Ik Ben Jouw Droom

Haar voetstappen weergalmen door de stille avond – net als het lage gebrom van de bus die wegrijdt.

Hijgend blijft ze bij de halte staan, terwijl ze de bus verderop links de hoek om ziet slaan. Hij verdwijnt uit haar zicht en haar ogen beginnen te branden. Haar zicht wordt wazig en ze veegt gauw de tranen uit haar ogen.

Ze huilt niet omdat ze de bus heeft gemist.

Nee, dat is gewoon de laatste druppel na een dag als vandaag; een dag waarop er heel veel druppels zijn gevallen, zo veel dat ze nu over de rand lopen en als tranen over haar wangen biggelen.

Een scherp gevoel vult haar keel. Ze veegt de tranen opnieuw weg en laat zich neerzinken op het bankje van de bushalte. Ze haalt schokkerig adem en staart voor zich uit, met haar tas in haar armen geklemd.

Vandaag zijn haar dromen in duigen gevallen, kapotgeslagen door iemands woorden: ‘Je leeft in je eigen fantasie. Je droom is gewoon een droom; het zal nooit realiteit kunnen worden.’

Ze sluit haar ogen en drukt de rug van haar hand tegen haar mond. Haar schouders schokken en iedere snik doet pijn, iedere snik lijkt haar hart een stukje verder uit elkaar te scheuren.

Haar hart; haar droom.

Niemand lijkt in haar te geloven. En als niemand in haar gelooft, hoe kan ze dan nog in zichzelf en haar droom geloven?

Een warme bries tilt de rok van haar jurk op en blaast de lange haren van haar schouders. Ze opent haar ogen en kijkt aarzelend op.

Er is een bus voor de halte gestopt, die ze niet eens aan heeft horen komen. Het voertuig wordt schemerig verlicht door de lantaarnpalen langs de weg en hij is geel van kleur. De deuren zijn opengeschoven en de bus lijkt geduldig op haar te wachten tot ze in zal stappen.

Ze blijft zitten.

Vreemd, de volgende bus hoort pas over een half uur te komen. Ze kijkt om zich heen. De straat is uitgestorven en de avond lijkt opeens veel donkerder te zijn; de wolken pakken zich samen en de geur van regen hangt zwaar in de lucht.

Aarzelend komt ze overeind en loopt naar de bus toe. Dan blijft ze echter staan, starend naar de buschauffeur.

Hij is jong, lijkt amper oud genoeg om achter het stuur te mogen zitten. Een tiener. De mouwen van zijn overhemd zijn opgestroopt en zijn armen zijn tanig. Hij glimlacht naar haar en tikt tegen zijn pet ter groet, waarna hij gebaart dat ze kan gaan zitten. Hij zegt niets.

De eerste dikke regendruppels vallen naar beneden. Ze stopt met aarzelen, knikt terug naar de buschauffeur en haast zich naar binnen. De bus is leeg, er is geen passagier te bekennen. Ze gaat in het midden zitten, naast het raam, en dan sluiten de deuren zich. Met een schok trekt de bus op en rijdt weg van de halte.

Ze draait haar gezicht naar het raam en slikt; de brok in haar keel is nog steeds scherp. Ze voelt verse tranen opwellen, veegt ze voor een zoveelste keer weg en laat haar hoofd tegen het koele glas van de ruit rusten.

Kon ze deze dag maar vergeten.

Kon deze bus haar maar ver, ver weg brengen, naar een andere wereld waar dromen wél uitkomen.

Ze glimlacht zwakjes bij dat idee en sluit haar ogen.

 

* * *

 

Als ze haar ogen weer opent, heeft ze geen idee hoeveel tijd er is verstreken.

En ze weet nog minder waar ze is.

Met een ruk tilt ze haar hoofd op en staart uit het raam naar buiten. Ze zou de stad moeten zien, een straat, andere auto’s, voetgangers. Maar dat is niet wat ze ziet.

Ze ziet water.

Het is overal.

Alsof ze in een oceaan rijden.

Het water is helderblauw en ze ziet banen van zonlicht naar beneden schijnen. Ze staart naar de vissen die rondzwemmen – grote vissen die rakelings langs het raam glijden met glanzende schubben; kleine vissen die zich in scholen verplaatsen, net zo sierlijk als een vogelzwerm. Ze ziet koraal in alle mogelijke kleuren en dan blijft haar blik rusten op een zeester met vijf armen die zichzelf vastkleeft met zijn zuignappen aan het raam; hij heeft een dieprode kleur, en…

En wordt opeens blauw, zo blauw als de nachthemel.

Ze knippert met haar ogen, wendt zich van de zeester af en knippert nogmaals als ze ziet dat het water donkerder is geworden. De banen van zonlicht zijn verdwenen, de vissen en het koraal ziet ze ook nergens meer.

In plaats daarvan ziet ze kwallen, die blauw, roze, paars opgloeien in het water. Ze lijken te zweven, gewichtsloos, en hun lange tentakels golven achter hen aan. Ze deinst terug als de tentakels langs de ramen strijken, maar stopt dan.

Ze kunnen haar immers niets doen vanachter het glas.

Voorzichtig legt ze haar handen tegen het raam en volgt de tientallen lichtgevende kwallen met haar ogen. Ze zijn adembenemend mooi en voor ze het weet begint ze zacht te lachen.

Dit zou niet mogelijk moeten zijn. Maar het is prachtig.

Als een droom.

Ze leunt weg van het raam, werpt een blik op de buschauffeur die zijn handen losjes om het stuur geklemd houdt, en voelt de vragen op haar lippen branden; waar zijn we?

    Is dit een droom?

Maar voor ze iets kan zeggen, klinkt er een ruisend geluid; het water begint wild te golven en daalt naar beneden. Schuimkoppen spoelen langs de ramen, ze verliest de kwallen uit het oog, de zeester laat los, al het water spoelt langs de bus…

En ze rijden een eindeloze sterrenhemel in.

Haar adem stokt als ze vogels tussen de sterren ziet vliegen; vogels, zo rood als vuur; vogels, zo wit als ijs. Hun veren glinsteren en hun lange staarten maken zwiepende bewegingen, telkens als ze een duik naar beneden maken en weer omhoog vliegen.

Ze schudt haar hoofd en voelt haar hart bonken.

Dan remt de bus af en als ze voetstappen achter zich hoort, draait ze zich om naar de buschauffeur. Zijn donkerblonde haar is warrig en komt in krullen onder zijn pet vandaan, en nu ze hem aankijkt ziet ze dat zijn ogen bruin zijn.

‘Droom ik?’ vraagt ze zacht. ‘Is dit… nep?’

Hij houdt haar blik vast. ‘Dat ligt aan jou,’ antwoordt hij na een stilte. ‘Een droom in je slaap is niet anders dan een droom in je hoofd, een droom die je najaagt en waarheid wil maken. Dus als jij gelooft dat dít echt is, dan is het echt. Als jij gelooft dat een droom waarheid kan zijn, dan is het waarheid.’

Het lukt haar niet om iets te zeggen en dan steekt hij zijn hand naar haar uit. Hij trekt haar overeind; hij is iets langer en kijkt met een glimlach op haar neer. ‘Je kan alles bereiken wat je wil – zolang je er maar in gelooft dat het mogelijk is.’

‘Alles?’ herhaalt ze.

Hij knikt.

Ze draait zich terug naar het raam en beeldt zich in hoe het glas verdwijnt. Met ingehouden adem steekt ze haar hand uit-

Het glas is weg.

Haar ogen worden groot, maar dan klautert ze de bus uit. Ik zal niet vallen, zegt ze in haar hoofd als ze zichzelf naar beneden laat zakken. Ze kijkt naar de sterrenhemel onder haar – maar voelt hoe haar voeten vaste grond raken. Ze hoort het opspattende geluid van water en ziet rimpelingen rond haar voeten ontstaan.

Ze valt niet in de eindeloze dieptes van het heelal… maar staat in water, dat de sterren weerspiegelt.

Een warme hand sluit zich om de hare en ze kijkt op in zijn bruine ogen. Hij lacht, trekt haar met zich mee en samen rennen ze door het water dat wild opspat tegen hun benen. Soms blijven ze staan en steken hun armen uit, en dan landen de vogels op hun uitgestrekte handen. Ze strelen hun vleugels, totdat de vogels ze uitslaan en de lucht weer in stijgen.

De vogels lijken tussen de sterren te dansen en ze kan zich niet van hen afwenden, totdat ze een hand op haar schouder voelt. Ze draait zich naar hem om en hij steekt één rode en één witte veer in haar haren, precies achter haar oor.

Een warme glans raakt zijn ogen als hij weer naar haar glimlacht. ‘Geloof,’ zegt hij zachtjes, ‘en alles, álles is mogelijk.’

 

* * *

 

Haar ogen gaan open op het moment dat de bus afremt.

Ze kijkt gedesoriënteerd om zich heen. Het is nog steeds avond en buiten regent het. De deuren zijn opengeschoven en haar blik valt op een bushalte, die vlakbij haar huis ligt.

Is ze in slaap gevallen?

Terwijl ze haastig opstaat veegt ze de haren uit haar gezicht; ze voelt zich soezerig en warm, en verliest bijna haar evenwicht, maar ze grijpt zich net op tijd beet.

Dan blijft haar blik rusten op de rok van haar jurk. Er zitten natte vlekken op. Als van… water.

Haar hart mist een slag en dan reikt ze naar haar oor.

Ze trekt een rode en een witte veer uit haar haren.

Voor een moment kan ze er alleen maar naar staren. Dan draait ze zich om en ziet de jonge buschauffeur naar haar kijken. Hij leunt half uit zijn stoel, glimlacht en tikt tegen zijn pet.

‘Het was echt,’ brengt ze uit. ‘Alles was echt.’

‘Iedere droom is echt.’ Hij trekt zijn schouders op en blijft glimlachen. ‘Zolang…’

‘…je maar gelooft dat een droom waarheid kan zijn,’ maakt ze de zin af. Ze kijkt weer neer op de veren in haar hand.

‘Je kan beter naar huis gaan. Het is al laat,’ voegt hij eraan toe.

Ze schrikt op, knikt en stapt uit de bus. De regen maakt haar haren en jurk vochtig, maar ze voelt het nauwelijks – ze draait zich om naar de bus en haast zich naar de ingang voor de deur kan sluiten. Hij heeft zijn handen alweer om het stuur gesloten en trekt zijn wenkbrauwen op als hij haar ziet staan.

‘Wie ben je?’ vraagt ze en ze moet haar stem verheffen om boven de regen uit te komen.

Hij wacht even voor hij iets zegt, kijkt langs haar heen en knijpt zijn ogen nadenkend samen. ‘Ik ben jouw droom,’ antwoordt hij ten slotte. ‘Je stond op het punt om me los te laten. En dat is het laatste wat je moet doen met een droom; dromen zijn er om vast te houden. Om in te geloven. Om waar te maken.’

Ze brengt haar hand omhoog om de regen uit haar ogen te houden. ‘Dankjewel,’ zegt ze, ‘dat je gekomen bent.’

Hij glimlacht voor een zoveelste keer en dan mondt die glimlach uit tot een lach. Hij zwaait naar haar en de deuren sluiten zich. De bus rijdt van haar weg en ze blijft bij de halte staan, in de regen, totdat het voertuig in de verte verdwijnt.

Ze lacht zelf ook, heft dan haar gezicht op naar de lucht en sluit haar ogen. De regen kriebelt op haar voorhoofd en wangen, de druppels glijden als tranen over haar huid.

Maar ze huilt niet langer.

De regen spoelt haar verdriet weg, haar onzekerheid, al haar pijn.

Want ze gelooft. Ze gelooft dat alles, álles mogelijk is.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Ik Ben Jouw Droom, is geschreven voor iedereen die een droom heeft; een droom die je waar wil maken. Want zolang je gelooft – in je droom, maar vooral ook in jezelf – dan is álles mogelijk ❤ BE STRONG, BE HAPPY!

Advertenties

4 gedachtes over “Ik Ben Jouw Droom

  1. Oh, wow, Lynn! Je komt terug naar een vakantie-periode, en hoe?! Wat een ongelooflijk mooi verhaal, en een bijna nog mooiere boodschap. Ik kan alleen maar applaudisseren; prachtig! ❤

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s