Welkom, Lucien

Er ligt een deken van mist over de straten.

Hij is als een schaduw in de nacht, zijn voetstappen zacht en zijn bewegingen doelbewust.

De huizen zijn donker. Iedereen slaapt, diep en onwetend. Zijn blik blijft rusten op het huis waar de flakkering van kaarslicht te zien is vanachter de gordijnen. Rimpelingen verschijnen in de ondiepe waterplas waar hij doorheen loopt, zijn schoenzolen laten natte afdrukken achter op het stenen paadje naar de voordeur.

Zijn spieren staan gespannen als hij aanklopt.

Hij steekt zijn koude handen in zijn zakken en kijkt steels om zich heen, wachtend tot er opengedaan wordt; hij weet zeker dat hij ogen in zijn rug voelt priemen.

Ogen, die hem altijd in de gaten houden.

Iedere stap die hij zet. Iedere beweging die hij maakt.

Als de deur opengaat, kijkt hij langzaam op. Een kalende man staart hem aan; wallen van slaaptekort werpen schaduwen onder zijn ogen, zijn baard is slordig en zijn schouders hangen naar beneden van vermoeidheid, toch is zijn blik alert als hij hem bestudeert. Een frons dringt zich op aan zijn voorhoofd.

Toen de man uit pure wanhoop een priester belde, was dit waarschijnlijk niet wat hij in gedachten had: een jonge man – slechts een jongen in zijn ogen – die hem aankijkt vanonder de rand van zijn hoed, zijn handen verborgen in de diepe zakken van zijn jas, waar jeans en sneakers onder vandaan komen.

‘Vader Wolf?’ vraagt de man aarzelend.

Wolf knikt.

De man dempt zijn stem tot hij fluistert: ‘De exorcist…?’

‘U zei dat u mijn hulp nodig heeft.’

De vermoeidheid keert terug, een grauwe sluier trekt over zijn gezicht. ‘Ja,’ zegt de man schor. Hij kijkt eerst de straat rond, om zeker te weten dat geen van de buren hen ziet, en stapt dan opzij om hem binnen te laten.

Het huis is schemerig verlicht met enkele lampen en kaarsen. Het is er stil, een doods soort stilte, de stilte voor de storm. Wolf voelt zijn hartslag versnellen en dwingt zichzelf diep adem te halen.

Kalmte. Dat is wat hij nodig heeft.

‘Vader?’ Een vrouw, van dezelfde leeftijd als de man, komt uit een kamer gestapt. Ze bekijkt Wolf met dezelfde vertwijfelde blik als haar echtgenoot, maar ze herstelt zich sneller dan hij. Tranen vullen haar ogen. ‘Kunt u haar helpen? Alstublieft… We weten niet wat we moeten doen. De dokters kunnen niet helpen en ze is…- Ze is onhandelbaar,’ voegt ze er verstikt aan toe. ‘Ze is niet onze Carina meer. Ze spreekt in tongen die we niet kunnen verstaan.’

‘Hoe lang is uw dochter al bezeten?’ vraagt Wolf zachtjes.

Hun ogen verwijden zich. De man en de vrouw wisselen een ongemakkelijke blik. De man schudt zijn hoofd. ‘Maanden-’

‘Vier maanden,’ antwoordt de vrouw. ‘Vier maanden geleden werd ze… anders.’

‘Waar is ze?’

‘In haar kamer.’ De man slikt. ‘We hebben haar opgesloten.’

Wolf heft zijn kin op en volgt de man als hij hem door het huis leidt. Ze stoppen voor een deur, waarachter geen enkel geluid te horen is. Met trillende handen haalt de vader een sleutel tevoorschijn. Hij kijkt Wolf weifelend aan. ‘Zal ik…?’

‘Als ik zo meteen binnen ben,’ begint Wolf, zijn stem laag en kalm, ‘draai dan direct de deur weer op slot. Doe niet open en kom niet naar binnen, totdat ik zeg dat de kust veilig is – wat jullie ook horen. Begrepen?’ Hij kijkt van de man naar de vrouw, die stilletjes achter hen staat.

‘Kunt u haar redden, vader?’ fluistert de vrouw.

Wolfs kaken verstrakken en hij voelt zijn borst heel even verkrampen. Hij kan haar blik niet langer vasthouden, en slikt voordat hij zegt: ‘Ik doe wat ik kan.’

Hij gebaart naar de vader om open te doen. Hoewel zijn handen nog altijd beven, weet hij de sleutel in het slot te steken. Hij draait hem opzij. Wolf sluit zijn hand om de deurklink, duwt hem naar beneden, duwt de deur open op een kier.

Een zure stank dringt zijn neus binnen.

Urine. Zweet. Maar ook iets anders, iets dat niet van deze wereld is. Een geur die hij maar al te goed kent.

Voor een moment sluit hij zijn ogen. Hij probeert niet te diep in te ademen en recht zijn schouders. Dan stapt hij de kamer binnen, waarna hij direct de deur achter zich dicht doet.

Zoals hij hem had opgedragen, hoort hij hoe de vader het slot gelijk vergrendelt.

Er brandt slechts één lamp.

Ze is een kleine gedaante, neergehurkt in de hoek van de kamer. Wolf weet dat ze al zeventien is, maar ze is zo mager en fragiel dat ze eerder een klein kind lijkt. De wallen onder haar ogen zijn nog donkerder dan die van haar vader en zelfs in de duisternis kan hij zien hoe bleek ze is. Zo wit als een lijk.

Ze is als een skelet, omspannen met een huid zo doorschijnend als het dunste papier.

Het enige wat ze aan heeft is een dunne nachtpon met vlekken en scheuren – te koud voor een herfstnacht als deze. Te koud voor een kamer gevuld met de ijzigheid van de andere wereld.

De ijzigheid van demonische aanwezigheid.

Langzaam doet Wolf zijn hoed af. Hij zet hem op het nachtkastje, onder de lamp, en wrijft een paar woeste krullen van zijn voorhoofd. Hij houdt zijn jas echter aan en wendt zich geen moment van het meisje af.

Ze staart naar hem, roerloos, haar ogen bodemloze putten.

‘Carina?’ vraagt hij behoedzaam.

Ze knippert met haar ogen. Heft met een schokje haar hoofd op.

Een grijns verwringt haar mond; haar uitgedroogde lippen beginnen te bloeden en Wolf verstijft als hij een zwarte veer tussen haar tanden ziet uitsteken.

Haar vader heeft hem vanavond aan de telefoon verteld dat Carina weigert om nog te eten. En als ze eet, dan zijn het dode dieren. Vogels, die ze op de één of andere manier op straat vindt als ze weer heeft weten te ontsnappen uit het huis.

‘Vader Lucien Wolf,’ raspt ze. ‘Wat leuk dat je er bent.’

Als ze vervolgens weer praat, komt er een andere stem uit haar keel; hees, onmenselijk: ‘We hebben op je gewacht.’

Haar gezicht verandert ook – heel even gloeien haar ogen op als kolen. Het volgende moment doven ze weer, maar groeien haar tanden. Daarna verdwijnen ook die weer en ontstaan er schubben op haar huid, bijna als die van een vis.

De taal die ze daarnet sprak was geen menselijke taal. Het was de taal van demonen.

Een taal die Wolf moeiteloos verstaat.

‘Ik ben er nu,’ bromt hij. ‘Dus jullie kunnen gaan. Laat mij dit afhandelen en dan zijn we klaar.’

‘Hmm?’ Haar stem is opeens hoog, haar ogen beginnen te fonkelen en ze draait haar hoofd opzij. ‘Wat hebben we een haast. Dat is niet leuk…’

‘Ik heb meer te doen vanavond,’ snauwt Wolf.

De hese stem van daarnet keert terug en haar ogen gloeien weer rood op: ‘Maar we hebben elkaar al zo lang niet meer gezien, Lucien… Het is al maanden geleden.’

‘Ga,’ zegt hij slechts.

Hij verstijft als ze zich overeind drukt en klemt zijn kaken op elkaar als hij ziet hoe verzwakt ze is. Ze strompelt naar hem toe met gebogen knieën, verliest haar evenwicht en grijpt zich aan hem vast door haar vingers als klauwen in zijn jas te slaan. Giebelend – alle stemmen giebelen, minstens vier – heft ze haar gezicht naar hem op. Haar bloedende lippen glanzen.

‘Wat hebben jullie met Carina gedaan?’ gromt Wolf.

‘Plezier gehad,’ grinnikt een demon.

‘Ze is zo bang voor ons,’ hijgt een ander, ‘het is heerlijk.’

‘Ga,’ herhaalt Wolf, vechtend tegen zijn opvlammende woede; zijn handen beginnen te beven. ‘Jullie hebben haar lang genoeg geteisterd.’

Ze kijkt naar hem op, haar gezicht ontdaan van emotie. ‘En dan,’ raspt ze, ‘breng jij haar straks naar ons toe. Nietwaar… Wolf? Ze komt bij ons. Ze hoort bij ons,’ ademt ze.

Wolf klemt zijn lippen opeen en houdt zijn adem in om niet de stank te ruiken.

‘Goed dan. Jij je zin,’ zucht ze. Ze kijkt langs hem heen met een verre blik, sluit haar ogen, slaakt een diepe zucht – maar het zijn meerdere zuchten, samengesmolten tot één, en ze gieren door de kamer, doen de gordijnen wapperen en de lamp flikkeren. De vloer trilt en Wolf zet zich schrap, terwijl hij een bezorgde blik op de ramen werpt die zachtjes rinkelen. Hij ziet de eerste scheur al ontstaan…-

De zucht stopt. Haar greep op zijn jas verzwakt.

Alle kracht verdwijnt uit haar lichaam en ze valt-

Wolf vangt haar op, tilt haar op in zijn armen en kijkt met bonkend hart op haar neer. Zijn donkere ogen dwalen over haar uitgemergelde gezicht en hij merkt hoe licht ze is, hoe breekbaar in zijn armen.

Een krakend geluid – een kreun, beseft hij – komt uit haar mond. Haar ogen gaan langzaam open. Het zijn geen bodemloze putten. Ze zijn niet zwart.

Ze zijn blauw.

Ze kijkt naar hem op, hoewel ze zich niet lijkt te kunnen focussen. Hij hoort een bijna ratelend geluid als ze inademt.

‘Hallo, Carina,’ fluistert hij. Zijn blik is zwaar. Net zo zwaar als het gevoel in zijn maag.

Voorzichtig legt hij haar op het bed neer, dekt haar toe, veegt de vette haren uit haar gezicht.

‘Ze hebben je lichaam verlaten,’ zegt hij, terwijl hij bij haar neerknielt.

‘I… Ik… ga…’ Ze ademt moeizaam, ‘…dood…?’

Wolf bestudeert haar. Ze is nog net zo bleek als daarnet. Er zit geen greintje kracht meer in haar lichaam. Ze is een omhulsel en ook haar ziel is bijna verdwenen, leeggezogen en beschadigd.

Ze was al stervende sinds het moment dat de demonen haar overnamen.

Dat is dan ook al die tijd hun doel geweest.

‘Nee,’ antwoordt Wolf echter, terwijl hij haar hand in de zijne neemt. Haar vingers voelen koud. Broos. ‘Ja, je staat op het punt om dit leven te verlaten. Maar er staat een ander leven op je te wachten. Een beter leven. Dat beloof ik je,’ fluistert hij rauw.

Ze zegt niets meer. Draait haar ogen omhoog, staart naar het plafond, vechtend voor een ademhaling.

Haar laatste ademhaling.

Als het geratel wegsterft, wacht hij tot het opnieuw klinkt. Hij wacht een minuut. Vijf minuten. Veel langer dan nodig is.

Maar hij heeft het nodig, om de kracht te vinden zich weer overeind te drukken en zijn rug te rechten. Hij balt zijn handen heel even tot vuisten, bereidt zich voor op wat hem te doen staat.

Wat hij al veel eerder had moeten doen, jaren geleden al.

Carina is het zoveelste slachtoffer… door zijn toedoen.

Hij is geen priester. Hij is niet “vader Wolf”.

Hij is een handlanger. Een monster, vermomd als mens.

Met grimmige vastberadenheid bonst hij op de deur. De ouders doen open, staren hem hoopvol aan, kijken dan langs hem heen en snakken naar lucht als ze hun dochter roerloos op het bed zien liggen. Ze laten zich snikkend op hun knieën vallen bij haar bed, roepen haar naam.

Wolf pakt zijn hoed van het nachtkastje, glipt stilletjes de kamer uit. Als hij de nacht weer in stapt, sluit hij de voordeur achter zich en doet zijn hoed weer op.

Zodra hij opkijkt, ziet hij een gedaante opdoemen vanuit de mist.

Carina. Carina’s geest.

Haar voeten zweven enkele centimeters boven de vochtige straatstenen en hoewel haar jurk nog steeds gescheurd en haar huid bleek is, zijn de wallen onder haar ogen weg en vallen haar haren in slagen over haar schouders.

Het meisje dat ze ooit is geweest.

Er is echter een draad om haar pols geknoopt, een rode draad die brandt als vuur.

De draad die haar verbindt aan het rijk van demonen.

‘Het brandt,’ fluistert ze, terwijl ze haar pols omhoog houdt.

‘Ik weet het,’ antwoordt Wolf schor.

‘Ze… trekken aan me. De demonen.’ Ze slikt. ‘De demonen die eerst in me zaten… ze trekken nu aan het draad. Ze willen me naar hun wereld halen, zodat ik één van hen word.’

‘Ik weet het,’ herhaalt Wolf. ‘Daarom hielden ze je bezeten; ze hebben je uitgekozen om een demon te worden.’

‘Word ik dan zoals zij?’ vraagt ze verstikt. ‘Een monster die mensen bezeten houdt?’

‘Uiteindelijk,’ beaamt Wolf.

‘Is dat wat je bedoelde toen je zei dat er een ander leven op me wachtte?’ fluistert ze.

Zijn gezicht verhardt, hoewel zijn ogen beginnen te branden van tranen. Hij haalt diep adem, dwingt zichzelf om af te maken waar hij aan begonnen is toen hij die woorden daarnet tegen haar zei in haar kamer.

Hij is te lang een handlanger geweest.

Heeft zich te lang laten gebruiken door de demonen.

Wolf loopt naar haar toe tot hij vlak voor haar staat. Normaal gesproken zou hij haar nu beet moeten grijpen en haar de andere wereld in duwen – om te voorkomen dat ze zich nog los kan trekken van de draad.

Ja, hij zou haar nu regelrecht in de armen van de demonen moeten duwen.

Dat is wat ze van hem willen. Van hem verwachten.

Ze kijkt angstig naar hem op als hij haar pols beetpakt; ze is een geest, maar hij kan haar nog steeds aanraken.

‘Nee,’ antwoordt hij dan. ‘Ik zei dat er een beter leven op je wachtte.’

Hij geeft een ruk aan de draad.

Die is heet, snijdt en brandt in zijn vingers, en is toch zo zwak als spinrag; de draad breekt en lost op het niets.

Carina hapt naar adem.

Dit is wat ik bedoelde met een leven na de dood, Carina.’ Wolf glimlacht zwakjes. ‘Ga. Wees vrij. Rust.’

Ze staart hem aan met grote ogen. Haar pols glipt tussen zijn vingers vandaan; ze vaagt weg, als stof op de wind. Ze versmelt met de mist en het laatste wat van haar overblijft is een fluistering, weergalmend in Wolfs oren: Dankjewel.

Hij zucht, trekt zijn hoed lager over zijn ogen, draait zich om en gaat terug naar huis, verdwijnend in de mist.

 

* * *

 

De flat ziet eruit alsof hij ieder moment in kan storten; in het trappenhuis bladdert de verf van de muren; zijn voordeur is bespoten met graffiti.

Wolf komt voor zijn gevoel pas thuis als hij zijn huis binnenstapt en de deur achter zich dichtdoet. In het donker hangt hij zijn hoed en jas op aan de kapstok, waarna hij de bureaulamp in de woonkamer aandoet.

Het licht maakt de schaduwen alleen maar donkerder. De planten in de vensterbank zijn ondefinieerbare vormen, de roodbruine, lederen bank en leesstoel lijken haast zwart, de tv in de hoek een gapend gat, en de stapels boeken liggen er roerloos bij…

Totdat één boek plotseling opengeslagen wordt door een ijzige wind die door de kamer giert. De bladzijdes ritselen en Wolf verstijft, laat zijn ogen wild heen en weer dwalen, zoekend naar de oorzaak.

Een wezen duwt zichzelf door de muur de kamer binnen, hoewel hij er nooit helemaal van los komt – hij lijkt opgesloten te zitten in de muur, alsof hij deze wereld niet helemaal kan betreden, zijn eigen rijk niet helemaal kan verlaten.

Wolfs handen worden klam van het zweet en zijn hart bonkt in zijn keel.

Het maakt niet uit hoe vaak hij hem ziet, het wezen blijft even grotesk. Hij is groot, zijn hoofd raakt bijna het plafond. Een duivelse verschijning met een bleke huid; diep weggezonken, zwarte maar glanzende ogen; een enorme mond gevuld met scherpe tanden; gekromde horens; lange en uitgemergelde ledematen; sterk geaccentueerde ribben, en vleermuisvleugels die zich wijd achter hem uitspreiden, gevangen in de muur.

‘Lucien Wolf.’

Zijn stem is diep en hees, en doet het glas van de vitrinekast in de kamer zachtjes trillen.

‘Je hebt me teleurgesteld vannacht.’

Wolf zet zich schrap, maar zegt niets.

De demon likt met zijn zwarte tong langs zijn tanden en wendt zich geen moment van hem af. ‘Jaren geleden hield ik je bezeten… en ik heb je alleen maar vrijgelaten en niet meegenomen naar mijn rijk, omdat we een deal hadden gesloten.

‘Jij zou je voordoen als vader Wolf en alle mensen “helpen” die bezeten zijn, door te doen alsof je de demonen uitdreef. Maar in werkelijkheid zou je hun zielen aan ons doneren, zodat er nieuwe demonen gemaakt kunnen worden – zodat onze bevolking toeneemt en we op een dag de wereld over kunnen nemen.

‘In ruil daarvoor, Lucien,’ vervolgt hij, zijn ogen zo donker dat ze lijken te groeien en Wolf op lijken te slokken, ‘zou jij geen demon hoeven te worden.’

Wolf zwijgt nog steeds, voelt zijn hart wild slaan.

‘Ik dacht… dat jij zo bang was om één van ons te worden?’ De demon kantelt zijn hoofd iets en ademt zwarte rookwolken uit. ‘Dat is toch jouw grootste angst, Lucien? Daarom sloten we deze deal…’

Wolf kijkt hem recht aan.

‘Het was mijn grootste angst,’ zegt hij laag. ‘Maar ik ben niet bang meer. En ik ben het zat om als een pion te worden gebruikt. Ik heb het gehad.’

De rookwolken die de demon uitademt bevriezen in de lucht.

‘Is dat zo…?’ fluistert hij ten slotte.

Een sluwe grijns glijdt over zijn dunne, kleurloze lippen en ontbloot zijn tanden nog iets meer.

Dan schiet zijn hand naar voren – zijn vingers zijn lang en hebben veel te veel breekpunten –, grijpt Wolf bij zijn arm beet en sleurt hem naar zich toe. Wolf slaakt een schorre kreet, probeert zich los te rukken zonder erbij na te denken, maar de demon is sterk. Te sterk, onmenselijk sterk.

Hij lacht als hij Wolf naar zich toetrekt. ‘Waar denk je heen te gaan, vader?’ sneert hij.

Wolf krijgt geen kans om antwoord te geven, hij heeft niet eens de kans om nog één keer achterom te kijken, om nog een laatste blik te werpen op zijn leven.

De demon trekt hem door de muur heen.

Naar zijn wereld.

Het rijk van monsters.

Het laminaat op de vloer maakt plaats voor een grond bezaaid met stof, as, verkoold papier, houtsplinters, glasscherven. De demon laat hem los en Wolf valt neer op handen en knieën. Scherpe voorwerpen snijden in zijn handen, door de stof van zijn broek heen, maar de pijn dringt nauwelijks tot hem door.

Wolf staart naar de brandende draad die om zijn pols geknoopt is. Hij volgt de weg van de draad, heft zijn gezicht op en ademt schokkerig in als hij ziet dat de draad met de demon verbonden is.

Een brandend gevoel vult zijn lichaam; zijn bloed staat in vuur een vlam.

‘Welkom, Lucien,’ fluistert de demon grijnzend, ‘in je nieuwe wereld, waar je zo lang voor op de vlucht bent geweest.’

Wolf kreunt en slaat zijn blik neer; zijn maag dreigt zich om te keren als hij zijn vingers ziet groeien en zijn nagels zwart ziet kleuren. Een gewelddadige kracht raast door hem heen – hij voelt zich sterker worden, hoewel hij aan de andere kant voelt hoe zijn menselijkheid afsterft. Zijn ingewanden verschrompelen, zijn hartslag vertraagt.

Hij verandert.

Transformeert in een ander wezen.

Een demon.

Langzaam verdwijnt de pijn. Hij ademt rasperig in, staart naar zijn onnatuurlijk lange ledematen.

‘Welkom,’ herhaalt de demon, zowel hongerig als liefkozend.

Wolf kijkt zwijgend naar hem op – met ogen zo zwart als de nacht –, toch weet hij zeker dat als hij zou praten, zijn stem heel anders zou klinken.

De demon gniffelt en kijkt van hem weg.

En daardoor ziet hij niet hoe Wolf zijn tanden ontbloot in een glimlach.

Al die jaren heeft hij meegewerkt aan het plan van de demonen. Al die jaren is hij bang geweest. Maar hij voelt geen angst meer… en nu hebben de stommelingen hem hun wereld binnengehaald.

Misschien is hij nu dan wel een demon, maar diep vanbinnen – in zijn ziel – is hij nog altijd Lucien Wolf.

En hij zal blijven vechten, totdat het heetste vuur zijn ziel verslonden heeft.

Hij zal blijven vechten, totdat hij alle demonen uitgeroeid heeft.

‘En ik begin met jou,’ fluistert Wolf, terwijl hij weer opkijkt naar de demon.

De demon draait zijn hoofd naar hem terug, zijn bodemloze ogen vernauwd tot spleetjes.

Wolf grijnst woest en kromt zijn klauw.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Welkom, Lucien, is lichtjes geïnspireerd door het waargebeurde verhaal van Anneliese Michel, het Duitse meisje dat in de jaren zeventig bezeten was door zes demonen en uiteindelijk, na vele exorcismes, is overleden. Mijn Halloween artikel van deze week (“Oktober Halloween Maand – Anneliese Michel en de zes demonen”) op lynnrobin.com vertelt hier meer over.

Mijn verhaal valt niet te vergelijken met het originele verhaal; ik heb hier en daar slechts wat elementen geleend en er mijn eigen draai aan gegeven. Hoewel het verhaal niet bepaald een happy end heeft (ongebruikelijk voor mijn doen, hoewel het de afgelopen maand vaker is voorgekomen met de horrorverhalen die ik hier gedeeld heb!), hoop ik toch dat jullie het gaaf vonden om te lezen ❤

Advertenties

6 gedachtes over “Welkom, Lucien

  1. Weer een geweldig spannend verhaal. Jouw verhalen zijn zo ontzettend gaaf om te lezen. En wat ik ook heel bijzonder vind zijn de verhalen/gebeurtenissen waar jij je verhalen op gebaseerd hebt.

    Liked by 1 persoon

    • Heel erg bedankt, dat vind ik echt super leuk om te horen! 😀 Ja, het is wel een uitdaging om een verhaal te baseren op (waargebeurde) gebeurtenissen, maar ik ben blij dat je vindt dat het goed uitpakt! 😉

      Like

  2. Oooh, dat was wonderfully creepy! (En wederom met een twist op het einde die heel verrassend was!)

    Je schrijfstijl is echt heerlijk beeldend, en in dit verhaal kreeg ik dezelfde gave sferen door als van een van mijn favoriete animes, Ao no Excorcist XD

    Zeer van genoten!

    Liked by 1 persoon

    • Woohoo, is het me weer gelukt?! Nice! 😉

      Oh, super bedankt – en die vergelijking met Ao no Exorcist vat ik op als een enorm compliment, want als je het mij vraagt is dat gewoon één van de beste anime/manga ever ❤ (Hoewel ik eigenlijk niet bij de serie heb stilgestaan toen ik dit verhaal schreef! Blijkbaar was ik onbewust geïnspireerd geraakt, haha~) Hartstikke gaaf dat je ervan genoten hebt!!! Dankjewel!

      Liked by 1 persoon

  3. Heel goed horror verhaal en in de juiste sfeer geschreven! Ik heb vroeger veel boeken van de Engelse horror/griezel-verhaal auteur James Herbert gelezen, wat mij betreft één van de betere auteurs in dit genre, en ik vind dat jij net zo geweldig schrijft als hij; je hebt heel veel gevoel voor drama, schrijft gedetailleerd, gebruikt een mooie vertel stijl en weet precies hoe je de juiste ‘mood’ creëert om een griezel verhaal gestalte te geven. Ik kon, als het ware, je verhaal ‘lezen als een ‘speelfilm’ – Kortom: grandioos!

    Liked by 1 persoon

    • Oh wauw, wat een compliment…! :O Echt super bedankt, dat vind ik echt te gek om te horen! Helaas moet ik bekennen dat ik eigenlijk nog nooit een boek heb gelezen van James Herbert, afgezien van wat kleine stukjes, maar misschien moet ik daar maar eens verandering in gaan brengen 😉 Ik ben heel blij dat je van mijn verhaal genoten hebt!! 😀

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s