zijn blik neer; zijn maag dreigt zich om te keren als hij zijn vingers ziet groeien en zijn nagels zwart ziet kleuren. Een gewelddadige kracht raast door hem heen – hij voelt zich sterker worden, hoewel hij aan de andere kant voelt hoe zijn menselijkheid afsterft. Zijn ingewanden verschrompelen, zijn hartslag vertraagt.

Hij verandert.

Transformeert in een ander wezen.

Een demon.

Langzaam verdwijnt de pijn. Hij ademt rasperig in, staart naar zijn onnatuurlijk lange ledematen.

‘Welkom,’ herhaalt de demon, zowel hongerig als liefkozend.

Wolf kijkt zwijgend naar hem op – met ogen zo zwart als de nacht –, toch weet hij zeker dat als hij zou praten, zijn stem heel anders zou klinken.

De demon gniffelt en kijkt van hem weg.

En daardoor ziet hij niet hoe Wolf zijn tanden ontbloot in een glimlach.

Al die jaren heeft hij meegewerkt aan het plan van de demonen. Al die jaren is hij bang geweest. Maar hij voelt geen angst meer… en nu hebben de stommelingen hem hun wereld binnengehaald.

Misschien is hij nu dan wel een demon, maar diep vanbinnen – in zijn ziel – is hij nog altijd Lucien Wolf.

En hij zal blijven vechten, totdat het heetste vuur zijn ziel verslonden heeft.

Hij zal blijven vechten, totdat hij alle demonen uitgeroeid heeft.

‘En ik begin met jou,’ fluistert Wolf, terwijl hij weer opkijkt naar de demon.

De demon draait zijn hoofd naar hem terug, zijn bodemloze ogen vernauwd tot spleetjes.

Wolf grijnst woest en kromt zijn klauw.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Welkom, Lucien, is lichtjes geïnspireerd door het waargebeurde verhaal van Anneliese Michel, het Duitse meisje dat in de jaren zeventig bezeten was door zes demonen en uiteindelijk, na vele exorcismes, is overleden. Mijn Halloween artikel van deze week (“Oktober Halloween Maand – Anneliese Michel en de zes demonen”) op lynnrobin.com vertelt hier meer over.

Mijn verhaal valt niet te vergelijken met het originele verhaal; ik heb hier en daar slechts wat elementen geleend en er mijn eigen draai aan gegeven. Hoewel het verhaal niet bepaald een happy end heeft (ongebruikelijk voor mijn doen, hoewel het de afgelopen maand vaker is voorgekomen met de horrorverhalen die ik hier gedeeld heb!), hoop ik toch dat jullie het gaaf vonden om te lezen ❤

Advertenties

Poppen en Nachtmerries

Een klap maakt haar wakker.

Charlotte opent haar ogen en tuurt in de duisternis van haar kamer. Ze veegt de lange haren uit haar gezicht, kreunt en sluit haar ogen weer. Het is nog donker. Het is nog lang geen tijd om op te staan-

Er klinkt opnieuw een klap, oorverdovend in het stille huis.

Wat is dat…?

Zuchtend drukt ze zich overeind en werpt een blik op de wekker. 3:15 AM. Ze wrijft in haar ooghoeken, nog steeds verstrikt in de draden van slaap die haar weer met zich mee proberen te trekken, terug naar haar dromen-

Weer een klap.

Het komt niet van buiten.

Charlotte gooit het dekbed van haar af, inmiddels klaarwakker, en loopt vertwijfeld naar de slaapkamerdeur. Ze blijft in de opening staan en kijkt in de gang, die zich in de duisternis van de nacht eindeloos lijkt uit te strekken.

Alle deuren in de gang zijn gesloten.

Behalve-

Ze ziet de deur recht tegenover haar, aan het einde van de gang, plotseling opengaan. Er klinkt een krakend geluid. Een schaduw beweegt over de drempel.

Dan sluit de deur zich met een klap, alsof hij dichtgesmeten wordt.

Charlotte schrikt op en doet een stap naar achteren; haar hart mist een slag en haar adem stokt. Ze kan zich niet afwenden van de deur die weer opengaat… en dichtslaat.

Opengaat… en dichtslaat.

Opengaat… en dichtslaat-

Charlotte voelt haar hart bonzen, alsof het probeert zich een weg uit haar borstkas te slaan, en ze blijft als vastgenageld aan de vloer staan. Ze is helemaal alleen thuis vannacht. Dus wie…?

Nee, niet “wie”, berispt ze zichzelf in stilte. “Wat”. Het is gewoon de tocht. De wind.

Ze houdt haar adem in, luistert aandachtig, wachtend op het gegier dat vaak om het huis spookt, wachtend op het geritsel van boombladeren.

Niets. De nacht is stil. Doodstil.

De deur gaat weer open en dicht.

Zo zal ze nooit meer kunnen slapen.

Kom op, doe normaal. Ze schudt de angst van zich af, stapt over de drempel en begint naar de deur te lopen om hem dicht te doen. Ze recht haar rug en schouders, en grimast om haar eigen reactie. Met zelfverzekerde passen loopt ze door de gang.

Kilte trekt over de vloer, langs haar voeten, omhoog naar haar blote benen als een levend wezen dat naar boven klimt. Ze huivert in haar nachtpon en wrijft over haar armen.

Ze is halverwege de lange gang.

Ze ziet de deur weer opengaan en wacht tot hij dicht zal klappen, maar deze keer blijft hij openstaan op een ruime kier, bijna alsof iets… op haar wacht.

Charlotte fronst, en haar frons wordt dieper als een geur haar neus binnendringt; een vieze, zure stank die haar bijna doet kokhalzen. Ze blijft abrupt staan en knippert met haar plots tranende ogen.

De geur… Het komt uit de kamer.

Ze drukt haar hand tegen haar neus en mond. Na een aarzeling knijpt ze in haar arm – en stopt gauw.

Ze droomt niet.

Terwijl ze haar hand steviger tegen haar gezicht drukt, loopt ze het laatste stukje en blijft dan bij de drempel van de kamer staan. De kou is nog intenser, het bijt in haar huid en haar tenen zijn bijna gevoelloos, en de stank is zo hevig dat ze zich bijna omdraait om naar buiten te rennen voor frisse lucht.

Maar… er kraakt iets. In de kamer.

Aarzelend laat ze haar hand zakken, duwt de deur verder open en stapt naar binnen.

De kamer is leeg, op een schommelstoel na, die helemaal in het midden staat.

Er is niemand te bekennen. Maar de stoel beweegt. Alsof er iemand op zit.

Maar ze ziet niemand.

Gegiebel bereikt haar oren. Meisjesachtig gegiebel.

Charlotte’s hartslag versnelt en haar blik schiet van links naar rechts door de donkere kamer. Ze speurt de lege schaduwen af, zoekend, maar ziet niets. Niemand. Ze staart weer naar de stoel, die rustig blijft schommelen, zachtjes krakend-

Opeens verschuift hij, alsof twee onzichtbare handen de stoel beetgrijpen en over de vloer sleuren – dan wordt hij opgetild en het meubelstuk vliegt door de kamer, knalt met een klap tegen het raam aan-

Charlotte gilt, deinst van schrik terug en botst met haar rug tegen de muur. Hijgend kijkt ze naar de schommelstoel die roerloos op de vloer ligt, onder het raam, dat op wonderbaarlijke wijze niet gebroken is.

Er sijpelt iets warms in haar nek.

Bijna als een aanraking. Een insect met duizenden pootjes die over haar huid glijdt.

Met een ruk stapt ze weg van de muur en terwijl ze zich verwilderd omdraait, voelt ze in haar nek. Als ze haar hand terugtrekt en erop neerkijkt, staart ze voor een moment alleen maar naar haar vingers. Het lijkt wel… vloeistof. Een kleverige substantie, druipend over haar hand.

Ademloos kijkt ze op naar de houten muur waar ze daarnet nog tegenaan leunde.

Haar ogen verwijden zich.

Groen slijm komt tussen de kieren tevoorschijn, dikke druppels die langzaam naar beneden sijpelen en kleine plasjes vormen op de vloer. Er welt steeds meer slijm op, alsof de muur bloedt

Getik tegen het raam.

Charlotte kijkt opzij, voelt de paniek door haar lichaam razen; het enige wat ze nog voelt, denkt, weet, proeft is angst.

Twee rode ogen kijken door het raam naar binnen.

Ze verstijft, gevangen in hun blik-

‘Annie?’ klinkt er opeens een stem van buiten het huis.

En alles stopt.

 

* * *

 

‘Annie!’ wordt er weer geroepen.

Annie kijkt verstoord op. Haar moeder staat in de deuropening van haar kamer. Ze fronst naar haar als ze zegt: ‘Het is etenstijd, dus kom je nog?’

Dan dwaalt haar blik langs Annie heen en haar mond vormt een afkeurende lijn. ‘Speel je nu nog steeds met dat poppenhuis? Denk je niet dat je daar inmiddels een beetje te oud voor bent?’

Zonder te wachten op een reactie, draait ze zich om en loopt weg.

Annie staart nog even naar de deuropening. Dan wendt ze zich tot haar poppenhuis; het is groot, zelfs nu ze ouder is – hij was gigantisch toen ze hem kreeg als klein meisje. Het huis reikt zeker tot aan haar middel als hij op de vloer zou staan. Ze heeft hem op een grote tafel geplaatst in het midden van haar kamer, zodat ze eromheen kan lopen en in iedere kamer kan kijken. Het is een ouderwets, Victoriaans aandoend huis met een veranda, een paar kleine balkons en zelfs een zolder.

Met haar armen op haar rug, buigt Annie zich voorover en tuurt door één van de ramen naar binnen. Ze ziet haar pop, Charlotte, op de vloer liggen in de kamer met de schommelstoel.

Charlotte kijkt naar haar op met wijd opengesperde ogen.

Bang. Zo vreselijk bang.

Er was eens een tijd dat de pop de vijand was en Annie degene was die angstig op de vloer zat.

Maar er is altijd baas boven baas.

Demon boven demon.

Annie lacht zacht, recht haar rug en loopt naar de lamp toe om het licht uit te doen.

‘Nee, moeder. Dat zie je verkeerd,’ mompelt ze ondertussen. ‘Je bent nooit te oud om te spelen.’

Ze dooft het licht.

Haar ogen gloeien rood op in de duisternis en gegiebel vult de kamer.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Poppen en Nachtmerries, is geïnspireerd door “The Amityville Horror”, waar ik deze week mijn Halloween artikel op lynnrobin.com aan gewijd heb. Ik heb dit verhaal geschreven ter ondersteuning van de blogpost “Oktober Halloween Maand – The Amityville Horror”… met meer plezier dan misschien normaal is, maar ach. You gotta love horror, right? 😉

Tien Kaarsen

‘Een… Twee… Drie… Vier… Vijf…’

De kleine prinses krult haar vingers om de rand van haar gladde, satijnen lakens, die ze tot over haar kin heeft getrokken.

‘Zes… Zeven…’

Buiten telt de stem door. Het is een vrouw.

‘Acht…’

De prinses tuurt in de duisternis van de nacht, die haar kamer vult met schaduwen. Ze lijken haar mooie speelgoed op te slokken, ze verzwelgen de wereld van de dag.

‘Negen…’

Ze knijpt haar ogen dicht, houdt haar adem in, wachtend op-

De gil.

Een snerpend gekrijs dat door merg en been gaat, dat als een dolk door de stilte van de nacht steekt, dat het hart van de kleine prinses een slag over doet slaan.

Ze duikt weg onder haar lakens, met haar handen over haar oren geslagen. Ze knijpt haar ogen dicht, krult zich op en maakt zichzelf zo klein mogelijk. De gil houdt aan, rekt zich uit, duurt zo lang dat ze het gekrijs nog lang hoort nagalmen in haar oren.

Dan laat ze haar handen langzaam wegglijden van haar oren. Ze blijft echter nog even onder haar lakens liggen, veilig en verstopt, wachtend tot de vrouwenstem weer opnieuw begint met tellen, hopend dat ze de rest van de nacht weg zal blijven.

De vrouw is bijna iedere nacht te horen. De prinses weet dat ze in de rozentuin is, op de binnenplaats van het kasteel, omringd door welgeteld negen kaarsen.

Maar het is niet zomaar een vrouw.

Het is een geest.

Een boze geest.

Als de prinses na lang wachten niets meer hoort, durft ze eindelijk met haar hoofd boven de lakens uit te komen. Ze ademt diep de frisse nachtlucht in en veegt haar lange haren uit haar gezicht-

Ze verstart als ze ziet dat ze niet alleen is.

Er zit een gedaante op de stoel die vlak bij haar bed staat – een houten stoel, ingelegd met diamantjes die glinsteren in het maanlicht, dat door een kier tussen de gordijnen naar binnen schijnt. Het is een man. Hij draagt een zwart pak en een hoed overschaduwt zijn ogen; hij gaat gekleed als een man van adel.

Hij heft zijn gezicht op.

Zijn oogkassen zijn bodemloze gaten van zwartheid.

Ze hapt naar adem en deinst terug, tot ze met haar rug tegen het hoofdeind van haar veel te grote bed botst. Er prikken tranen in haar ogen en ze opent haar mond om te gillen, om te krijsen zoals de geestvrouw in de rozentuin-

Het enige wat ze voortbrengt is een zwak, piepend geluid, als de man opstaat en met wankele passen naar haar toe komt. Hij houdt een lantaarn in zijn hand; de kaars brandt echter niet en het handvat piept als de lantaarn heen en weer zwaait.

Dan blijft hij roerloos staan en draait zijn hoofd langzaam van links naar rechts.

Een snik ontsnapt uit haar keel.

Met een ruk draait hij zijn gezicht weer naar haar toe en komt dichterbij. Haar adem stokt en ze gooit de lakens van zich af, schiet haar bed uit en rent naar de deur toe-

Zijn hand graait naar haar arm-

Ze duikt uit de weg, pakt bijna de deurklink beet-

Zijn lange vingers grijpen zich vast in haar nachtkleding en trekken haar naar zich toe. Ze ademt in om te gillen… maar stopt, als de man zegt: ‘Weet jij waar ze is?’

Zijn stem is menselijk, maar klinkt eeuwenoud. Hij kijkt op haar neer, maar lijkt haar niet te zien.

De prinses bijt op haar trillende onderlip en zegt niets.

‘Ik kan haar alleen maar horen, maar niet meer zien,’ zegt hij. ‘En ik heb haar beloofd dat ik naar haar toe zal komen in het tiende jaar. Weet jij waar ze is?’ herhaalt hij.

Hij klinkt vermoeid. Zo vermoeid.

‘De… De geestvrouw?’ brengt de prinses uit.

Hij knikt.

‘Ze is in de rozentuin…’

‘Breng me naar haar toe. Alsjeblieft,’ fluistert hij. ‘Ik kan haar alleen maar horen… maar niet meer zien. Er is niet genoeg licht.’

Voor een moment tuurt ze in zijn lege oogkassen.

Dan ademt ze beverig in. ‘Als ik u naar haar toe breng, haalt u haar dan weg?’

‘Ja.’

De kleine prinses balt haar handen tot vuisten, trekt dan de deur open en loodst de vreemdeling haar kamer uit; hij blijft haar vasthouden aan haar kleding, alsof hij een blinde is die geleid moet worden.

Haar blote voeten maken geen geluid op de gladde, glanzende vloeren van het kasteel; zijn schoenzolen lijken de grond amper te raken.

Ze leidt hem door gangen met rijkdom die hij niet kan zien – oeroude, magische zwaarden die aan de muren hangen; beelden van elegante, menselijke figuren die hun handen in elkaar gevouwen hebben; wandkleden in alle mogelijke kleuren; vazen met beschilderingen van kraanvogels en bloesembomen. Ze leidt hem trap na trap af, tot ze eindelijk beneden zijn. Ze leidt hem door grote, rood geschilderde houten deuren heen die naar de binnenplaats leiden, zonder ook maar één van de bediendes tegen te komen.

Het kasteel lijkt leeg te zijn. Onbewoond. Uitgestorven. Een andere dimensie, die alleen bestaat voor de kleine prinses en de blinde vreemdeling.

En de geestvrouw, die tussen de rozenstruiken in het gras zit, omringd door negen brandende kaarsen.

‘Eén,’ begint ze, starend naar de vlammen. ‘Twee…’

De prinses blijft staan en wringt met haar handen, starend naar de vrouw. Ze is beeldschoon, met een huid zo wit als de maan en krullen die over haar schouders vallen. Ze draagt een gewaad van de duurste zijde dat haar benen verbergt; het enige wat onder de rok vandaan komt zijn haar voeten, gehuld in sandalen.

Maar de prinses weet beter. De eerste keer dat ze de geestvrouw zag was ze betoverd geweest; ze had er zo triest maar sereen uitgezien en de geur van rozen was zo zoet en verleidelijk geweest.

Totdat de vrouw tot en met negen had geteld.

Daarna was ze veranderd in een demon; een krijsend monster met een mond die ze tot onmenselijke proporties had opengesperd.

‘Drie… Vier…’

‘Daar is ze,’ fluistert de prinses nerveus.

‘Ik hoor haar,’ antwoordt de vreemdeling… en dan glijdt er een glimlach over zijn lippen.

De prinses kijkt vertwijfeld naar hem op. ‘Wie bent u?’

‘De man die haar jaren geleden een belofte heeft gedaan.’

‘Vijf…’

‘Een belofte?’ herhaalt de prinses.

‘Ja,’ zucht hij. ‘Toen ze op haar sterfbed lag, beloofde ik haar dat ik over tien jaar naar haar toe zou komen… en dat ze voor ieder jaar dat ze op me wachtte in de dodenwereld, een kaars voor me moest branden. Voor mij; voor ons; voor onze liefde.’

‘Hoe… kon u weten dat u over tien jaar zou sterven?’ fluistert de prinses met een frons. ‘Kunt u in de toekomst kijken? Bent u een ziener?’

‘Dat was ik,’ beaamt hij net zo zacht. ‘En ik stierf tien jaar later, zoals ik had voorzien. Maar met mijn dood verloor ik mijn zicht. In het leven heb ik te veel mogen zien; in de dood dwaal ik door de duisternis.’

De prinses kijkt op in zijn holle oogkassen en voelt een huivering langs haar ruggengraat glijden – maar ze weet opeens niet zeker meer of dat is omdat ze bang is, of omdat ze moet huiveren bij het idee om geen ogen te hebben.

‘Zes… Zeven…’

‘Omdat ik niet meer kon zien, kon ik haar niet vinden – en zo zijn er jaren en jaren verstreken,’ gaat hij verder. ‘Dus ik heb geprobeerd te luisteren. En het is haar gezang dat me naar haar toe heeft geleid,’ besluit hij.

‘Ze zingt niet,’ zegt de prinses, ‘ze krijst.’

‘Toen ze leefde had ze de stem van een nachtegaal. Toen ze liefhad klonk ze als een engel.’ Hij glimlacht weer. ‘In mijn oren doet ze dat nog steeds.’

‘Acht…’

‘Ik ga nu, kleine prinses. Dankjewel… en tot ziens, in het hiernamaals. Op een dag,’ voegt hij eraan toe.

Hij laat haar kleding los en loopt naar de vrouw toe, met zijn lantaarn in zijn hand.

‘Negen…’

De geestvrouw haalt adem voor haar gil en de prinses brengt haar handen al omhoog om ze over haar oren te slaan – maar het enige wat ze hoort, is de man die zachtjes zegt: ‘Tien.’

Vanuit het niets doemt er licht op vanuit zijn lantaarn; een vlam danst rond de lont van de kaars.

De geestvrouw kijkt op.

‘Ik ben hier,’ fluistert de man. ‘Ik ben hier.’

De prinses kijkt toe hoe de vrouw overeind komt. Ze wordt omringd door kaarsen en staart naar de man, haar lang verloren geliefde. Een bries steekt op en rozenblaadjes zweven door de lucht. Hij doet een stap naar haar toe; zij slaat haar armen om zijn nek. Zijn schouders zakken naar beneden, hij laat zijn wang op haar kruin rusten en slaakt een zucht, een diepe zucht die alle kaarsen uitblaast.

Op het moment dat de kaars in zijn lantaarn dooft, verdwijnen de geliefden in het niets.

Alles is weg; de kaarsen, de man en de vrouw.

Zelfs de rozenstruiken zijn niet hetzelfde meer. Er groeien geen bloemen meer – de takken zijn kaal, de enkele bladeren verdord. De struiken zijn dood.

Ook het kasteel verandert; er verschijnen scheuren en beschadigingen in de muren, de scharnieren van de deuren worden roestig, er vallen gaten in de daken.

Een leeg kasteel. Onbewoond. Uitgestorven.

De kleine prinses ziet het niet. Ze gaat terug naar binnen toe en het enige wat zij ziet is pracht en praal. Ze kruipt weer in haar bed en sluit haar ogen.

Eerst is haar gedaante nog te zien onder de satijnen lakens.

Dan verdwijnt ze.

* * *

 

Men zegt dat het er spookt.

‘Blijf uit de buurt van het vervloekte kasteel,’ fluisteren ze, ‘voordat de kleine prinses je ziet en ze je meesleurt naar haar rijk van de dood.’

Of het waar is, dat weet niemand.

De één gelooft dat de prinses een kwade geest is.

De ander, echter, zegt dat ze als een kaars is; een kaars voor andere geesten, om hun weg naar het hiernamaals te verlichten.

Niemand zal het weten.

Behalve de geesten.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Tien Kaarsen, is geïnspireerd door het Japanse spookverhaal “Banchō Sarayashiki“. Het enige wat eigenlijk overeenkomt is de vrouw die tot en met negen telt, en dan een vreselijke gil laat horen én dat het verhaal zich afspeelt in een kasteel; verder heb ik alles zelf verzonnen 😉 Ik heb dit verhaal geschreven voor Oktober Halloween Maand op mijn andere blog op lynnrobin.com, ter ondersteuning voor het artikel: “Oktober Halloween Maand – Banchō Sarayashiki

De Spin

Het kampvuur knispert en werpt een rode gloed op alle gezichten die eromheen zitten en afwachtend naar me kijken. De nacht is donker en stil, afgezien van de vlammen die zachtjes lijken te fluisteren en een verhaal vertellen.

Maar nu is het mijn beurt om een verhaal te delen; het vuur zal moeten wachten. Ik heb iedereen voor laten gaan, geduldig gewacht tot ik de laatste was die overbleef.

Geduldig zijn en wachten; er is niets waar ik beter in ben.

Een onheilspellende grijns trekt aan mijn mondhoeken en als ik begin met praten, dan praat ik zacht – zo zacht, dat iedereen gedwongen is om naar me toe te leunen.

‘Het verhaal dat ik jullie nu ga vertellen,’ begin ik, ‘gaat over de Spin. En het begint met een klein, rood kinderfietsje…’

 

* * *

 

Je hebt het misschien ooit wel eens gehoord als je ’s nachts in je bed ligt:

Een zacht, piepend geluid, weergalmend door de stille straten.

Misschien dat je je heel even hebt afgevraagd wat het was, maar na alle waarschijnlijkheid heb je je al gauw omgedraaid, je ogen gesloten en ben je in slaap gevallen. De volgende ochtend was je het geluid alweer vergeten en denk je er nooit meer over na.

Dat zachte, piepende geluid weerklinkt echter iedere nacht wel ergens in de wereld – het maakt niet uit waar, het geluid heeft in iedere uithoek van de wereld de nachtelijke stilte wel eens verstoord.

Het is afkomstig van een klein, rood kinderfietsje dat ’s nachts rondrijdt en op dat fietsje zit een kleine jongen. Zijn gezicht wordt altijd overschaduwd door zijn capuchon en sommige mensen – de enkeling die zijn bed uit is gegaan en de gordijnen heeft opengetrokken – beweren dat zijn handen die het stuur vasthouden, het ene moment beestachtige klauwen zijn… en het volgende moment gewone kinderhandjes.

De waarheid zal altijd in het midden blijven.

Het jongetje fietst helemaal alleen door de nacht. Hij heeft geen ouders. Niemand die over hem waakt, niemand die voor hem zorgt. Maar dat heeft hij ook niet nodig.

Dit is geen gewoon jongetje.

Zijn lippen spreiden zich uit tot een grijns als hij het gehijg en het gebrul achter zich hoort. Hij werpt een blik over zijn schouder, terwijl zijn korte benen door blijven trappen en de fietsbanden over het wegdek blijven rollen.

Gigantische, schaduwachtige gedaantes komen achter hem aan.

De Demonen van de Nacht.

Bladerdaken van de hoogste bomen ritselen wild als de wezens voorbij geraasd komen, alsof een woeste zomerstorm aan de boomtakken trekt, en lange staarten, vleugels en andere uitstulpingen duiken op vanachter de flatgebouwen.

Het jongetje kijkt weer voor zich en zijn grijns groeit als hij de Demonen gefrustreerd hoort brullen; gebrul, dat klinkt als donker onweersgerommel. Hij is zo klein, hij is ongrijpbaar. Maar de Demonen geven nooit op als ze een prooi zien.

Ze leven op mensenvlees.

Het jongetje haast zich door de straten, zijn rode fiets piept en kraakt, hier en daar beweegt er een gordijn achter de ramen of kijkt iemand met samengeknepen ogen naar buiten.

Niemand zal zich de Demonen van de Nacht herinneren. Het enige wat de volgende morgen een indruk achter zal laten, is een klein jongetje op een rode fiets.

Aan het einde van de straat – waar hij niet meer verder kan, waar de weg dood loopt – knijpt hij in zijn remmen. Vanonder de rand van zijn capuchon bekijkt hij de groep mensen die hij hier eerder vanavond heeft verzameld. Mannen en vrouwen, tieners en bejaarden; hij ziet het verschil nauwelijks.

Ze schreeuwen naar hem, hij ziet hun monden de woorden vormen, maar hij hoort hen niet. Als hij met zijn ogen knippert kan hij de draden zien die hij om hen heen heeft gespannen, de draden die hen gevangen houden in een kooi.

In een web.

Hij wendt zich van hen af en draait zijn fiets zo dat hij de Demonen aan kan zien komen.

En grijnst. Het jongetje grijnst altijd.

De Demonen van de Nacht staken hun wilde achtervolging. Ze vertragen, maken zichzelf laag en sluipen op hem af, denkend dat ze hem in de val hebben gelokt.

Wat ze niet weten is dat dit jongetje nog nooit van zijn leven in een val is getrapt.

Hun klauwen zijn enorm, met bruine nagels waar rottende resten van menselijk vlees als gescheurde kledingstukken aan vast zijn blijven haken, en iedere stap die ze zetten doet de straat beven – zoals wanneer de bliksem in de grond slaat. Hun bekken hangen open, hun ruggen rijzen en dalen met iedere hongerige ademhaling, hun tanden blikkeren in het licht van de lantaarnpaal op de hoek.

De gitzwarte, glimmende ogen die diep zijn weggezonken in hun oogkassen, dwalen vluchtig over de mensen die achter het jongetje staan – en hun gehijg neemt toe, kwijl druipt langs hun tanden, ze maken onrustige bewegingen met hun vleugels en staarten.

Het jongetje wacht. Hij wacht geduldig tot de Demonen van de Nacht naar voren gesprongen komen, klaar om hem uiteen te rijten. Maar hij schiet uit de weg, zijn fiets piept en kraakt, en de wezens storten zich in plaats daarvan op de mensen in de kooi. Ze scheuren de draden van het web kapot met hun nagels en het jongetje kan nu flarden van geluiden horen:

Gegil. Gekrijs.

Het gesmak van reusachtige wezens die eten, en hun malende kaken.

Hij ziet het bloed over de straatstenen vloeien, ruikt de metaalachtige geur… en grijnst opnieuw, als hij nieuwe draden ziet ontstaan. Ze spannen zich van gebouw naar gebouw, zijn zo rood als het bloed, en hij kijkt toe hoe de Demonen van de Nacht verstrikt raken in het web.

Ze janken, proberen de draden weer kapot te scheuren met hun klauwen, maar deze keer bieden ze weerstand.

Omdat het jongetje dat wil.

Hij slaakt een zucht van genot en wrijft met zijn hand over zijn knorrende maag. Hij blijft voor het web staan en moet zijn hoofd achterover kantelen om de wezens goed te kunnen zien.

De Demonen van de Nacht leven op mensenvlees.

De Spin, echter, leeft op de harten van monsters.

En hij heeft iedere nacht honger.

 

* * *

 

De gezichten worden nog steeds verlicht door het kampvuur en ik zie wenkbrauwen fronsen, monden vertrekken, neuzen die worden opgetrokken.

‘Als hij ze naar zijn web lokt, waarom offert hij dan die mensen op?’ wordt me gevraagd.

Ik lach; het klinkt als hoog gegiebel en ik zie de fronsen dieper worden. ‘Omdat Demonen met een gevulde maag beter smaken,’ antwoord ik, nog altijd lachend.

Iemand snuift. ‘Dit is gewoon fantasie, dit is helemaal niet echt – je hoort vanavond een spookverhaal te vertellen dat op waarheid gebaseerd is…-’

Zijn woorden raken overstemd door geluiden.

Ritselende boombladeren, alsof een bulderende wind erdoorheen blaast. Gebrul, als onweersgerommel.

Gehijg.

Hongerig gehijg.

Schaduwachtige reuzen komen tevoorschijn vanachter de bomen. De nagels van hun enorme klauwen zinken weg in de aarde, hun tanden en diep weggezonken ogen schitteren in het licht van het kampvuur, hun staarten zwiepen onrustig van links naar rechts.

Ik geeuw, terwijl iedereen overeind springt, meisjes snerpend gillen en jongens hardop vloeken, en werp een achteloze blik op mijn fiets die even verderop tegen een boom staat.

Hij glanst, en is rood van kleur.

‘Men zegt dat de Spin de gedaante van een klein mensenjongetje heeft,’ zeg ik zacht, hoewel niemand me hoort. ‘Maar je moet weten… de Spin heeft vele, vele gezichten.’

De draden van mijn web spannen zich van boom naar boom, overkoepelen ons als een net, en ik kijk toe hoe een jongen erin vast komt te zitten en verslonden wordt door een Demon van de Nacht, die zelf nog niet in de gaten heeft dat hij ook een gevangene is.

Een vlieg, verstrikt in een web.

Een vlieg, van botten en bloed, met een kloppend, kloppend, kloppend hart.

Het water loopt me in de mond.

Ik blijf waar ik zit, geduldig en wachtend zoals ik altijd doe, en kijk toe hoe mijn web de Demonen gevangen nemen. Ze proberen zich los te trekken, brullend en hulpeloos.

Dan kom ik overeind, negeer al het bloed dat om het kampvuur ligt, en rek me behaaglijk uit. Als ik mijn armen laat zakken bekijk ik de Demonen van de Nacht en wrijf over mijn knorrende maag.

Mijn handen groeien. Mijn nagels worden donker en lang, zo scherp als een mes.

Ik grijns.

    Etenstijd.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, De Spin, is geschreven in afwachting van Halloween! En… letterlijk geïnspireerd door vreemde, piepende en krakende geluiden in de nacht, én een rood kinderfietsje dat afgelopen zomer ’s nachts was achtergelaten waar ik woonde. Dat vond ik namelijk best een eng gezicht (kinderspeelgoed in de nacht, er is niets zo freaky als dat, geloof me)… en zo kwam ik op het idee voor dit verhaal. Oftewel: dit is míjn verklaring voor vreemde geluiden in de nacht 😉 En ja, ik slaap prima! 😀 …Jij ook?

Kompas: het Eerste Herfstblad

De ondergaande zon is warm op mijn huid, net als de bries die door het open raam naar binnen waait en met de gekrulde hoeken van mijn brief speelt. Mijn hand zorgt ervoor dat hij niet weggeblazen wordt, terwijl mijn pen over het papier krast:

    Er zijn vier seizoen verstreken sinds de laatste keer dat ik je zag. Ik heb de herfstbladeren zien vallen, het land bedolven zien raken onder sneeuw, de eerste bloemen van de lente zien ontluiken en de zomer de avonden goud zien kleuren.

    Nu ik dit schrijf, staat de zomer weer op het punt om te vertrekken.

    En nog steeds heb ik niets van je gehoord, nog steeds lijk je net zo onbereikbaar als de Verre Landen.

Ik kijk op van mijn brief en werp een blik naar buiten. Ik ruik de kruidige geur van de zomer, de geur van de zon die urenlang op de warme aarde heeft geschenen, en zie de schaduwen van de avond groeien.

Het is bijna tijd.

De Zomergeesten moeten op het punt staan om te vertrekken en zijn aan het wachten tot ik hen het kompas kom brengen, zodat ze hun weg kunnen vinden naar de Verre Landen om daar de zomer naartoe te brengen.

Ik schrijf zo snel als ik kan.

Het is niet moeilijk; de woorden zitten al maandenlang in mijn hoofd en hebben zich aaneengeregen tot zinnen, zinnen die nu voor het eerst onder mijn pen vandaan komen en vastgelegd worden op papier.

De zon reist verder naar beneden. De warme bries verandert in koele wind.

Waar ben je? In welk land, in welk seizoen? Ben je ver weg, of juist heel dichtbij?

    Soms vraag ik me af of ik een kompas nodig zou hebben om je terug te vinden.

    Of zou mijn hart me de weg kunnen wijzen?

Ik schrijf meer, nog veel meer.

Woord na woord stapelt zich op.

Ik rond de brief af, vouw hem zorgvuldig dubbel, stop hem in een envelop, houd hem even tegen mijn gezicht aan en adem diep de geur in. Dan trek ik mijn ketting af, waar een kleine sleutel aan hangt, en loop ermee naar een donkerrode kast in de hoek van de kamer.

De sleutel verzinkt in het slot en ik draai hem opzij. Ik trek de deuren open en kijk naar de plank – de enige plank in de hele kast – waar een houten kistje op ligt. Ik haal de deksel eraf en ruik de zoete geur van wierook. Het kistje is vanbinnen bekleed met saffierblauw fluweel.

Er ligt een kompas in. Hij zit onder de krassen en deuken, heeft weer en wind doorstaan, en is al eeuwenoud. Het is altijd al de taak geweest van mijn familie om de seizoenen de weg te wijzen.

Tegenwoordig ben ik het, die de Seizoengeesten twee keer per jaar verwelkomt en twee keer per jaar op hun weg stuurt naar de Verre Landen.

Met het kompas in mijn ene hand en de brief in de andere, ga ik naar buiten. Ik haast me naar de grasvelden. De sprieten groeien hoog, reiken zeker tot mijn knieën en vangen een gouden glans in de zonsondergang.

Ik vertraag mijn pas echter, als ik zie dat ik niet te laat ben.

De Zomergeesten arriveren zojuist ook; lange, slanke wezens die meters boven een mens uittorenen. In plaats van gezichten hebben ze maskers – rode maskers, met holle ogen die de illusie wekken oneindig diep te zijn. Ze bewegen zich kalm en waden door het gras alsof het water is. Hoewel ze lange armen hebben, lijken hun benen verborgen te gaan onder de rok van een lang gewaad. Ze zien eruit als schaduwen en zijn doorschijnend; ze branden als vuur in de zonsondergang.

Bij de oude, houten brug blijven ze staan, waar ze de oversteek zullen maken en zullen beginnen aan hun reis om de zomer naar de andere landen te brengen. Halverwege hun tocht zullen ze de Wintergeesten tegenkomen, aan wie ze het kompas zullen geven. De Wintergeesten zullen hem terug komen brengen… en na drie maanden weer meenemen, wanneer ze vertrekken en de weg vrijmaken voor de lente.

Ik blijf ook bij de brug staan en kijk op naar de Zomergeesten. Hun lichamen vangen de rode gloed van de zon, maar ze blijven doorschijnend en ik kan de bergen in de verte door hen heen zien dringen.

Eén van de geesten komt naar voren toe en kijkt zwijgend op me neer. Afwachtend. Ik strek mijn hand met het kompas naar hem uit. Hij reikt ernaar en mijn arm wordt iets naar beneden geduwd als zijn lange, schaduwachtige vingers over het kompas strijken – zijn wijsvinger is zo lang als mijn onderbeen. Dan neemt hij het object van me over.

Het kompas lijkt altijd zoveel kleiner in de handen van de geesten.

De Zomergeest vouwt ook zijn andere hand om het kompas, bijna liefkozend, en dan buigt hij voor me. De andere geesten volgen gelijk zijn voorbeeld. Ik buig ook en voel mijn hart bonken van nervositeit; de envelop in mijn hand kraakt zachtjes.

Als ik mijn rug recht, haal ik diep adem en verstevig mijn greep op het papier. Ik adem in, om de Zomergeesten te vragen of ze mijn brief aan hém willen geven, mochten ze hem tegenkomen op hun reis.

Mijn brief, waarin ik aan je vraag hoe het met je gaat.

    Of je net zoveel aan mij denkt als ik aan jou.

    Hoe de seizoenen voor jou zijn, welke kleuren jij ziet en welke geuren jij ruikt.

    En… of je terug zou willen komen.

    Net als de seizoenen.

Het eerste woord van mijn vraag verlaat bijna mijn lippen – maar dan draaien de Zomergeesten zich opeens om en ik volg hun blik.

Iemand steekt de brug over.

Mijn ogen verwijden zich.

De wind blaast zijn donkere haren langs zijn gezicht. Hij draagt een rugtas en een lange, verweerde jas. Hij houdt een stok in zijn hand, die zachtjes op het hout van de brug tikt.

Dan blijft hij echter roerloos staan en staart naar me. Zijn gebruinde gezicht baadt in de gloed van de zon, de wind gaat liggen, ik voel de warmte op mijn huid en hoor de vogels in de verte hun lied zingen.

Een flauwe glimlach trekt aan zijn mondhoeken. Ik zie vermoeidheid in zijn ogen, maar ook warmte. Ik voel diezelfde vermoeidheid. Diezelfde warmte.

Ik lach terug en laat mijn hand met de brief zakken.

Na een laatste buiging vertrekken de Zomergeesten; met trage, schuivende passen lopen ze naar de overkant. Als ze aan het einde van de brug zijn, wordt de wind koeler en de geur die het met zich meebrengt verandert – het is nog steeds kruidig, maar het ruikt niet meer naar warmte. Het ruikt naar bladeren die van groen naar rood, bruin en geel zullen veranderen, het ruikt naar noten die op de grond zullen vallen, paddenstoelen die de plek van bloemen in zullen nemen.

Herfst.

De Zomergeesten verdwijnen in de verte en hij staat nu zo dicht voor me dat ik alleen mijn hand maar uit hoef te strekken om hem aan te raken.

‘Je bent terug,’ fluister ik.

Zijn ogen glanzen in de zon. Zijn glimlach groeit en hij knikt.

En ik laat de brief los, laat de wind alle woorden wegblazen, als het eerste herfstblad van dit seizoen.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Kompas: het Eerste Herfstblad, is het vervolg op Kompas, een verhaal dat ik 25 januari 2018 op dit blog deelde. Deze heb ik speciaal geschreven voor vandaag; 21 september, de eerste dag van de herfst! Een seizoen van nostalgie, noem ik het altijd ❤

Nacht in Bloei

De schaduwen in de plantenkas zijn roerloos.

Nacht. Het is een tijd van stilte, een tijd waarin de wereld zijn adem inhoudt. De planten en bloemen die overdag zo kleurrijk zijn, gaan nu gehuld achter een sluier van blauw, grijs en zwart. Een houten brug leidt over planten en water, de leuning is begroeid met lianen en bloemen die zich hebben dichtgevouwen. Bomen torenen boven hen uit, houden de wacht, altijd wakend, en hun bladerdaken vangen het zilveren maanlicht dat door de dakramen naar binnen valt.

Er is één boom die bijna het glas raakt, alsof hij er alles aan doet om overdag zoveel mogelijk zonlicht te drinken, en ’s nachts opkijkt naar de maan.

Eigenlijk zijn het twee bomen: de één heeft een stam zo wit als sneeuw, de andere schors zo donker als chocolade. Ze zijn met elkaar verstrengeld, hun takken zijn met elkaar verwikkeld, hun bladerdaken overlappen elkaar.

Als twee geliefden, onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Stil, het is er zo stil als je van een plantenkas verwacht – totdat er een geluid van buiten naar binnen dringt. Het zijn de slagen van een klok, langzaam weergalmend door de nacht.

Het zijn twaalf slagen.

Middernacht.

De laatste slag sterft weg… maar dan wordt de stilte opnieuw verbroken.

Geritsel: bladerdaken die zich van elkaar losmaken.

Geschuifel: takken die zich uitrekken als vingers of armen.

Gezucht: twee bomen die van elkaar weg leunen en beginnen te krimpen, van vorm veranderen, allebei een eigen gestalte krijgen.

Gelach: een jonge man en een jonge vrouw die hun handen met elkaar verstrengelen.

Hij is zo donker als chocolade, met kleine witte bladeren als haren; zij is zo wit als sneeuw, en grote donkere bladeren groeien uit haar hoofd en reiken tot ver over haar rug.

Hand in hand dwalen ze langs het water, badend in het maanlicht, en de planten langs de kant beginnen te bewegen zoals ze zouden doen in de wind. Hand in hand beklimmen ze de stenen trap die naar de houten brug leidt en de planten beginnen te groeien groeien, volgen hen de treden op, alsof ze uit alle macht bij hen willen blijven. Hand in hand blijven ze op de brug staan vanwaar ze uitkijken over de kas; de bloemen op de leuning ontluiken. De dauwdruppels op hun bladeren glanzen onder de gloed van de maan, ze glinsteren als sterrenstof.

Ze lopen verder, geruisloos als geesten in de nacht, terwijl de kas tot leven komt met geluid. Het lijkt op geritsel, maar in hun oren klinkt het als gefluister.

De planten spreken.

Ze vertellen verhalen, delen geheimen van diep uit de aarde. Verhalen en geheimen waar ze zelf alles van weten, maar ze luisteren aandachtig, fluisteren terug, en brengen daarmee iedere boom, plant en bloem tot leven.

Uren verstrijken. Een warme bries blaast door de kas, de maan reist van links naar rechts, de bladerdaken van de bomen ruisen en bloemen laten hun bladeren los voor een dans door de lucht. Verse bladeren groeien terug op het moment dat de jonge man en vrouw hen aanraken, en bomen laten hun takken zakken om hen erin te laten klimmen.

De nachthemel wordt opgelicht. De maan verbleekt. De zon rijst op.

Haar adem stokt als ze door het glas naar buiten kijkt; iedere ochtend weten de eerste zonnestralen haar te betoveren en lijken haar ogen blauw, paars en roze te zijn, alle kleuren van de vroege morgen. Hij slaat zijn armen om haar heen, trekt haar tegen zich aan en glimlacht als ze haar hand tegen zijn borst legt.

Ze kijken samen naar de zonsopgang, terwijl de wind in de kas gaat liggen, de bomen tot rust komen, de planten en bloemen stoppen met fluisteren, en ze zelf vergroeien met de aarde onder hun voeten. Hun lichamen torenen de lucht in, hun armen en vingers groeien uit tot takken en hun haren veranderen in bladerdaken.

De nacht is uitgebloeid.

Voor nu.

 

* * *

 

De warmte van de kas doet haar koude wangen tintelen; buiten waait de bijtende wind van de winter, de wind die de bladeren van de bomen heeft gestolen… de wind, die deze kas nooit zal weten te bereiken.

Ze komt hier iedere dag; het is haar werk om voor de planten te zorgen.

En om de geheimen van deze kas te bewaren.

Haar ogen dwalen in het rond, over alle bloemen, de groene planten, de bomen die trots en rijzig boven haar uittorenen.

Dan blijft haar blik rusten op twee bomen die met elkaar verstrengeld zijn, de één zo wit als sneeuw en de andere zo donker als chocolade.

Onafscheidelijk, als twee geliefden.

Ze glimlacht.

Dat zijn de bomen die ze zocht. De bomen die ze iedere dag op een andere plek aantreft.

Want dit is een kas van magie.

Dit is waar de nacht in bloei staat.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Nacht in Bloei, is geïnspireerd door mijn uitstapje deze zomer naar de Hortus Botanicus (klik hier voor foto’s!). Ik vond de kas heel mooi en interessant, en vroeg me af hoe het moest zijn om er ’s nachts rond te lopen… Wie zegt dat dit niet écht gebeurt als er niemand kijkt? 😛

Ik Ben Jouw Droom

Haar voetstappen weergalmen door de stille avond – net als het lage gebrom van de bus die wegrijdt.

Hijgend blijft ze bij de halte staan, terwijl ze de bus verderop links de hoek om ziet slaan. Hij verdwijnt uit haar zicht en haar ogen beginnen te branden. Haar zicht wordt wazig en ze veegt gauw de tranen uit haar ogen.

Ze huilt niet omdat ze de bus heeft gemist.

Nee, dat is gewoon de laatste druppel na een dag als vandaag; een dag waarop er heel veel druppels zijn gevallen, zo veel dat ze nu over de rand lopen en als tranen over haar wangen biggelen.

Een scherp gevoel vult haar keel. Ze veegt de tranen opnieuw weg en laat zich neerzinken op het bankje van de bushalte. Ze haalt schokkerig adem en staart voor zich uit, met haar tas in haar armen geklemd.

Vandaag zijn haar dromen in duigen gevallen, kapotgeslagen door iemands woorden: ‘Je leeft in je eigen fantasie. Je droom is gewoon een droom; het zal nooit realiteit kunnen worden.’

Ze sluit haar ogen en drukt de rug van haar hand tegen haar mond. Haar schouders schokken en iedere snik doet pijn, iedere snik lijkt haar hart een stukje verder uit elkaar te scheuren.

Haar hart; haar droom.

Niemand lijkt in haar te geloven. En als niemand in haar gelooft, hoe kan ze dan nog in zichzelf en haar droom geloven?

Een warme bries tilt de rok van haar jurk op en blaast de lange haren van haar schouders. Ze opent haar ogen en kijkt aarzelend op.

Er is een bus voor de halte gestopt, die ze niet eens aan heeft horen komen. Het voertuig wordt schemerig verlicht door de lantaarnpalen langs de weg en hij is geel van kleur. De deuren zijn opengeschoven en de bus lijkt geduldig op haar te wachten tot ze in zal stappen.

Ze blijft zitten.

Vreemd, de volgende bus hoort pas over een half uur te komen. Ze kijkt om zich heen. De straat is uitgestorven en de avond lijkt opeens veel donkerder te zijn; de wolken pakken zich samen en de geur van regen hangt zwaar in de lucht.

Aarzelend komt ze overeind en loopt naar de bus toe. Dan blijft ze echter staan, starend naar de buschauffeur.

Hij is jong, lijkt amper oud genoeg om achter het stuur te mogen zitten. Een tiener. De mouwen van zijn overhemd zijn opgestroopt en zijn armen zijn tanig. Hij glimlacht naar haar en tikt tegen zijn pet ter groet, waarna hij gebaart dat ze kan gaan zitten. Hij zegt niets.

De eerste dikke regendruppels vallen naar beneden. Ze stopt met aarzelen, knikt terug naar de buschauffeur en haast zich naar binnen. De bus is leeg, er is geen passagier te bekennen. Ze gaat in het midden zitten, naast het raam, en dan sluiten de deuren zich. Met een schok trekt de bus op en rijdt weg van de halte.

Ze draait haar gezicht naar het raam en slikt; de brok in haar keel is nog steeds scherp. Ze voelt verse tranen opwellen, veegt ze voor een zoveelste keer weg en laat haar hoofd tegen het koele glas van de ruit rusten.

Kon ze deze dag maar vergeten.

Kon deze bus haar maar ver, ver weg brengen, naar een andere wereld waar dromen wél uitkomen.

Ze glimlacht zwakjes bij dat idee en sluit haar ogen.

 

* * *

 

Als ze haar ogen weer opent, heeft ze geen idee hoeveel tijd er is verstreken.

En ze weet nog minder waar ze is.

Met een ruk tilt ze haar hoofd op en staart uit het raam naar buiten. Ze zou de stad moeten zien, een straat, andere auto’s, voetgangers. Maar dat is niet wat ze ziet.

Ze ziet water.

Het is overal.

Alsof ze in een oceaan rijden.

Het water is helderblauw en ze ziet banen van zonlicht naar beneden schijnen. Ze staart naar de vissen die rondzwemmen – grote vissen die rakelings langs het raam glijden met glanzende schubben; kleine vissen die zich in scholen verplaatsen, net zo sierlijk als een vogelzwerm. Ze ziet koraal in alle mogelijke kleuren en dan blijft haar blik rusten op een zeester met vijf armen die zichzelf vastkleeft met zijn zuignappen aan het raam; hij heeft een dieprode kleur, en…

En wordt opeens blauw, zo blauw als de nachthemel.

Ze knippert met haar ogen, wendt zich van de zeester af en knippert nogmaals als ze ziet dat het water donkerder is geworden. De banen van zonlicht zijn verdwenen, de vissen en het koraal ziet ze ook nergens meer.

In plaats daarvan ziet ze kwallen, die blauw, roze, paars opgloeien in het water. Ze lijken te zweven, gewichtsloos, en hun lange tentakels golven achter hen aan. Ze deinst terug als de tentakels langs de ramen strijken, maar stopt dan.

Ze kunnen haar immers niets doen vanachter het glas.

Voorzichtig legt ze haar handen tegen het raam en volgt de tientallen lichtgevende kwallen met haar ogen. Ze zijn adembenemend mooi en voor ze het weet begint ze zacht te lachen.

Dit zou niet mogelijk moeten zijn. Maar het is prachtig.

Als een droom.

Ze leunt weg van het raam, werpt een blik op de buschauffeur die zijn handen losjes om het stuur geklemd houdt, en voelt de vragen op haar lippen branden; waar zijn we?

    Is dit een droom?

Maar voor ze iets kan zeggen, klinkt er een ruisend geluid; het water begint wild te golven en daalt naar beneden. Schuimkoppen spoelen langs de ramen, ze verliest de kwallen uit het oog, de zeester laat los, al het water spoelt langs de bus…

En ze rijden een eindeloze sterrenhemel in.

Haar adem stokt als ze vogels tussen de sterren ziet vliegen; vogels, zo rood als vuur; vogels, zo wit als ijs. Hun veren glinsteren en hun lange staarten maken zwiepende bewegingen, telkens als ze een duik naar beneden maken en weer omhoog vliegen.

Ze schudt haar hoofd en voelt haar hart bonken.

Dan remt de bus af en als ze voetstappen achter zich hoort, draait ze zich om naar de buschauffeur. Zijn donkerblonde haar is warrig en komt in krullen onder zijn pet vandaan, en nu ze hem aankijkt ziet ze dat zijn ogen bruin zijn.

‘Droom ik?’ vraagt ze zacht. ‘Is dit… nep?’

Hij houdt haar blik vast. ‘Dat ligt aan jou,’ antwoordt hij na een stilte. ‘Een droom in je slaap is niet anders dan een droom in je hoofd, een droom die je najaagt en waarheid wil maken. Dus als jij gelooft dat dít echt is, dan is het echt. Als jij gelooft dat een droom waarheid kan zijn, dan is het waarheid.’

Het lukt haar niet om iets te zeggen en dan steekt hij zijn hand naar haar uit. Hij trekt haar overeind; hij is iets langer en kijkt met een glimlach op haar neer. ‘Je kan alles bereiken wat je wil – zolang je er maar in gelooft dat het mogelijk is.’

‘Alles?’ herhaalt ze.

Hij knikt.

Ze draait zich terug naar het raam en beeldt zich in hoe het glas verdwijnt. Met ingehouden adem steekt ze haar hand uit-

Het glas is weg.

Haar ogen worden groot, maar dan klautert ze de bus uit. Ik zal niet vallen, zegt ze in haar hoofd als ze zichzelf naar beneden laat zakken. Ze kijkt naar de sterrenhemel onder haar – maar voelt hoe haar voeten vaste grond raken. Ze hoort het opspattende geluid van water en ziet rimpelingen rond haar voeten ontstaan.

Ze valt niet in de eindeloze dieptes van het heelal… maar staat in water, dat de sterren weerspiegelt.

Een warme hand sluit zich om de hare en ze kijkt op in zijn bruine ogen. Hij lacht, trekt haar met zich mee en samen rennen ze door het water dat wild opspat tegen hun benen. Soms blijven ze staan en steken hun armen uit, en dan landen de vogels op hun uitgestrekte handen. Ze strelen hun vleugels, totdat de vogels ze uitslaan en de lucht weer in stijgen.

De vogels lijken tussen de sterren te dansen en ze kan zich niet van hen afwenden, totdat ze een hand op haar schouder voelt. Ze draait zich naar hem om en hij steekt één rode en één witte veer in haar haren, precies achter haar oor.

Een warme glans raakt zijn ogen als hij weer naar haar glimlacht. ‘Geloof,’ zegt hij zachtjes, ‘en alles, álles is mogelijk.’

 

* * *

 

Haar ogen gaan open op het moment dat de bus afremt.

Ze kijkt gedesoriënteerd om zich heen. Het is nog steeds avond en buiten regent het. De deuren zijn opengeschoven en haar blik valt op een bushalte, die vlakbij haar huis ligt.

Is ze in slaap gevallen?

Terwijl ze haastig opstaat veegt ze de haren uit haar gezicht; ze voelt zich soezerig en warm, en verliest bijna haar evenwicht, maar ze grijpt zich net op tijd beet.

Dan blijft haar blik rusten op de rok van haar jurk. Er zitten natte vlekken op. Als van… water.

Haar hart mist een slag en dan reikt ze naar haar oor.

Ze trekt een rode en een witte veer uit haar haren.

Voor een moment kan ze er alleen maar naar staren. Dan draait ze zich om en ziet de jonge buschauffeur naar haar kijken. Hij leunt half uit zijn stoel, glimlacht en tikt tegen zijn pet.

‘Het was echt,’ brengt ze uit. ‘Alles was echt.’

‘Iedere droom is echt.’ Hij trekt zijn schouders op en blijft glimlachen. ‘Zolang…’

‘…je maar gelooft dat een droom waarheid kan zijn,’ maakt ze de zin af. Ze kijkt weer neer op de veren in haar hand.

‘Je kan beter naar huis gaan. Het is al laat,’ voegt hij eraan toe.

Ze schrikt op, knikt en stapt uit de bus. De regen maakt haar haren en jurk vochtig, maar ze voelt het nauwelijks – ze draait zich om naar de bus en haast zich naar de ingang voor de deur kan sluiten. Hij heeft zijn handen alweer om het stuur gesloten en trekt zijn wenkbrauwen op als hij haar ziet staan.

‘Wie ben je?’ vraagt ze en ze moet haar stem verheffen om boven de regen uit te komen.

Hij wacht even voor hij iets zegt, kijkt langs haar heen en knijpt zijn ogen nadenkend samen. ‘Ik ben jouw droom,’ antwoordt hij ten slotte. ‘Je stond op het punt om me los te laten. En dat is het laatste wat je moet doen met een droom; dromen zijn er om vast te houden. Om in te geloven. Om waar te maken.’

Ze brengt haar hand omhoog om de regen uit haar ogen te houden. ‘Dankjewel,’ zegt ze, ‘dat je gekomen bent.’

Hij glimlacht voor een zoveelste keer en dan mondt die glimlach uit tot een lach. Hij zwaait naar haar en de deuren sluiten zich. De bus rijdt van haar weg en ze blijft bij de halte staan, in de regen, totdat het voertuig in de verte verdwijnt.

Ze lacht zelf ook, heft dan haar gezicht op naar de lucht en sluit haar ogen. De regen kriebelt op haar voorhoofd en wangen, de druppels glijden als tranen over haar huid.

Maar ze huilt niet langer.

De regen spoelt haar verdriet weg, haar onzekerheid, al haar pijn.

Want ze gelooft. Ze gelooft dat alles, álles mogelijk is.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Ik Ben Jouw Droom, is geschreven voor iedereen die een droom heeft; een droom die je waar wil maken. Want zolang je gelooft – in je droom, maar vooral ook in jezelf – dan is álles mogelijk ❤ BE STRONG, BE HAPPY!