Tien Kaarsen

‘Een… Twee… Drie… Vier… Vijf…’

De kleine prinses krult haar vingers om de rand van haar gladde, satijnen lakens, die ze tot over haar kin heeft getrokken.

‘Zes… Zeven…’

Buiten telt de stem door. Het is een vrouw.

‘Acht…’

De prinses tuurt in de duisternis van de nacht, die haar kamer vult met schaduwen. Ze lijken haar mooie speelgoed op te slokken, ze verzwelgen de wereld van de dag.

‘Negen…’

Ze knijpt haar ogen dicht, houdt haar adem in, wachtend op-

De gil.

Een snerpend gekrijs dat door merg en been gaat, dat als een dolk door de stilte van de nacht steekt, dat het hart van de kleine prinses een slag over doet slaan.

Ze duikt weg onder haar lakens, met haar handen over haar oren geslagen. Ze knijpt haar ogen dicht, krult zich op en maakt zichzelf zo klein mogelijk. De gil houdt aan, rekt zich uit, duurt zo lang dat ze het gekrijs nog lang hoort nagalmen in haar oren.

Dan laat ze haar handen langzaam wegglijden van haar oren. Ze blijft echter nog even onder haar lakens liggen, veilig en verstopt, wachtend tot de vrouwenstem weer opnieuw begint met tellen, hopend dat ze de rest van de nacht weg zal blijven.

De vrouw is bijna iedere nacht te horen. De prinses weet dat ze in de rozentuin is, op de binnenplaats van het kasteel, omringd door welgeteld negen kaarsen.

Maar het is niet zomaar een vrouw.

Het is een geest.

Een boze geest.

Als de prinses na lang wachten niets meer hoort, durft ze eindelijk met haar hoofd boven de lakens uit te komen. Ze ademt diep de frisse nachtlucht in en veegt haar lange haren uit haar gezicht-

Ze verstart als ze ziet dat ze niet alleen is.

Er zit een gedaante op de stoel die vlak bij haar bed staat – een houten stoel, ingelegd met diamantjes die glinsteren in het maanlicht, dat door een kier tussen de gordijnen naar binnen schijnt. Het is een man. Hij draagt een zwart pak en een hoed overschaduwt zijn ogen; hij gaat gekleed als een man van adel.

Hij heft zijn gezicht op.

Zijn oogkassen zijn bodemloze gaten van zwartheid.

Ze hapt naar adem en deinst terug, tot ze met haar rug tegen het hoofdeind van haar veel te grote bed botst. Er prikken tranen in haar ogen en ze opent haar mond om te gillen, om te krijsen zoals de geestvrouw in de rozentuin-

Het enige wat ze voortbrengt is een zwak, piepend geluid, als de man opstaat en met wankele passen naar haar toe komt. Hij houdt een lantaarn in zijn hand; de kaars brandt echter niet en het handvat piept als de lantaarn heen en weer zwaait.

Dan blijft hij roerloos staan en draait zijn hoofd langzaam van links naar rechts.

Een snik ontsnapt uit haar keel.

Met een ruk draait hij zijn gezicht weer naar haar toe en komt dichterbij. Haar adem stokt en ze gooit de lakens van zich af, schiet haar bed uit en rent naar de deur toe-

Zijn hand graait naar haar arm-

Ze duikt uit de weg, pakt bijna de deurklink beet-

Zijn lange vingers grijpen zich vast in haar nachtkleding en trekken haar naar zich toe. Ze ademt in om te gillen… maar stopt, als de man zegt: ‘Weet jij waar ze is?’

Zijn stem is menselijk, maar klinkt eeuwenoud. Hij kijkt op haar neer, maar lijkt haar niet te zien.

De prinses bijt op haar trillende onderlip en zegt niets.

‘Ik kan haar alleen maar horen, maar niet meer zien,’ zegt hij. ‘En ik heb haar beloofd dat ik naar haar toe zal komen in het tiende jaar. Weet jij waar ze is?’ herhaalt hij.

Hij klinkt vermoeid. Zo vermoeid.

‘De… De geestvrouw?’ brengt de prinses uit.

Hij knikt.

‘Ze is in de rozentuin…’

‘Breng me naar haar toe. Alsjeblieft,’ fluistert hij. ‘Ik kan haar alleen maar horen… maar niet meer zien. Er is niet genoeg licht.’

Voor een moment tuurt ze in zijn lege oogkassen.

Dan ademt ze beverig in. ‘Als ik u naar haar toe breng, haalt u haar dan weg?’

‘Ja.’

De kleine prinses balt haar handen tot vuisten, trekt dan de deur open en loodst de vreemdeling haar kamer uit; hij blijft haar vasthouden aan haar kleding, alsof hij een blinde is die geleid moet worden.

Haar blote voeten maken geen geluid op de gladde, glanzende vloeren van het kasteel; zijn schoenzolen lijken de grond amper te raken.

Ze leidt hem door gangen met rijkdom die hij niet kan zien – oeroude, magische zwaarden die aan de muren hangen; beelden van elegante, menselijke figuren die hun handen in elkaar gevouwen hebben; wandkleden in alle mogelijke kleuren; vazen met beschilderingen van kraanvogels en bloesembomen. Ze leidt hem trap na trap af, tot ze eindelijk beneden zijn. Ze leidt hem door grote, rood geschilderde houten deuren heen die naar de binnenplaats leiden, zonder ook maar één van de bediendes tegen te komen.

Het kasteel lijkt leeg te zijn. Onbewoond. Uitgestorven. Een andere dimensie, die alleen bestaat voor de kleine prinses en de blinde vreemdeling.

En de geestvrouw, die tussen de rozenstruiken in het gras zit, omringd door negen brandende kaarsen.

‘Eén,’ begint ze, starend naar de vlammen. ‘Twee…’

De prinses blijft staan en wringt met haar handen, starend naar de vrouw. Ze is beeldschoon, met een huid zo wit als de maan en krullen die over haar schouders vallen. Ze draagt een gewaad van de duurste zijde dat haar benen verbergt; het enige wat onder de rok vandaan komt zijn haar voeten, gehuld in sandalen.

Maar de prinses weet beter. De eerste keer dat ze de geestvrouw zag was ze betoverd geweest; ze had er zo triest maar sereen uitgezien en de geur van rozen was zo zoet en verleidelijk geweest.

Totdat de vrouw tot en met negen had geteld.

Daarna was ze veranderd in een demon; een krijsend monster met een mond die ze tot onmenselijke proporties had opengesperd.

‘Drie… Vier…’

‘Daar is ze,’ fluistert de prinses nerveus.

‘Ik hoor haar,’ antwoordt de vreemdeling… en dan glijdt er een glimlach over zijn lippen.

De prinses kijkt vertwijfeld naar hem op. ‘Wie bent u?’

‘De man die haar jaren geleden een belofte heeft gedaan.’

‘Vijf…’

‘Een belofte?’ herhaalt de prinses.

‘Ja,’ zucht hij. ‘Toen ze op haar sterfbed lag, beloofde ik haar dat ik over tien jaar naar haar toe zou komen… en dat ze voor ieder jaar dat ze op me wachtte in de dodenwereld, een kaars voor me moest branden. Voor mij; voor ons; voor onze liefde.’

‘Hoe… kon u weten dat u over tien jaar zou sterven?’ fluistert de prinses met een frons. ‘Kunt u in de toekomst kijken? Bent u een ziener?’

‘Dat was ik,’ beaamt hij net zo zacht. ‘En ik stierf tien jaar later, zoals ik had voorzien. Maar met mijn dood verloor ik mijn zicht. In het leven heb ik te veel mogen zien; in de dood dwaal ik door de duisternis.’

De prinses kijkt op in zijn holle oogkassen en voelt een huivering langs haar ruggengraat glijden – maar ze weet opeens niet zeker meer of dat is omdat ze bang is, of omdat ze moet huiveren bij het idee om geen ogen te hebben.

‘Zes… Zeven…’

‘Omdat ik niet meer kon zien, kon ik haar niet vinden – en zo zijn er jaren en jaren verstreken,’ gaat hij verder. ‘Dus ik heb geprobeerd te luisteren. En het is haar gezang dat me naar haar toe heeft geleid,’ besluit hij.

‘Ze zingt niet,’ zegt de prinses, ‘ze krijst.’

‘Toen ze leefde had ze de stem van een nachtegaal. Toen ze liefhad klonk ze als een engel.’ Hij glimlacht weer. ‘In mijn oren doet ze dat nog steeds.’

‘Acht…’

‘Ik ga nu, kleine prinses. Dankjewel… en tot ziens, in het hiernamaals. Op een dag,’ voegt hij eraan toe.

Hij laat haar kleding los en loopt naar de vrouw toe, met zijn lantaarn in zijn hand.

‘Negen…’

De geestvrouw haalt adem voor haar gil en de prinses brengt haar handen al omhoog om ze over haar oren te slaan – maar het enige wat ze hoort, is de man die zachtjes zegt: ‘Tien.’

Vanuit het niets doemt er licht op vanuit zijn lantaarn; een vlam danst rond de lont van de kaars.

De geestvrouw kijkt op.

‘Ik ben hier,’ fluistert de man. ‘Ik ben hier.’

De prinses kijkt toe hoe de vrouw overeind komt. Ze wordt omringd door kaarsen en staart naar de man, haar lang verloren geliefde. Een bries steekt op en rozenblaadjes zweven door de lucht. Hij doet een stap naar haar toe; zij slaat haar armen om zijn nek. Zijn schouders zakken naar beneden, hij laat zijn wang op haar kruin rusten en slaakt een zucht, een diepe zucht die alle kaarsen uitblaast.

Op het moment dat de kaars in zijn lantaarn dooft, verdwijnen de geliefden in het niets.

Alles is weg; de kaarsen, de man en de vrouw.

Zelfs de rozenstruiken zijn niet hetzelfde meer. Er groeien geen bloemen meer – de takken zijn kaal, de enkele bladeren verdord. De struiken zijn dood.

Ook het kasteel verandert; er verschijnen scheuren en beschadigingen in de muren, de scharnieren van de deuren worden roestig, er vallen gaten in de daken.

Een leeg kasteel. Onbewoond. Uitgestorven.

De kleine prinses ziet het niet. Ze gaat terug naar binnen toe en het enige wat zij ziet is pracht en praal. Ze kruipt weer in haar bed en sluit haar ogen.

Eerst is haar gedaante nog te zien onder de satijnen lakens.

Dan verdwijnt ze.

* * *

 

Men zegt dat het er spookt.

‘Blijf uit de buurt van het vervloekte kasteel,’ fluisteren ze, ‘voordat de kleine prinses je ziet en ze je meesleurt naar haar rijk van de dood.’

Of het waar is, dat weet niemand.

De één gelooft dat de prinses een kwade geest is.

De ander, echter, zegt dat ze als een kaars is; een kaars voor andere geesten, om hun weg naar het hiernamaals te verlichten.

Niemand zal het weten.

Behalve de geesten.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Tien Kaarsen, is geïnspireerd door het Japanse spookverhaal “Banchō Sarayashiki“. Het enige wat eigenlijk overeenkomt is de vrouw die tot en met negen telt, en dan een vreselijke gil laat horen én dat het verhaal zich afspeelt in een kasteel; verder heb ik alles zelf verzonnen 😉 Ik heb dit verhaal geschreven voor Oktober Halloween Maand op mijn andere blog op lynnrobin.com, ter ondersteuning voor het artikel: “Oktober Halloween Maand – Banchō Sarayashiki

Advertenties

6 gedachtes over “Tien Kaarsen

  1. Echt een prachtig kort verhaal, heel mooi en zo gedetailleerd geschreven! ik heb al eerder gezegd dat jij heel beeldend schrijft zodat ik het ervaar als het kijken naar een speelfilm op het witte doek in de bioscoop! Beeldend schrijven is, wat mij betreft, dé kracht van een goed schrijver, iets waar jij in uit blinkt – en wat jouw fantasierijke verhalen/boeken zo bijzonder maken. Of wel: ‘Tien Kaarsen’ heb ik met heel veel plezier gelezen! Bedankt!

    Liked by 1 persoon

  2. Wat een prachtig verhaal! Heel gaaf om te lezen hoe je ingrediënten van een bestaande legende hebt gebruikt, en er je compleet eigen draai aan hebt gegeven. Zoals altijd is het weer heel sfeervol, en beeldend geschreven, en was de twist op het einde een echte “Lynn” — LOVE IT!

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s