Tien Kaarsen

‘Een… Twee… Drie… Vier… Vijf…’

De kleine prinses krult haar vingers om de rand van haar gladde, satijnen lakens, die ze tot over haar kin heeft getrokken.

‘Zes… Zeven…’

Buiten telt de stem door. Het is een vrouw.

‘Acht…’

De prinses tuurt in de duisternis van de nacht, die haar kamer vult met schaduwen. Ze lijken haar mooie speelgoed op te slokken, ze verzwelgen de wereld van de dag.

‘Negen…’

Ze knijpt haar ogen dicht, houdt haar adem in, wachtend op-

De gil.

Een snerpend gekrijs dat door merg en been gaat, dat als een dolk door de stilte van de nacht steekt, dat het hart van de kleine prinses een slag over doet slaan.

Ze duikt weg onder haar lakens, met haar handen over haar oren geslagen. Ze knijpt haar ogen dicht, krult zich op en maakt zichzelf zo klein mogelijk. De gil houdt aan, rekt zich uit, duurt zo lang dat ze het gekrijs nog lang hoort nagalmen in haar oren.

Dan laat ze haar handen langzaam wegglijden van haar oren. Ze blijft echter nog even onder haar lakens liggen, veilig en verstopt, wachtend tot de vrouwenstem weer opnieuw begint met tellen, hopend dat ze de rest van de nacht weg zal blijven.

De vrouw is bijna iedere nacht te horen. De prinses weet dat ze in de rozentuin is, op de binnenplaats van het kasteel, omringd door welgeteld negen kaarsen.

Maar het is niet zomaar een vrouw.

Het is een geest.

Een boze geest.

Als de prinses na lang wachten niets meer hoort, durft ze eindelijk met haar hoofd boven de lakens uit te komen. Ze ademt diep de frisse nachtlucht in en veegt haar lange haren uit haar gezicht-

Ze verstart als ze ziet dat ze niet alleen is.

Er zit een gedaante op de stoel die vlak bij haar bed staat – een houten stoel, ingelegd met diamantjes die glinsteren in het maanlicht, dat door een kier tussen de gordijnen naar binnen schijnt. Het is een man. Hij draagt een zwart pak en een hoed overschaduwt zijn ogen; hij gaat gekleed als een man van adel.

Hij heft zijn gezicht op.

Zijn oogkassen zijn bodemloze gaten van zwartheid.

Ze hapt naar adem en deinst terug, tot ze met haar rug tegen het hoofdeind van haar veel te grote bed botst. Er prikken tranen in haar ogen en ze opent haar mond om te gillen, om te krijsen zoals de geestvrouw in de rozentuin-

Het enige wat ze voortbrengt is een zwak, piepend geluid, als de man opstaat en met wankele passen naar haar toe komt. Hij houdt een lantaarn in zijn hand; de kaars brandt echter niet en het handvat piept als de lantaarn heen en weer zwaait.

Dan blijft hij roerloos staan en draait zijn hoofd langzaam van links naar rechts.

Een snik ontsnapt uit haar keel.

Met een ruk draait hij zijn gezicht weer naar haar toe en komt dichterbij. Haar adem stokt en ze gooit de lakens van zich af, schiet haar bed uit en rent naar de deur toe-

Zijn hand graait naar haar arm-

Ze duikt uit de weg, pakt bijna de deurklink beet-

Zijn lange vingers grijpen zich vast in haar nachtkleding en trekken haar naar zich toe. Ze ademt in om te gillen… maar stopt, als de man zegt: ‘Weet jij waar ze is?’

Zijn stem is menselijk, maar klinkt eeuwenoud. Hij kijkt op haar neer, maar lijkt haar niet te zien.

De prinses bijt op haar trillende onderlip en zegt niets.

‘Ik kan haar alleen maar horen, maar niet meer zien,’ zegt hij. ‘En ik heb haar beloofd dat ik naar haar toe zal komen in het tiende jaar. Weet jij waar ze is?’ herhaalt hij.

Hij klinkt vermoeid. Zo vermoeid.

‘De… De geestvrouw?’ brengt de prinses uit.

Hij knikt.

‘Ze is in de rozentuin…’

‘Breng me naar haar toe. Alsjeblieft,’ fluistert hij. ‘Ik kan haar alleen maar horen… maar niet meer zien. Er is niet genoeg licht.’

Voor een moment tuurt ze in zijn lege oogkassen.

Dan ademt ze beverig in. ‘Als ik u naar haar toe breng, haalt u haar dan weg?’

‘Ja.’

De kleine prinses balt haar handen tot vuisten, trekt dan de deur open en loodst de vreemdeling haar kamer uit; hij blijft haar vasthouden aan haar kleding, alsof hij een blinde is die geleid moet worden.

Haar blote voeten maken geen geluid op de gladde, glanzende vloeren van het kasteel; zijn schoenzolen lijken de grond amper te raken.

Ze leidt hem door gangen met rijkdom die hij niet kan zien – oeroude, magische zwaarden die aan de muren hangen; beelden van elegante, menselijke figuren die hun handen in elkaar gevouwen hebben; wandkleden in alle mogelijke kleuren; vazen met beschilderingen van kraanvogels en bloesembomen. Ze leidt hem trap na trap af, tot ze eindelijk beneden zijn. Ze leidt hem door grote, rood geschilderde houten deuren heen die naar de binnenplaats leiden, zonder ook maar één van de bediendes tegen te komen.

Het kasteel lijkt leeg te zijn. Onbewoond. Uitgestorven. Een andere dimensie, die alleen bestaat voor de kleine prinses en de blinde vreemdeling.

En de geestvrouw, die tussen de rozenstruiken in het gras zit, omringd door negen brandende kaarsen.

‘Eén,’ begint ze, starend naar de vlammen. ‘Twee…’

De prinses blijft staan en wringt met haar handen, starend naar de vrouw. Ze is beeldschoon, met een huid zo wit als de maan en krullen die over haar schouders vallen. Ze draagt een gewaad van de duurste zijde dat haar benen verbergt; het enige wat onder de rok vandaan komt zijn haar voeten, gehuld in sandalen.

Maar de prinses weet beter. De eerste keer dat ze de geestvrouw zag was ze betoverd geweest; ze had er zo triest maar sereen uitgezien en de geur van rozen was zo zoet en verleidelijk geweest.

Totdat de vrouw tot en met negen had geteld.

Daarna was ze veranderd in een demon; een krijsend monster met een mond die ze tot onmenselijke proporties had opengesperd.

‘Drie… Vier…’

‘Daar is ze,’ fluistert de prinses nerveus.

‘Ik hoor haar,’ antwoordt de vreemdeling… en dan glijdt er een glimlach over zijn lippen.

De prinses kijkt vertwijfeld naar hem op. ‘Wie bent u?’

‘De man die haar jaren geleden een belofte heeft gedaan.’

‘Vijf…’

‘Een belofte?’ herhaalt de prinses.

‘Ja,’ zucht hij. ‘Toen ze op haar sterfbed lag, beloofde ik haar dat ik over tien jaar naar haar toe zou komen… en dat ze voor ieder jaar dat ze op me wachtte in de dodenwereld, een kaars voor me moest branden. Voor mij; voor ons; voor onze liefde.’

‘Hoe… kon u weten dat u over tien jaar zou sterven?’ fluistert de prinses met een frons. ‘Kunt u in de toekomst kijken? Bent u een ziener?’

‘Dat was ik,’ beaamt hij net zo zacht. ‘En ik stierf tien jaar later, zoals ik had voorzien. Maar met mijn dood verloor ik mijn zicht. In het leven heb ik te veel mogen zien; in de dood dwaal ik door de duisternis.’

De prinses kijkt op in zijn holle oogkassen en voelt een huivering langs haar ruggengraat glijden – maar ze weet opeens niet zeker meer of dat is omdat ze bang is, of omdat ze moet huiveren bij het idee om geen ogen te hebben.

‘Zes… Zeven…’

‘Omdat ik niet meer kon zien, kon ik haar niet vinden – en zo zijn er jaren en jaren verstreken,’ gaat hij verder. ‘Dus ik heb geprobeerd te luisteren. En het is haar gezang dat me naar haar toe heeft geleid,’ besluit hij.

‘Ze zingt niet,’ zegt de prinses, ‘ze krijst.’

‘Toen ze leefde had ze de stem van een nachtegaal. Toen ze liefhad klonk ze als een engel.’ Hij glimlacht weer. ‘In mijn oren doet ze dat nog steeds.’

‘Acht…’

‘Ik ga nu, kleine prinses. Dankjewel… en tot ziens, in het hiernamaals. Op een dag,’ voegt hij eraan toe.

Hij laat haar kleding los en loopt naar de vrouw toe, met zijn lantaarn in zijn hand.

‘Negen…’

De geestvrouw haalt adem voor haar gil en de prinses brengt haar handen al omhoog om ze over haar oren te slaan – maar het enige wat ze hoort, is de man die zachtjes zegt: ‘Tien.’

Vanuit het niets doemt er licht op vanuit zijn lantaarn; een vlam danst rond de lont van de kaars.

De geestvrouw kijkt op.

‘Ik ben hier,’ fluistert de man. ‘Ik ben hier.’

De prinses kijkt toe hoe de vrouw overeind komt. Ze wordt omringd door kaarsen en staart naar de man, haar lang verloren geliefde. Een bries steekt op en rozenblaadjes zweven door de lucht. Hij doet een stap naar haar toe; zij slaat haar armen om zijn nek. Zijn schouders zakken naar beneden, hij laat zijn wang op haar kruin rusten en slaakt een zucht, een diepe zucht die alle kaarsen uitblaast.

Op het moment dat de kaars in zijn lantaarn dooft, verdwijnen de geliefden in het niets.

Alles is weg; de kaarsen, de man en de vrouw.

Zelfs de rozenstruiken zijn niet hetzelfde meer. Er groeien geen bloemen meer – de takken zijn kaal, de enkele bladeren verdord. De struiken zijn dood.

Ook het kasteel verandert; er verschijnen scheuren en beschadigingen in de muren, de scharnieren van de deuren worden roestig, er vallen gaten in de daken.

Een leeg kasteel. Onbewoond. Uitgestorven.

De kleine prinses ziet het niet. Ze gaat terug naar binnen toe en het enige wat zij ziet is pracht en praal. Ze kruipt weer in haar bed en sluit haar ogen.

Eerst is haar gedaante nog te zien onder de satijnen lakens.

Dan verdwijnt ze.

* * *

 

Men zegt dat het er spookt.

‘Blijf uit de buurt van het vervloekte kasteel,’ fluisteren ze, ‘voordat de kleine prinses je ziet en ze je meesleurt naar haar rijk van de dood.’

Of het waar is, dat weet niemand.

De één gelooft dat de prinses een kwade geest is.

De ander, echter, zegt dat ze als een kaars is; een kaars voor andere geesten, om hun weg naar het hiernamaals te verlichten.

Niemand zal het weten.

Behalve de geesten.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Tien Kaarsen, is geïnspireerd door het Japanse spookverhaal “Banchō Sarayashiki“. Het enige wat eigenlijk overeenkomt is de vrouw die tot en met negen telt, en dan een vreselijke gil laat horen én dat het verhaal zich afspeelt in een kasteel; verder heb ik alles zelf verzonnen 😉 Ik heb dit verhaal geschreven voor Oktober Halloween Maand op mijn andere blog op lynnrobin.com, ter ondersteuning voor het artikel: “Oktober Halloween Maand – Banchō Sarayashiki

Advertenties

De Spin

Het kampvuur knispert en werpt een rode gloed op alle gezichten die eromheen zitten en afwachtend naar me kijken. De nacht is donker en stil, afgezien van de vlammen die zachtjes lijken te fluisteren en een verhaal vertellen.

Maar nu is het mijn beurt om een verhaal te delen; het vuur zal moeten wachten. Ik heb iedereen voor laten gaan, geduldig gewacht tot ik de laatste was die overbleef.

Geduldig zijn en wachten; er is niets waar ik beter in ben.

Een onheilspellende grijns trekt aan mijn mondhoeken en als ik begin met praten, dan praat ik zacht – zo zacht, dat iedereen gedwongen is om naar me toe te leunen.

‘Het verhaal dat ik jullie nu ga vertellen,’ begin ik, ‘gaat over de Spin. En het begint met een klein, rood kinderfietsje…’

 

* * *

 

Je hebt het misschien ooit wel eens gehoord als je ’s nachts in je bed ligt:

Een zacht, piepend geluid, weergalmend door de stille straten.

Misschien dat je je heel even hebt afgevraagd wat het was, maar na alle waarschijnlijkheid heb je je al gauw omgedraaid, je ogen gesloten en ben je in slaap gevallen. De volgende ochtend was je het geluid alweer vergeten en denk je er nooit meer over na.

Dat zachte, piepende geluid weerklinkt echter iedere nacht wel ergens in de wereld – het maakt niet uit waar, het geluid heeft in iedere uithoek van de wereld de nachtelijke stilte wel eens verstoord.

Het is afkomstig van een klein, rood kinderfietsje dat ’s nachts rondrijdt en op dat fietsje zit een kleine jongen. Zijn gezicht wordt altijd overschaduwd door zijn capuchon en sommige mensen – de enkeling die zijn bed uit is gegaan en de gordijnen heeft opengetrokken – beweren dat zijn handen die het stuur vasthouden, het ene moment beestachtige klauwen zijn… en het volgende moment gewone kinderhandjes.

De waarheid zal altijd in het midden blijven.

Het jongetje fietst helemaal alleen door de nacht. Hij heeft geen ouders. Niemand die over hem waakt, niemand die voor hem zorgt. Maar dat heeft hij ook niet nodig.

Dit is geen gewoon jongetje.

Zijn lippen spreiden zich uit tot een grijns als hij het gehijg en het gebrul achter zich hoort. Hij werpt een blik over zijn schouder, terwijl zijn korte benen door blijven trappen en de fietsbanden over het wegdek blijven rollen.

Gigantische, schaduwachtige gedaantes komen achter hem aan.

De Demonen van de Nacht.

Bladerdaken van de hoogste bomen ritselen wild als de wezens voorbij geraasd komen, alsof een woeste zomerstorm aan de boomtakken trekt, en lange staarten, vleugels en andere uitstulpingen duiken op vanachter de flatgebouwen.

Het jongetje kijkt weer voor zich en zijn grijns groeit als hij de Demonen gefrustreerd hoort brullen; gebrul, dat klinkt als donker onweersgerommel. Hij is zo klein, hij is ongrijpbaar. Maar de Demonen geven nooit op als ze een prooi zien.

Ze leven op mensenvlees.

Het jongetje haast zich door de straten, zijn rode fiets piept en kraakt, hier en daar beweegt er een gordijn achter de ramen of kijkt iemand met samengeknepen ogen naar buiten.

Niemand zal zich de Demonen van de Nacht herinneren. Het enige wat de volgende morgen een indruk achter zal laten, is een klein jongetje op een rode fiets.

Aan het einde van de straat – waar hij niet meer verder kan, waar de weg dood loopt – knijpt hij in zijn remmen. Vanonder de rand van zijn capuchon bekijkt hij de groep mensen die hij hier eerder vanavond heeft verzameld. Mannen en vrouwen, tieners en bejaarden; hij ziet het verschil nauwelijks.

Ze schreeuwen naar hem, hij ziet hun monden de woorden vormen, maar hij hoort hen niet. Als hij met zijn ogen knippert kan hij de draden zien die hij om hen heen heeft gespannen, de draden die hen gevangen houden in een kooi.

In een web.

Hij wendt zich van hen af en draait zijn fiets zo dat hij de Demonen aan kan zien komen.

En grijnst. Het jongetje grijnst altijd.

De Demonen van de Nacht staken hun wilde achtervolging. Ze vertragen, maken zichzelf laag en sluipen op hem af, denkend dat ze hem in de val hebben gelokt.

Wat ze niet weten is dat dit jongetje nog nooit van zijn leven in een val is getrapt.

Hun klauwen zijn enorm, met bruine nagels waar rottende resten van menselijk vlees als gescheurde kledingstukken aan vast zijn blijven haken, en iedere stap die ze zetten doet de straat beven – zoals wanneer de bliksem in de grond slaat. Hun bekken hangen open, hun ruggen rijzen en dalen met iedere hongerige ademhaling, hun tanden blikkeren in het licht van de lantaarnpaal op de hoek.

De gitzwarte, glimmende ogen die diep zijn weggezonken in hun oogkassen, dwalen vluchtig over de mensen die achter het jongetje staan – en hun gehijg neemt toe, kwijl druipt langs hun tanden, ze maken onrustige bewegingen met hun vleugels en staarten.

Het jongetje wacht. Hij wacht geduldig tot de Demonen van de Nacht naar voren gesprongen komen, klaar om hem uiteen te rijten. Maar hij schiet uit de weg, zijn fiets piept en kraakt, en de wezens storten zich in plaats daarvan op de mensen in de kooi. Ze scheuren de draden van het web kapot met hun nagels en het jongetje kan nu flarden van geluiden horen:

Gegil. Gekrijs.

Het gesmak van reusachtige wezens die eten, en hun malende kaken.

Hij ziet het bloed over de straatstenen vloeien, ruikt de metaalachtige geur… en grijnst opnieuw, als hij nieuwe draden ziet ontstaan. Ze spannen zich van gebouw naar gebouw, zijn zo rood als het bloed, en hij kijkt toe hoe de Demonen van de Nacht verstrikt raken in het web.

Ze janken, proberen de draden weer kapot te scheuren met hun klauwen, maar deze keer bieden ze weerstand.

Omdat het jongetje dat wil.

Hij slaakt een zucht van genot en wrijft met zijn hand over zijn knorrende maag. Hij blijft voor het web staan en moet zijn hoofd achterover kantelen om de wezens goed te kunnen zien.

De Demonen van de Nacht leven op mensenvlees.

De Spin, echter, leeft op de harten van monsters.

En hij heeft iedere nacht honger.

 

* * *

 

De gezichten worden nog steeds verlicht door het kampvuur en ik zie wenkbrauwen fronsen, monden vertrekken, neuzen die worden opgetrokken.

‘Als hij ze naar zijn web lokt, waarom offert hij dan die mensen op?’ wordt me gevraagd.

Ik lach; het klinkt als hoog gegiebel en ik zie de fronsen dieper worden. ‘Omdat Demonen met een gevulde maag beter smaken,’ antwoord ik, nog altijd lachend.

Iemand snuift. ‘Dit is gewoon fantasie, dit is helemaal niet echt – je hoort vanavond een spookverhaal te vertellen dat op waarheid gebaseerd is…-’

Zijn woorden raken overstemd door geluiden.

Ritselende boombladeren, alsof een bulderende wind erdoorheen blaast. Gebrul, als onweersgerommel.

Gehijg.

Hongerig gehijg.

Schaduwachtige reuzen komen tevoorschijn vanachter de bomen. De nagels van hun enorme klauwen zinken weg in de aarde, hun tanden en diep weggezonken ogen schitteren in het licht van het kampvuur, hun staarten zwiepen onrustig van links naar rechts.

Ik geeuw, terwijl iedereen overeind springt, meisjes snerpend gillen en jongens hardop vloeken, en werp een achteloze blik op mijn fiets die even verderop tegen een boom staat.

Hij glanst, en is rood van kleur.

‘Men zegt dat de Spin de gedaante van een klein mensenjongetje heeft,’ zeg ik zacht, hoewel niemand me hoort. ‘Maar je moet weten… de Spin heeft vele, vele gezichten.’

De draden van mijn web spannen zich van boom naar boom, overkoepelen ons als een net, en ik kijk toe hoe een jongen erin vast komt te zitten en verslonden wordt door een Demon van de Nacht, die zelf nog niet in de gaten heeft dat hij ook een gevangene is.

Een vlieg, verstrikt in een web.

Een vlieg, van botten en bloed, met een kloppend, kloppend, kloppend hart.

Het water loopt me in de mond.

Ik blijf waar ik zit, geduldig en wachtend zoals ik altijd doe, en kijk toe hoe mijn web de Demonen gevangen nemen. Ze proberen zich los te trekken, brullend en hulpeloos.

Dan kom ik overeind, negeer al het bloed dat om het kampvuur ligt, en rek me behaaglijk uit. Als ik mijn armen laat zakken bekijk ik de Demonen van de Nacht en wrijf over mijn knorrende maag.

Mijn handen groeien. Mijn nagels worden donker en lang, zo scherp als een mes.

Ik grijns.

    Etenstijd.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, De Spin, is geschreven in afwachting van Halloween! En… letterlijk geïnspireerd door vreemde, piepende en krakende geluiden in de nacht, én een rood kinderfietsje dat afgelopen zomer ’s nachts was achtergelaten waar ik woonde. Dat vond ik namelijk best een eng gezicht (kinderspeelgoed in de nacht, er is niets zo freaky als dat, geloof me)… en zo kwam ik op het idee voor dit verhaal. Oftewel: dit is míjn verklaring voor vreemde geluiden in de nacht 😉 En ja, ik slaap prima! 😀 …Jij ook?

Kompas: het Eerste Herfstblad

De ondergaande zon is warm op mijn huid, net als de bries die door het open raam naar binnen waait en met de gekrulde hoeken van mijn brief speelt. Mijn hand zorgt ervoor dat hij niet weggeblazen wordt, terwijl mijn pen over het papier krast:

    Er zijn vier seizoen verstreken sinds de laatste keer dat ik je zag. Ik heb de herfstbladeren zien vallen, het land bedolven zien raken onder sneeuw, de eerste bloemen van de lente zien ontluiken en de zomer de avonden goud zien kleuren.

    Nu ik dit schrijf, staat de zomer weer op het punt om te vertrekken.

    En nog steeds heb ik niets van je gehoord, nog steeds lijk je net zo onbereikbaar als de Verre Landen.

Ik kijk op van mijn brief en werp een blik naar buiten. Ik ruik de kruidige geur van de zomer, de geur van de zon die urenlang op de warme aarde heeft geschenen, en zie de schaduwen van de avond groeien.

Het is bijna tijd.

De Zomergeesten moeten op het punt staan om te vertrekken en zijn aan het wachten tot ik hen het kompas kom brengen, zodat ze hun weg kunnen vinden naar de Verre Landen om daar de zomer naartoe te brengen.

Ik schrijf zo snel als ik kan.

Het is niet moeilijk; de woorden zitten al maandenlang in mijn hoofd en hebben zich aaneengeregen tot zinnen, zinnen die nu voor het eerst onder mijn pen vandaan komen en vastgelegd worden op papier.

De zon reist verder naar beneden. De warme bries verandert in koele wind.

Waar ben je? In welk land, in welk seizoen? Ben je ver weg, of juist heel dichtbij?

    Soms vraag ik me af of ik een kompas nodig zou hebben om je terug te vinden.

    Of zou mijn hart me de weg kunnen wijzen?

Ik schrijf meer, nog veel meer.

Woord na woord stapelt zich op.

Ik rond de brief af, vouw hem zorgvuldig dubbel, stop hem in een envelop, houd hem even tegen mijn gezicht aan en adem diep de geur in. Dan trek ik mijn ketting af, waar een kleine sleutel aan hangt, en loop ermee naar een donkerrode kast in de hoek van de kamer.

De sleutel verzinkt in het slot en ik draai hem opzij. Ik trek de deuren open en kijk naar de plank – de enige plank in de hele kast – waar een houten kistje op ligt. Ik haal de deksel eraf en ruik de zoete geur van wierook. Het kistje is vanbinnen bekleed met saffierblauw fluweel.

Er ligt een kompas in. Hij zit onder de krassen en deuken, heeft weer en wind doorstaan, en is al eeuwenoud. Het is altijd al de taak geweest van mijn familie om de seizoenen de weg te wijzen.

Tegenwoordig ben ik het, die de Seizoengeesten twee keer per jaar verwelkomt en twee keer per jaar op hun weg stuurt naar de Verre Landen.

Met het kompas in mijn ene hand en de brief in de andere, ga ik naar buiten. Ik haast me naar de grasvelden. De sprieten groeien hoog, reiken zeker tot mijn knieën en vangen een gouden glans in de zonsondergang.

Ik vertraag mijn pas echter, als ik zie dat ik niet te laat ben.

De Zomergeesten arriveren zojuist ook; lange, slanke wezens die meters boven een mens uittorenen. In plaats van gezichten hebben ze maskers – rode maskers, met holle ogen die de illusie wekken oneindig diep te zijn. Ze bewegen zich kalm en waden door het gras alsof het water is. Hoewel ze lange armen hebben, lijken hun benen verborgen te gaan onder de rok van een lang gewaad. Ze zien eruit als schaduwen en zijn doorschijnend; ze branden als vuur in de zonsondergang.

Bij de oude, houten brug blijven ze staan, waar ze de oversteek zullen maken en zullen beginnen aan hun reis om de zomer naar de andere landen te brengen. Halverwege hun tocht zullen ze de Wintergeesten tegenkomen, aan wie ze het kompas zullen geven. De Wintergeesten zullen hem terug komen brengen… en na drie maanden weer meenemen, wanneer ze vertrekken en de weg vrijmaken voor de lente.

Ik blijf ook bij de brug staan en kijk op naar de Zomergeesten. Hun lichamen vangen de rode gloed van de zon, maar ze blijven doorschijnend en ik kan de bergen in de verte door hen heen zien dringen.

Eén van de geesten komt naar voren toe en kijkt zwijgend op me neer. Afwachtend. Ik strek mijn hand met het kompas naar hem uit. Hij reikt ernaar en mijn arm wordt iets naar beneden geduwd als zijn lange, schaduwachtige vingers over het kompas strijken – zijn wijsvinger is zo lang als mijn onderbeen. Dan neemt hij het object van me over.

Het kompas lijkt altijd zoveel kleiner in de handen van de geesten.

De Zomergeest vouwt ook zijn andere hand om het kompas, bijna liefkozend, en dan buigt hij voor me. De andere geesten volgen gelijk zijn voorbeeld. Ik buig ook en voel mijn hart bonken van nervositeit; de envelop in mijn hand kraakt zachtjes.

Als ik mijn rug recht, haal ik diep adem en verstevig mijn greep op het papier. Ik adem in, om de Zomergeesten te vragen of ze mijn brief aan hém willen geven, mochten ze hem tegenkomen op hun reis.

Mijn brief, waarin ik aan je vraag hoe het met je gaat.

    Of je net zoveel aan mij denkt als ik aan jou.

    Hoe de seizoenen voor jou zijn, welke kleuren jij ziet en welke geuren jij ruikt.

    En… of je terug zou willen komen.

    Net als de seizoenen.

Het eerste woord van mijn vraag verlaat bijna mijn lippen – maar dan draaien de Zomergeesten zich opeens om en ik volg hun blik.

Iemand steekt de brug over.

Mijn ogen verwijden zich.

De wind blaast zijn donkere haren langs zijn gezicht. Hij draagt een rugtas en een lange, verweerde jas. Hij houdt een stok in zijn hand, die zachtjes op het hout van de brug tikt.

Dan blijft hij echter roerloos staan en staart naar me. Zijn gebruinde gezicht baadt in de gloed van de zon, de wind gaat liggen, ik voel de warmte op mijn huid en hoor de vogels in de verte hun lied zingen.

Een flauwe glimlach trekt aan zijn mondhoeken. Ik zie vermoeidheid in zijn ogen, maar ook warmte. Ik voel diezelfde vermoeidheid. Diezelfde warmte.

Ik lach terug en laat mijn hand met de brief zakken.

Na een laatste buiging vertrekken de Zomergeesten; met trage, schuivende passen lopen ze naar de overkant. Als ze aan het einde van de brug zijn, wordt de wind koeler en de geur die het met zich meebrengt verandert – het is nog steeds kruidig, maar het ruikt niet meer naar warmte. Het ruikt naar bladeren die van groen naar rood, bruin en geel zullen veranderen, het ruikt naar noten die op de grond zullen vallen, paddenstoelen die de plek van bloemen in zullen nemen.

Herfst.

De Zomergeesten verdwijnen in de verte en hij staat nu zo dicht voor me dat ik alleen mijn hand maar uit hoef te strekken om hem aan te raken.

‘Je bent terug,’ fluister ik.

Zijn ogen glanzen in de zon. Zijn glimlach groeit en hij knikt.

En ik laat de brief los, laat de wind alle woorden wegblazen, als het eerste herfstblad van dit seizoen.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Kompas: het Eerste Herfstblad, is het vervolg op Kompas, een verhaal dat ik 25 januari 2018 op dit blog deelde. Deze heb ik speciaal geschreven voor vandaag; 21 september, de eerste dag van de herfst! Een seizoen van nostalgie, noem ik het altijd ❤

Nacht in Bloei

De schaduwen in de plantenkas zijn roerloos.

Nacht. Het is een tijd van stilte, een tijd waarin de wereld zijn adem inhoudt. De planten en bloemen die overdag zo kleurrijk zijn, gaan nu gehuld achter een sluier van blauw, grijs en zwart. Een houten brug leidt over planten en water, de leuning is begroeid met lianen en bloemen die zich hebben dichtgevouwen. Bomen torenen boven hen uit, houden de wacht, altijd wakend, en hun bladerdaken vangen het zilveren maanlicht dat door de dakramen naar binnen valt.

Er is één boom die bijna het glas raakt, alsof hij er alles aan doet om overdag zoveel mogelijk zonlicht te drinken, en ’s nachts opkijkt naar de maan.

Eigenlijk zijn het twee bomen: de één heeft een stam zo wit als sneeuw, de andere schors zo donker als chocolade. Ze zijn met elkaar verstrengeld, hun takken zijn met elkaar verwikkeld, hun bladerdaken overlappen elkaar.

Als twee geliefden, onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Stil, het is er zo stil als je van een plantenkas verwacht – totdat er een geluid van buiten naar binnen dringt. Het zijn de slagen van een klok, langzaam weergalmend door de nacht.

Het zijn twaalf slagen.

Middernacht.

De laatste slag sterft weg… maar dan wordt de stilte opnieuw verbroken.

Geritsel: bladerdaken die zich van elkaar losmaken.

Geschuifel: takken die zich uitrekken als vingers of armen.

Gezucht: twee bomen die van elkaar weg leunen en beginnen te krimpen, van vorm veranderen, allebei een eigen gestalte krijgen.

Gelach: een jonge man en een jonge vrouw die hun handen met elkaar verstrengelen.

Hij is zo donker als chocolade, met kleine witte bladeren als haren; zij is zo wit als sneeuw, en grote donkere bladeren groeien uit haar hoofd en reiken tot ver over haar rug.

Hand in hand dwalen ze langs het water, badend in het maanlicht, en de planten langs de kant beginnen te bewegen zoals ze zouden doen in de wind. Hand in hand beklimmen ze de stenen trap die naar de houten brug leidt en de planten beginnen te groeien groeien, volgen hen de treden op, alsof ze uit alle macht bij hen willen blijven. Hand in hand blijven ze op de brug staan vanwaar ze uitkijken over de kas; de bloemen op de leuning ontluiken. De dauwdruppels op hun bladeren glanzen onder de gloed van de maan, ze glinsteren als sterrenstof.

Ze lopen verder, geruisloos als geesten in de nacht, terwijl de kas tot leven komt met geluid. Het lijkt op geritsel, maar in hun oren klinkt het als gefluister.

De planten spreken.

Ze vertellen verhalen, delen geheimen van diep uit de aarde. Verhalen en geheimen waar ze zelf alles van weten, maar ze luisteren aandachtig, fluisteren terug, en brengen daarmee iedere boom, plant en bloem tot leven.

Uren verstrijken. Een warme bries blaast door de kas, de maan reist van links naar rechts, de bladerdaken van de bomen ruisen en bloemen laten hun bladeren los voor een dans door de lucht. Verse bladeren groeien terug op het moment dat de jonge man en vrouw hen aanraken, en bomen laten hun takken zakken om hen erin te laten klimmen.

De nachthemel wordt opgelicht. De maan verbleekt. De zon rijst op.

Haar adem stokt als ze door het glas naar buiten kijkt; iedere ochtend weten de eerste zonnestralen haar te betoveren en lijken haar ogen blauw, paars en roze te zijn, alle kleuren van de vroege morgen. Hij slaat zijn armen om haar heen, trekt haar tegen zich aan en glimlacht als ze haar hand tegen zijn borst legt.

Ze kijken samen naar de zonsopgang, terwijl de wind in de kas gaat liggen, de bomen tot rust komen, de planten en bloemen stoppen met fluisteren, en ze zelf vergroeien met de aarde onder hun voeten. Hun lichamen torenen de lucht in, hun armen en vingers groeien uit tot takken en hun haren veranderen in bladerdaken.

De nacht is uitgebloeid.

Voor nu.

 

* * *

 

De warmte van de kas doet haar koude wangen tintelen; buiten waait de bijtende wind van de winter, de wind die de bladeren van de bomen heeft gestolen… de wind, die deze kas nooit zal weten te bereiken.

Ze komt hier iedere dag; het is haar werk om voor de planten te zorgen.

En om de geheimen van deze kas te bewaren.

Haar ogen dwalen in het rond, over alle bloemen, de groene planten, de bomen die trots en rijzig boven haar uittorenen.

Dan blijft haar blik rusten op twee bomen die met elkaar verstrengeld zijn, de één zo wit als sneeuw en de andere zo donker als chocolade.

Onafscheidelijk, als twee geliefden.

Ze glimlacht.

Dat zijn de bomen die ze zocht. De bomen die ze iedere dag op een andere plek aantreft.

Want dit is een kas van magie.

Dit is waar de nacht in bloei staat.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Nacht in Bloei, is geïnspireerd door mijn uitstapje deze zomer naar de Hortus Botanicus (klik hier voor foto’s!). Ik vond de kas heel mooi en interessant, en vroeg me af hoe het moest zijn om er ’s nachts rond te lopen… Wie zegt dat dit niet écht gebeurt als er niemand kijkt? 😛

Ik Ben Jouw Droom

Haar voetstappen weergalmen door de stille avond – net als het lage gebrom van de bus die wegrijdt.

Hijgend blijft ze bij de halte staan, terwijl ze de bus verderop links de hoek om ziet slaan. Hij verdwijnt uit haar zicht en haar ogen beginnen te branden. Haar zicht wordt wazig en ze veegt gauw de tranen uit haar ogen.

Ze huilt niet omdat ze de bus heeft gemist.

Nee, dat is gewoon de laatste druppel na een dag als vandaag; een dag waarop er heel veel druppels zijn gevallen, zo veel dat ze nu over de rand lopen en als tranen over haar wangen biggelen.

Een scherp gevoel vult haar keel. Ze veegt de tranen opnieuw weg en laat zich neerzinken op het bankje van de bushalte. Ze haalt schokkerig adem en staart voor zich uit, met haar tas in haar armen geklemd.

Vandaag zijn haar dromen in duigen gevallen, kapotgeslagen door iemands woorden: ‘Je leeft in je eigen fantasie. Je droom is gewoon een droom; het zal nooit realiteit kunnen worden.’

Ze sluit haar ogen en drukt de rug van haar hand tegen haar mond. Haar schouders schokken en iedere snik doet pijn, iedere snik lijkt haar hart een stukje verder uit elkaar te scheuren.

Haar hart; haar droom.

Niemand lijkt in haar te geloven. En als niemand in haar gelooft, hoe kan ze dan nog in zichzelf en haar droom geloven?

Een warme bries tilt de rok van haar jurk op en blaast de lange haren van haar schouders. Ze opent haar ogen en kijkt aarzelend op.

Er is een bus voor de halte gestopt, die ze niet eens aan heeft horen komen. Het voertuig wordt schemerig verlicht door de lantaarnpalen langs de weg en hij is geel van kleur. De deuren zijn opengeschoven en de bus lijkt geduldig op haar te wachten tot ze in zal stappen.

Ze blijft zitten.

Vreemd, de volgende bus hoort pas over een half uur te komen. Ze kijkt om zich heen. De straat is uitgestorven en de avond lijkt opeens veel donkerder te zijn; de wolken pakken zich samen en de geur van regen hangt zwaar in de lucht.

Aarzelend komt ze overeind en loopt naar de bus toe. Dan blijft ze echter staan, starend naar de buschauffeur.

Hij is jong, lijkt amper oud genoeg om achter het stuur te mogen zitten. Een tiener. De mouwen van zijn overhemd zijn opgestroopt en zijn armen zijn tanig. Hij glimlacht naar haar en tikt tegen zijn pet ter groet, waarna hij gebaart dat ze kan gaan zitten. Hij zegt niets.

De eerste dikke regendruppels vallen naar beneden. Ze stopt met aarzelen, knikt terug naar de buschauffeur en haast zich naar binnen. De bus is leeg, er is geen passagier te bekennen. Ze gaat in het midden zitten, naast het raam, en dan sluiten de deuren zich. Met een schok trekt de bus op en rijdt weg van de halte.

Ze draait haar gezicht naar het raam en slikt; de brok in haar keel is nog steeds scherp. Ze voelt verse tranen opwellen, veegt ze voor een zoveelste keer weg en laat haar hoofd tegen het koele glas van de ruit rusten.

Kon ze deze dag maar vergeten.

Kon deze bus haar maar ver, ver weg brengen, naar een andere wereld waar dromen wél uitkomen.

Ze glimlacht zwakjes bij dat idee en sluit haar ogen.

 

* * *

 

Als ze haar ogen weer opent, heeft ze geen idee hoeveel tijd er is verstreken.

En ze weet nog minder waar ze is.

Met een ruk tilt ze haar hoofd op en staart uit het raam naar buiten. Ze zou de stad moeten zien, een straat, andere auto’s, voetgangers. Maar dat is niet wat ze ziet.

Ze ziet water.

Het is overal.

Alsof ze in een oceaan rijden.

Het water is helderblauw en ze ziet banen van zonlicht naar beneden schijnen. Ze staart naar de vissen die rondzwemmen – grote vissen die rakelings langs het raam glijden met glanzende schubben; kleine vissen die zich in scholen verplaatsen, net zo sierlijk als een vogelzwerm. Ze ziet koraal in alle mogelijke kleuren en dan blijft haar blik rusten op een zeester met vijf armen die zichzelf vastkleeft met zijn zuignappen aan het raam; hij heeft een dieprode kleur, en…

En wordt opeens blauw, zo blauw als de nachthemel.

Ze knippert met haar ogen, wendt zich van de zeester af en knippert nogmaals als ze ziet dat het water donkerder is geworden. De banen van zonlicht zijn verdwenen, de vissen en het koraal ziet ze ook nergens meer.

In plaats daarvan ziet ze kwallen, die blauw, roze, paars opgloeien in het water. Ze lijken te zweven, gewichtsloos, en hun lange tentakels golven achter hen aan. Ze deinst terug als de tentakels langs de ramen strijken, maar stopt dan.

Ze kunnen haar immers niets doen vanachter het glas.

Voorzichtig legt ze haar handen tegen het raam en volgt de tientallen lichtgevende kwallen met haar ogen. Ze zijn adembenemend mooi en voor ze het weet begint ze zacht te lachen.

Dit zou niet mogelijk moeten zijn. Maar het is prachtig.

Als een droom.

Ze leunt weg van het raam, werpt een blik op de buschauffeur die zijn handen losjes om het stuur geklemd houdt, en voelt de vragen op haar lippen branden; waar zijn we?

    Is dit een droom?

Maar voor ze iets kan zeggen, klinkt er een ruisend geluid; het water begint wild te golven en daalt naar beneden. Schuimkoppen spoelen langs de ramen, ze verliest de kwallen uit het oog, de zeester laat los, al het water spoelt langs de bus…

En ze rijden een eindeloze sterrenhemel in.

Haar adem stokt als ze vogels tussen de sterren ziet vliegen; vogels, zo rood als vuur; vogels, zo wit als ijs. Hun veren glinsteren en hun lange staarten maken zwiepende bewegingen, telkens als ze een duik naar beneden maken en weer omhoog vliegen.

Ze schudt haar hoofd en voelt haar hart bonken.

Dan remt de bus af en als ze voetstappen achter zich hoort, draait ze zich om naar de buschauffeur. Zijn donkerblonde haar is warrig en komt in krullen onder zijn pet vandaan, en nu ze hem aankijkt ziet ze dat zijn ogen bruin zijn.

‘Droom ik?’ vraagt ze zacht. ‘Is dit… nep?’

Hij houdt haar blik vast. ‘Dat ligt aan jou,’ antwoordt hij na een stilte. ‘Een droom in je slaap is niet anders dan een droom in je hoofd, een droom die je najaagt en waarheid wil maken. Dus als jij gelooft dat dít echt is, dan is het echt. Als jij gelooft dat een droom waarheid kan zijn, dan is het waarheid.’

Het lukt haar niet om iets te zeggen en dan steekt hij zijn hand naar haar uit. Hij trekt haar overeind; hij is iets langer en kijkt met een glimlach op haar neer. ‘Je kan alles bereiken wat je wil – zolang je er maar in gelooft dat het mogelijk is.’

‘Alles?’ herhaalt ze.

Hij knikt.

Ze draait zich terug naar het raam en beeldt zich in hoe het glas verdwijnt. Met ingehouden adem steekt ze haar hand uit-

Het glas is weg.

Haar ogen worden groot, maar dan klautert ze de bus uit. Ik zal niet vallen, zegt ze in haar hoofd als ze zichzelf naar beneden laat zakken. Ze kijkt naar de sterrenhemel onder haar – maar voelt hoe haar voeten vaste grond raken. Ze hoort het opspattende geluid van water en ziet rimpelingen rond haar voeten ontstaan.

Ze valt niet in de eindeloze dieptes van het heelal… maar staat in water, dat de sterren weerspiegelt.

Een warme hand sluit zich om de hare en ze kijkt op in zijn bruine ogen. Hij lacht, trekt haar met zich mee en samen rennen ze door het water dat wild opspat tegen hun benen. Soms blijven ze staan en steken hun armen uit, en dan landen de vogels op hun uitgestrekte handen. Ze strelen hun vleugels, totdat de vogels ze uitslaan en de lucht weer in stijgen.

De vogels lijken tussen de sterren te dansen en ze kan zich niet van hen afwenden, totdat ze een hand op haar schouder voelt. Ze draait zich naar hem om en hij steekt één rode en één witte veer in haar haren, precies achter haar oor.

Een warme glans raakt zijn ogen als hij weer naar haar glimlacht. ‘Geloof,’ zegt hij zachtjes, ‘en alles, álles is mogelijk.’

 

* * *

 

Haar ogen gaan open op het moment dat de bus afremt.

Ze kijkt gedesoriënteerd om zich heen. Het is nog steeds avond en buiten regent het. De deuren zijn opengeschoven en haar blik valt op een bushalte, die vlakbij haar huis ligt.

Is ze in slaap gevallen?

Terwijl ze haastig opstaat veegt ze de haren uit haar gezicht; ze voelt zich soezerig en warm, en verliest bijna haar evenwicht, maar ze grijpt zich net op tijd beet.

Dan blijft haar blik rusten op de rok van haar jurk. Er zitten natte vlekken op. Als van… water.

Haar hart mist een slag en dan reikt ze naar haar oor.

Ze trekt een rode en een witte veer uit haar haren.

Voor een moment kan ze er alleen maar naar staren. Dan draait ze zich om en ziet de jonge buschauffeur naar haar kijken. Hij leunt half uit zijn stoel, glimlacht en tikt tegen zijn pet.

‘Het was echt,’ brengt ze uit. ‘Alles was echt.’

‘Iedere droom is echt.’ Hij trekt zijn schouders op en blijft glimlachen. ‘Zolang…’

‘…je maar gelooft dat een droom waarheid kan zijn,’ maakt ze de zin af. Ze kijkt weer neer op de veren in haar hand.

‘Je kan beter naar huis gaan. Het is al laat,’ voegt hij eraan toe.

Ze schrikt op, knikt en stapt uit de bus. De regen maakt haar haren en jurk vochtig, maar ze voelt het nauwelijks – ze draait zich om naar de bus en haast zich naar de ingang voor de deur kan sluiten. Hij heeft zijn handen alweer om het stuur gesloten en trekt zijn wenkbrauwen op als hij haar ziet staan.

‘Wie ben je?’ vraagt ze en ze moet haar stem verheffen om boven de regen uit te komen.

Hij wacht even voor hij iets zegt, kijkt langs haar heen en knijpt zijn ogen nadenkend samen. ‘Ik ben jouw droom,’ antwoordt hij ten slotte. ‘Je stond op het punt om me los te laten. En dat is het laatste wat je moet doen met een droom; dromen zijn er om vast te houden. Om in te geloven. Om waar te maken.’

Ze brengt haar hand omhoog om de regen uit haar ogen te houden. ‘Dankjewel,’ zegt ze, ‘dat je gekomen bent.’

Hij glimlacht voor een zoveelste keer en dan mondt die glimlach uit tot een lach. Hij zwaait naar haar en de deuren sluiten zich. De bus rijdt van haar weg en ze blijft bij de halte staan, in de regen, totdat het voertuig in de verte verdwijnt.

Ze lacht zelf ook, heft dan haar gezicht op naar de lucht en sluit haar ogen. De regen kriebelt op haar voorhoofd en wangen, de druppels glijden als tranen over haar huid.

Maar ze huilt niet langer.

De regen spoelt haar verdriet weg, haar onzekerheid, al haar pijn.

Want ze gelooft. Ze gelooft dat alles, álles mogelijk is.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Ik Ben Jouw Droom, is geschreven voor iedereen die een droom heeft; een droom die je waar wil maken. Want zolang je gelooft – in je droom, maar vooral ook in jezelf – dan is álles mogelijk ❤ BE STRONG, BE HAPPY!

Tik Tak

Tijd is een monster.

De demon raast door de nachtelijke hemel. Slagtanden. Scherpe klauwen. Bodemloze putten in plaats van ogen. Een mond zo groot, dat als hij hem openspert alles verzwolgen raakt. Zijn lange lichaam kronkelt in de wind.

Tijd leeft van momenten, van minuten, uren, dagen. Tijd slokt de secondes op, verandert jaren in weken, en nog steeds heeft ze niet genoeg. 

Nooit genoeg.

Het wolkendek breekt open en de demon duikt naar beneden toe; zijn mond begint te wateren als hij de mensenmassa op de straten ziet, zo klein en nietig in verhouding met hun wolkenkrabbers die arrogant de hemel in torenen.

Tijd raast van het ene punt naar het andere punt, en niets en niemand blijft onaangetast. Tijd verslindt alles en iedereen, altijd op zoek naar haar volgende maal. Tijd kent geen rust, geen stilstand. Tijd moet verder.

Altijd verder.

Met een brul duikt de demon naar beneden toe. In eerste instantie reageert niemand – maar dan ziet de demon de eerste gezichten zich naar boven wenden. Eerst bevriezen ze. Dan slaan ze op de vlucht.

Paniek. Chaos.

De demon grijnst, zijn slagtanden lijken te groeien, en hij komt dichterbij, alsmaar dichterbij tot hij beneden is. Gegil, gehuil; het klinkt melodieus in zijn oren. Hij voelt zijn hartslag versnellen en hoort de slagen doordreunen in de grond, in het ritme van een klok.

Tik tak.

Hij verslindt iedereen die op zijn pad komt en keert terug voor de zielen die hij mist. Zakenmannen in dure pakken, vrouwen op hoge hakken, scholieren met rugtassen – het maakt hem niet uit wie ze zijn, welke hoop ze voor de toekomst hebben.

Alles draait om zijn leven. Zijn toekomst.

Hij laat een spoor van bloed en ravage achter, maar hij is nog lang niet klaar. Met al zijn kracht ramt hij zichzelf in de wolkenkrabbers, hij doorboort ze met zijn lichaam en raast door de kantoren, waar mensen gillend opspringen en tevergeefs op de vlucht proberen te slaan.

Puinbrokken vliegen in het rond als hij naar buiten gebarsten komt en zijn gelach klinkt als donker gerommel in de hemel. Zijn slagtanden glanzen in het licht van de maan en zijn holle oogkassen vestigen zich op een reusachtig flatgebouw; reusachtig, maar toch zo kwetsbaar.

Niets en niemand is tegen hem opgewassen.

Hij maakt meer vaart, ramt zichzelf het flatgebouw in en zoekt zich een weg door alle kamers. Hij vernietigt de muren, gooit alle meubels en eigendommen omver, verplettert en verscheurt de bewoners. Hij slaat zichzelf door muur na muur.

En stopt dan.

Het gaat niet vrijwillig; opeens verliest de demon de controle over zijn lichaam en blijft hij bewegingsloos in de lucht hangen. Hij is in een donkere kamer, schemerig verlicht door een aantal kaarsen.

In het midden van de kamer zit een meisje in kleermakerszit op de vloer. Haar handen rusten op haar knieën. Ze is klein en verfijnd. Strengen haar omlijsten haar mooie gezicht, waar een serene uitdrukking op ligt – een uitdrukking die zelfs niet verstoord raakt als ze haar blik opslaat en de demon ziet.

Er klinkt een diep gegrom vanuit zijn keel. Zijn klauwen jeuken om het meisje aan flarden te scheuren, zijn mond watert om haar vlees te proeven.

Maar hij kan niets meer.

Het meisje beweegt zich ook niet. Ze staart alleen maar naar de demon, een nachtmerrieachtig wezen dat alle mensen gillend op de vlucht doet slaan.

Ze is niet bang. Angst bestaat niet voor haar.

Zonder met haar ogen te knipperen blijft ze naar de demon staren – wiens adem stokt, als hij voelt hoe alle kracht zijn lichaam verlaat. Voor het eerst ervaart de demon wat angst is als zwakte hem overneemt. Zijn nagels worden bruin, dan zwart, laten opeens los en vallen met tikkende geluiden op de grond.

Tik tak, lijken ze te zeggen. Tik, tik, tak, tak.

Zijn woeste haren worden dunner en vallen uit; hij voelt zichzelf krimpen, verschrompelen. Alsof de tijd hem plotseling inhaalt, nadat hij eeuwenlang de wereld heeft geterroriseerd.

Het meisje kijkt kalm toe hoe de demon uit elkaar valt en verschrompelt, tot hij weinig meer lijkt te zijn dan een papierprop. De prop vat vlam, lijkt zichzelf op te vreten… en verdwijnt.

Er is geen spoor meer te bekennen van de demon.

De kaarsen in de kamer knisperen en de wind giert zachtjes, die door het gat dat in de muur is geslagen naar binnen blaast. Het meisje ademt langzaam uit en glimlacht.

Kleine, scherpe tanden komen vanonder haar bovenlip tevoorschijn en haar ogen glanzen hongerig.

Tijd is een monster. Niets en niemand blijft onaangetast; zelfs de vreselijkste demonen van de wereld niet. Tijd verslindt alles en iedereen, altijd op zoek naar haar volgende maal.

Tijd is een monster. Een onzichtbaar monster, dat je pas zal herkennen als het te laat is.

Ze likt met haar tong langs haar lippen.

‘Tik tak,’ fluistert ze.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Tik Tak, is geïnspireerd door de tijd; alles lijkt alsmaar sneller te gaan, de weken vliegen gewoon voorbij. Ik bedacht me laatst dat de tijd eigenlijk een monster is, een monster dat alles verslindt… en daar is dit verhaal uit voort gekomen 🙂

Het Eind is het Begin

Ik heb de tijd van mijn leven.

De zon is warm op mijn schouders en de zee is een palet van blauw en groen. Ik proef zout op mijn lippen, luister naar het gelach van mijn vrienden dat over het strand schalt, voel mijn spieren branden van kracht.

Vandaag lijkt eindeloos te zijn. We hebben in de zee gezwommen met gevleugelde dolfijnen, terwijl we ons aan hen vasthielden met iedere hoge sprong die ze namen. Ze bleven boven het wateroppervlak zweven met gespreide vleugels en eenmaal terug onder water, klonk hun gezang melodieuzer dan ieder lied dat ik ooit heb gehoord.

We hebben gesurft op hoge golven, samen met reusachtige schildpadden wiens roze, paarse en oranje schilderingen op hun schilden leken te bewegen in het zonlicht.

Daarna zijn we de lucht in gestegen op de rug van pelikanen, wiens vleugels glinsterden als waterdruppels en diamanten. Ik had mijn armen om de nek van het dier geslagen, die met krachtige vleugelslagen door de blauwe hemel zeilde, en ik lachte om de kreten van mijn vrienden.

Een dag vol magie, energie, blijdschap.

Een dag om nooit te vergeten.

Zodra de vogels op de grond zijn geland rennen we over het strand heen, voelen de korrels langs onze blote voeten schuren en de wind aan ons trekken. We spreiden onze armen, alsof we zelf kunnen vliegen en kunnen gaan waar we maar willen.

Dagen als deze doen me geloven dat het leven grenzeloos is.

Als de zon langzaam naar beneden begint te zakken, gaan we op weg naar het kleine restaurant verderop; een houten huisje met tafels die buiten in het zand staan, gele lichtjes die voor de ramen hangen, een surfplank die op het dak ligt.

Terwijl mijn vrienden voor me uit rennen, vertraag ik mijn pas tot ik stilsta. Ik kijk naar hen, luister weer eens naar hun gelach… en slik moeizaam.

Ik heb de tijd van mijn leven; dit is een dag om nooit te vergeten; dagen als deze doen me geloven dat het leven grenzeloos is-

En toch krijg ik een zwaar gevoel in mijn buik.

Een soort angst. Een soort verdriet.

Opeens ben ik bang om dit kwijt te raken. Deze dag, deze gevoelens, deze vrijheid. Ik zou willen dat al deze momenten tastbaar waren, objecten die ik kan bewaren en nooit kwijt kan raken.

Mijn vrienden stoppen vlak bij het restaurant en kijken vertwijfeld naar me om. ‘Hé, waarom blijf je achter?’

Het lukt me niet om iets te zeggen. Ik kijk naar mijn vrienden, bestudeer hun gezichten, knipper met mijn ogen alsof ik foto’s maak met een camera.

Eén van mijn vriendinnen komt naar me toe. Haar rode haar wordt van haar schouders geblazen door de wind en ze raakt mijn arm aan. ‘Wat is er?’

‘Ik wil niet dat deze dag eindigt,’ breng ik uit. ‘Vandaag is geweldig en we zullen het nooit meer terugkrijgen. Het zal een herinnering worden, maar ik zou willen dat het voor eeuwig zo kon zijn.’

Voor een moment zegt ze helemaal niets en bestudeert ze me alleen maar. ‘Natuurlijk komt vandaag tot een eind,’ begint ze dan, ‘natuurlijk krijgen we deze dag nooit meer terug. Alles wordt uiteindelijk een herinnering. Iedere dag, ieder moment. Maar het eind van deze dag is niet het einde van mooie dagen; het is het begin.’

‘Het begin…?’ herhaal ik aarzelend.

Ze knikt. ‘Na vandaag zullen er nog meer mooie dagen volgen. Misschien lijkt het er nu op dat geen enkele dag nog aan vandaag zal kunnen tippen, maar er zullen nog genoeg momenten in je leven volgen die je zal gaan koesteren. Het eind is gewoon het begin van iets nieuws – en dat is alleen maar mooi, toch?’

Als ze zich omdraait naar onze andere vrienden, beginnen ze te grijnzen. Eén van hen steekt zijn duim naar me op, een ander lacht haar tanden bloot.

Ik laat de woorden tot me bezinken, terwijl ik achter mijn rug de zee hoor ruisen, de gevleugelde dolfijnen hoor zingen en de pelikanen hoor krijsen in de hemel.

Vandaag is een prachtige dag.

Maar er zullen nog veel meer prachtige dagen volgen. De toekomst ligt voor me, weids en klaar om stukje bij beetje ingevuld te worden als een kleurplaat. En hoe helder en briljant die kleuren worden, dat beslis ik zelf.

Ik glimlach naar mijn vrienden, fluister ‘Dankjewel’ als er een arm om me heen wordt geslagen. We gaan aan één van de tafels zitten, praten en lachen zonder zorgen.

En ik denk niet meer aan het eind.

Ik denk alleen nog maar aan het begin.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Het Eind is het Begin, is gewoon een herinnering aan iedereen die soms iets te veel met het einde bezig is 😉