De Spin

Het kampvuur knispert en werpt een rode gloed op alle gezichten die eromheen zitten en afwachtend naar me kijken. De nacht is donker en stil, afgezien van de vlammen die zachtjes lijken te fluisteren en een verhaal vertellen.

Maar nu is het mijn beurt om een verhaal te delen; het vuur zal moeten wachten. Ik heb iedereen voor laten gaan, geduldig gewacht tot ik de laatste was die overbleef.

Geduldig zijn en wachten; er is niets waar ik beter in ben.

Een onheilspellende grijns trekt aan mijn mondhoeken en als ik begin met praten, dan praat ik zacht – zo zacht, dat iedereen gedwongen is om naar me toe te leunen.

‘Het verhaal dat ik jullie nu ga vertellen,’ begin ik, ‘gaat over de Spin. En het begint met een klein, rood kinderfietsje…’

 

* * *

 

Je hebt het misschien ooit wel eens gehoord als je ’s nachts in je bed ligt:

Een zacht, piepend geluid, weergalmend door de stille straten.

Misschien dat je je heel even hebt afgevraagd wat het was, maar na alle waarschijnlijkheid heb je je al gauw omgedraaid, je ogen gesloten en ben je in slaap gevallen. De volgende ochtend was je het geluid alweer vergeten en denk je er nooit meer over na.

Dat zachte, piepende geluid weerklinkt echter iedere nacht wel ergens in de wereld – het maakt niet uit waar, het geluid heeft in iedere uithoek van de wereld de nachtelijke stilte wel eens verstoord.

Het is afkomstig van een klein, rood kinderfietsje dat ’s nachts rondrijdt en op dat fietsje zit een kleine jongen. Zijn gezicht wordt altijd overschaduwd door zijn capuchon en sommige mensen – de enkeling die zijn bed uit is gegaan en de gordijnen heeft opengetrokken – beweren dat zijn handen die het stuur vasthouden, het ene moment beestachtige klauwen zijn… en het volgende moment gewone kinderhandjes.

De waarheid zal altijd in het midden blijven.

Het jongetje fietst helemaal alleen door de nacht. Hij heeft geen ouders. Niemand die over hem waakt, niemand die voor hem zorgt. Maar dat heeft hij ook niet nodig.

Dit is geen gewoon jongetje.

Zijn lippen spreiden zich uit tot een grijns als hij het gehijg en het gebrul achter zich hoort. Hij werpt een blik over zijn schouder, terwijl zijn korte benen door blijven trappen en de fietsbanden over het wegdek blijven rollen.

Gigantische, schaduwachtige gedaantes komen achter hem aan.

De Demonen van de Nacht.

Bladerdaken van de hoogste bomen ritselen wild als de wezens voorbij geraasd komen, alsof een woeste zomerstorm aan de boomtakken trekt, en lange staarten, vleugels en andere uitstulpingen duiken op vanachter de flatgebouwen.

Het jongetje kijkt weer voor zich en zijn grijns groeit als hij de Demonen gefrustreerd hoort brullen; gebrul, dat klinkt als donker onweersgerommel. Hij is zo klein, hij is ongrijpbaar. Maar de Demonen geven nooit op als ze een prooi zien.

Ze leven op mensenvlees.

Het jongetje haast zich door de straten, zijn rode fiets piept en kraakt, hier en daar beweegt er een gordijn achter de ramen of kijkt iemand met samengeknepen ogen naar buiten.

Niemand zal zich de Demonen van de Nacht herinneren. Het enige wat de volgende morgen een indruk achter zal laten, is een klein jongetje op een rode fiets.

Aan het einde van de straat – waar hij niet meer verder kan, waar de weg dood loopt – knijpt hij in zijn remmen. Vanonder de rand van zijn capuchon bekijkt hij de groep mensen die hij hier eerder vanavond heeft verzameld. Mannen en vrouwen, tieners en bejaarden; hij ziet het verschil nauwelijks.

Ze schreeuwen naar hem, hij ziet hun monden de woorden vormen, maar hij hoort hen niet. Als hij met zijn ogen knippert kan hij de draden zien die hij om hen heen heeft gespannen, de draden die hen gevangen houden in een kooi.

In een web.

Hij wendt zich van hen af en draait zijn fiets zo dat hij de Demonen aan kan zien komen.

En grijnst. Het jongetje grijnst altijd.

De Demonen van de Nacht staken hun wilde achtervolging. Ze vertragen, maken zichzelf laag en sluipen op hem af, denkend dat ze hem in de val hebben gelokt.

Wat ze niet weten is dat dit jongetje nog nooit van zijn leven in een val is getrapt.

Hun klauwen zijn enorm, met bruine nagels waar rottende resten van menselijk vlees als gescheurde kledingstukken aan vast zijn blijven haken, en iedere stap die ze zetten doet de straat beven – zoals wanneer de bliksem in de grond slaat. Hun bekken hangen open, hun ruggen rijzen en dalen met iedere hongerige ademhaling, hun tanden blikkeren in het licht van de lantaarnpaal op de hoek.

De gitzwarte, glimmende ogen die diep zijn weggezonken in hun oogkassen, dwalen vluchtig over de mensen die achter het jongetje staan – en hun gehijg neemt toe, kwijl druipt langs hun tanden, ze maken onrustige bewegingen met hun vleugels en staarten.

Het jongetje wacht. Hij wacht geduldig tot de Demonen van de Nacht naar voren gesprongen komen, klaar om hem uiteen te rijten. Maar hij schiet uit de weg, zijn fiets piept en kraakt, en de wezens storten zich in plaats daarvan op de mensen in de kooi. Ze scheuren de draden van het web kapot met hun nagels en het jongetje kan nu flarden van geluiden horen:

Gegil. Gekrijs.

Het gesmak van reusachtige wezens die eten, en hun malende kaken.

Hij ziet het bloed over de straatstenen vloeien, ruikt de metaalachtige geur… en grijnst opnieuw, als hij nieuwe draden ziet ontstaan. Ze spannen zich van gebouw naar gebouw, zijn zo rood als het bloed, en hij kijkt toe hoe de Demonen van de Nacht verstrikt raken in het web.

Ze janken, proberen de draden weer kapot te scheuren met hun klauwen, maar deze keer bieden ze weerstand.

Omdat het jongetje dat wil.

Hij slaakt een zucht van genot en wrijft met zijn hand over zijn knorrende maag. Hij blijft voor het web staan en moet zijn hoofd achterover kantelen om de wezens goed te kunnen zien.

De Demonen van de Nacht leven op mensenvlees.

De Spin, echter, leeft op de harten van monsters.

En hij heeft iedere nacht honger.

 

* * *

 

De gezichten worden nog steeds verlicht door het kampvuur en ik zie wenkbrauwen fronsen, monden vertrekken, neuzen die worden opgetrokken.

‘Als hij ze naar zijn web lokt, waarom offert hij dan die mensen op?’ wordt me gevraagd.

Ik lach; het klinkt als hoog gegiebel en ik zie de fronsen dieper worden. ‘Omdat Demonen met een gevulde maag beter smaken,’ antwoord ik, nog altijd lachend.

Iemand snuift. ‘Dit is gewoon fantasie, dit is helemaal niet echt – je hoort vanavond een spookverhaal te vertellen dat op waarheid gebaseerd is…-’

Zijn woorden raken overstemd door geluiden.

Ritselende boombladeren, alsof een bulderende wind erdoorheen blaast. Gebrul, als onweersgerommel.

Gehijg.

Hongerig gehijg.

Schaduwachtige reuzen komen tevoorschijn vanachter de bomen. De nagels van hun enorme klauwen zinken weg in de aarde, hun tanden en diep weggezonken ogen schitteren in het licht van het kampvuur, hun staarten zwiepen onrustig van links naar rechts.

Ik geeuw, terwijl iedereen overeind springt, meisjes snerpend gillen en jongens hardop vloeken, en werp een achteloze blik op mijn fiets die even verderop tegen een boom staat.

Hij glanst, en is rood van kleur.

‘Men zegt dat de Spin de gedaante van een klein mensenjongetje heeft,’ zeg ik zacht, hoewel niemand me hoort. ‘Maar je moet weten… de Spin heeft vele, vele gezichten.’

De draden van mijn web spannen zich van boom naar boom, overkoepelen ons als een net, en ik kijk toe hoe een jongen erin vast komt te zitten en verslonden wordt door een Demon van de Nacht, die zelf nog niet in de gaten heeft dat hij ook een gevangene is.

Een vlieg, verstrikt in een web.

Een vlieg, van botten en bloed, met een kloppend, kloppend, kloppend hart.

Het water loopt me in de mond.

Ik blijf waar ik zit, geduldig en wachtend zoals ik altijd doe, en kijk toe hoe mijn web de Demonen gevangen nemen. Ze proberen zich los te trekken, brullend en hulpeloos.

Dan kom ik overeind, negeer al het bloed dat om het kampvuur ligt, en rek me behaaglijk uit. Als ik mijn armen laat zakken bekijk ik de Demonen van de Nacht en wrijf over mijn knorrende maag.

Mijn handen groeien. Mijn nagels worden donker en lang, zo scherp als een mes.

Ik grijns.

    Etenstijd.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, De Spin, is geschreven in afwachting van Halloween! En… letterlijk geïnspireerd door vreemde, piepende en krakende geluiden in de nacht, én een rood kinderfietsje dat afgelopen zomer ’s nachts was achtergelaten waar ik woonde. Dat vond ik namelijk best een eng gezicht (kinderspeelgoed in de nacht, er is niets zo freaky als dat, geloof me)… en zo kwam ik op het idee voor dit verhaal. Oftewel: dit is míjn verklaring voor vreemde geluiden in de nacht 😉 En ja, ik slaap prima! 😀 …Jij ook?

Advertenties

7 gedachtes over “De Spin

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s