De Magie van Woorden

Ik heb zoveel ideeën om onder woorden te brengen; zoveel verhalen om vast te leggen op papier. Ieder jaar weer worden er nieuwe personages geboren in mijn hoofd, ieder jaar weer spelen er zich nieuwe avonturen af in mijn fantasie, in nieuwe werelden die zelfs ik voorheen nog niet voor mogelijk had gehouden.

Zoveel ideeën om uit te kiezen. Soms is het moeilijk. Maar dit jaar, op het moment dat de klok twaalf uur sloeg, vuurwerk de hemel in werd geschoten en het nieuwe jaar werd ingeluid, wist ik precies welk boek ik dit jaar wilde gaan schrijven.

Mijn vingers vliegen over het toetsenbord van mijn laptop. Iedere letter draagt bij aan een woord, ieder woord draagt bij aan een zin, en iedere zin maakt de wereld die ik aan het creëren ben completer. Een wereld, een fantasiewereld, die ontstaan is vanuit de verbeeldingskracht van mensen. Dat is de wereld waar dit boek over gaat. Een magische wereld waar je slechts iets op hoeft te schrijven, of het wordt al waarheid.

Maar niet iedereen heeft die kracht en macht – dat is alleen weggelegd voor de uitverkorenen. Uitverkorenen, die deze wereld zo mooi mogelijk proberen te maken. Ze vullen de bladerdaken van bomen met bloemen in alle mogelijke kleuren, ze vullen de zeeën en rivieren met vissen die opgloeien in de nacht, ze vullen de hemel met vogels wiens vleugels glinsteren in het zonlicht, ze bouwen de prachtigste bruggen over rivieren en laten magische bibliotheken met open daken de lucht in torenen. In die bibliotheken groeien bomen, wiens bladeren en takken een plafond maken om de boeken in de metershoge kasten te beschermen tegen regen en sneeuw.

In deze wereld waar mijn boek over gaat, is álles mogelijk en het had een perfecte wereld geweest… als er geen duistere wezens in rond hadden gedoold, die – hoe vaak de uitverkorenen het ook hebben geprobeerd – met geen mogelijkheid weggeschreven kunnen worden, en die alles proberen te vernietigen wat de uitverkorenen creëren. Deze wezens doen er alles aan om hun woorden te stelen, hun verhalen incompleet te maken en dus de wereld af te breken, tot er alleen maar leegte en duisternis overblijft.

Ik blijf typen, bijna koortsachtig, met mijn blik op het scherm van mijn laptop gericht. Het witte vel stroomt vol met woorden, mijn verhaal neemt vorm aan en komt langzaam maar zeker tot leven. Ik glimlach, voer het volume van mijn iPod op, en schrijf zo snel als ik kan. Ik introduceer mijn eerste karakter. Zijn naam is…-

Er verspringt iets op mijn scherm. Ik stop vertwijfeld met schrijven en laat mijn blik over de tekst dwalen. Ik frons. Dat is vreemd – één van de woorden halverwege een zin is verdwenen. Ik staar naar het witte gat en breng na een aarzeling de muiscursor ernaartoe-

Nóg een woord verdwijnt.

Mijn hand bevriest en mijn adem stokt. ‘Wat…-?’

Ik schrik op als ik weer een ander woord zie verdwijnen en dan nog één, en nóg eentje. Het ene na het andere witte gat duikt op en mijn hartslag versnelt als ik mijn tekst gewoonweg opgeslokt zie worden. Ik vloek onder mijn adem – Is het een virus? Word ik gehackt?! – en wil gauw het bestand wegklikken voor er meer verloren gaat-

Een harde bons op de voordeur doet me bijna van de bank opspringen en ik kijk met een ruk achterom, terwijl ik mijn oordopjes uit mijn oren trek. Het is stil in huis. Ik houd mijn adem in – en mijn hart mist een slag als er weer op de deur geramd wordt. Het is al laat, bijna middernacht; wie kan er om deze tijd nog voor de deur staan?

Haastig kom ik overeind, hoewel ik niet naar de voordeur ga – ik ga de keuken in, houd me laag en gluur met ingehouden adem door het raam om te zien wie er voor de deur staat… maar het enige wat ik opeens nog kan is naar buiten staren, en heel even vergeet ik dat er zonet iemand op de deur stond te bonzen, heel even vergeet ik mijn paniek van daarnet toen ik mijn verhaal letterlijk zag verdwijnen. Heel even vergeet ik álles.

Want de buitenwereld die ik nu zie, is niet het uitzicht dat ik gewend ben te zien vanuit mijn ramen.

De bomen zijn nog kaal, de jaarwisseling ligt pas enkele weken achter ons, maar ik zie er bloemen in groeien. Magische bloemen als ik nog nooit gezien heb, in briljante kleuren als rood, blauw en paars, en nog groter dan mijn handen. Mijn blik schiet naar de sloot aan de overkant langs het parkeerterrein voor de flat waar ik woon, waar ik glinsteringen in zie. Vissen. Opgloeiende vissen. Mijn mond zakt open en ik schud mijn hoofd. Ik kijk op als ik melodieus gekwetter hoor, het klinkt bijna als gezang, en dan een vogelzwerm zie. Hun vleugels schitteren in het licht van de volle maan, alsof ze besprenkeld zijn met sterrenstof, en-

Een harde bons op de voordeur schudt me wakker en ik kijk met een ruk op – recht in het gezicht van… van… niet van iemand, niet van een mens, maar van een wezen. Mijn hart stopt met slaan. Mijn mond wordt kurkdroog. Het wezen heeft een donkergrijze huid, een smal gezicht met ingevallen wangen en diepliggende ogen, zo donker dat het bodemloze gaten lijken. Zijn haar is lang en spierwit. Mijn ogen dwalen naar beneden toe, over zijn broodmagere lichaam dat bepantserd lijkt te zijn. Als laatste staar ik naar de silhouetten die plots opdoemen vanachter zijn rug, op het moment dat hij zich iets draait. Insectenvleugels – ze lijken op de vleugels van een vlieg, maar ze zijn reusachtig en gitzwart.

Hij staart me recht aan en ik kan me niet van hem afwenden, ik kan zelfs niet meer ademhalen-

Het gezang van de vogels verandert opeens in gekrijs en dat helpt me om mijn blik los te rukken van het monster voor mijn raam – maar het bloed stroomt uit mijn wangen als ik zie wat de vogels in paniek heeft doen raken.

Monsters, identiek aan het wezen voor het raam, komen aangevlogen door de lucht. Hun vleugels bewegen zo snel dat ze wazig zijn en ze hebben enorme klauwen, waarmee ze de vogels uit de lucht graaien. Veren en bloed regenen naar beneden toe.

Vanuit mijn ooghoeken zie ik het wezen voor het raam in beweging komen. Ik deins terug als ik zijn klauw op me af zie komen en sla mijn handen over mijn oren heen als hij met zijn nagels over het raam krast, met een hoog, schurend geluid. Voor een moment staar ik als bevroren naar de krassen die hij achterlaat in het raam. Dan stapt hij weg en verdwijnt uit mijn zicht, precies op het moment dat twee andere monsters gehurkt op de balustrade van de galerij landen. Ze draaien tegelijk hun hoofd naar me toe, in één simultane beweging, en ontbloten allebei een rij kleine, scherpe tanden.

Dan klinkt er weer een klap op de deur, opgevolgd door een geluid dat ik niet anders kan omschrijven dan als versplinterend hout.

Ze komen naar binnen.

Paniek giert door mijn keel en ik storm de keuken uit, terug de woonkamer in, waar ik haastig een blik over mijn schouder werp. Ze hebben een gat geslagen in de voordeur en ik zie graaiende klauwen die naar binnen proberen te komen-

‘Kom naar buiten! Snel!’

Bij het horen van de gedempte stem achter me, draai ik me om. Ik frons. Er staat een jongen op het balkon. Een wildvreemde jongen, met woeste donkere haren, een lange jas en sneakers. Hij gebaart wild naar me.

Ik denk niet meer na – vooral niet als ik onmenselijk gekreun hoor en één van de wezens door het gat in de voordeur naar binnen zie komen. Ik vlieg op de balkondeur af, ruk hem open en hap naar adem als de januari-kou me in mijn gezicht slaat.

‘Kom op!’ De jongen grijpt me bij mijn arm beet en klimt op de balustrade.

Ik ruk me los. ‘Wat ga je doen?!’ Wil hij naar beneden springen?!

Hij werpt me slechts een korte, gejaagde blik toe, rukt dan een stuk papier uit zijn jaszak en krabbelt er in alle haast iets op neer met een pen. Hij laat het papier los en de wind graait ernaar, gretig en hongerig – maar dat is niet waar het ritselende geluid vandaan komt: mijn ogen worden groot als ik vleugels uit de rug van de jongen gegroeid zie komen. Papieren vleugels.

Het geluid klinkt echter ook achter míj.

Ik kijk om en sper mijn ogen wijd open. Vleugels. Ik heb vleugels-

‘Volg me!’ schreeuwt de jongen en ik kijk toe hoe hij zich afzet van de balustrade, zijn vleugels spreidt… en de lucht in vliegt, hoger en hoger.

Met een klap leg ik mijn handen op de balustrade en leun voorover, terwijl ik ongelovig de jongen nakijk, die zijn vleugels krachtig op en neer slaat en steeds verder van me verwijderd raakt.

Gekreun. Gehijg. Ik draai me verschrikt om. De wezens komen het balkon op, sluipend als roofdieren, starend met hun diepe, bodemloze ogen en snuivend met hun neus. De wind trekt aan hun spierwitte haren en ik hoor klikkende geluiden als hun voeten de grond raken.

Zo snel als ik kan klim ik de balustrade op.

En spring.

Een hol gevoel vult mijn maag, alle adem wordt uit mijn longen geslagen, wind giert in mijn oren, iedere gedachte verlaat mijn hoofd als ik loodrecht naar beneden stort en de grond in een razendsnel tempo dichterbij zie komen-

Net op tijd denk ik aan mijn papieren vleugels. Ze slaan zich uit en met een ruk stijg ik hoger de lucht in. Ik slaak een kreetje en voel mijn tenen nog net langs de grond schrapen. Mijn vleugels slaan op en neer en ik blijf voor een moment deinend in de lucht hangen. Dan klinkt er echter een hoog, zoemend geluid.

De monsters. Ze zijn van het balkon achter me aan gesprongen. Hun witte haren wapperen woest in de wind en ze komen recht op me af-

Ik draai me met een ruk om; ik hoef er slechts aan te denken, of mijn vleugels reageren al. Ik vlieg weg, zo snel als ik kan. Mijn hart bonkt in mijn keel en de zenuwen gieren door mijn lijf. Ik hoor de monsters achter me aan komen, hijgend als wilde beesten.

Een klauw graait naar mijn arm. Ik schreeuw, draai me weg zodat hij me niet beet kan grijpen – en zie dan pas dat ik recht op een boom af vlieg. Er zitten bloemen tussen de kale takken, die wild heen en weer schudden als ik er tegenaan bots met een klap die harder is dan ik verwacht. Ik slaak een kreet als de takken in mijn gezicht prikken en snijden, ik knijp mijn ogen dicht en probeer mezelf te beschermen met mijn armen.

Het geluid van scheurend papier doet me heel even bevriezen.

Dan is het alsof zwaartekracht als een anker om mijn benen hangt en me naar beneden sleurt.

Ik gil, grijp de eerste boomtak beet die mijn handen kunnen vinden en voel een ruk aan mijn schouders als mijn val stopt. Ik adem schokkerig in en kijk omhoog, naar mijn handen die zich als bankschroeven om de boomtak sluiten. Ik verstevig mijn greep, mijn knokkels worden er wit van.

Ik stop met ademhalen als één van de monsters op de tak landt waar ik me aan vastklamp. De tak zakt naar beneden en kraakt. De tanden van het monster blikkeren in het maanlicht. Hij lijkt wel te grijnzen en zijn ademhaling versnelt, van opwinding en plezier, en tranen springen in mijn ogen als de tak harder begint te kraken onder al het gewicht. Mijn armspieren branden, mijn handen doen pijn, ik zak verder en verder naar beneden toe-

Eerst zie ik een razendsnelle beweging vanuit mijn ooghoeken, maar pas als twee armen om me heen geslagen worden, dringt het geritsel van papier tot me door. Plotseling stijg ik de lucht in en ik denk er net op tijd aan om de boomtak los te laten. Het monster en zijn bondgenoten kijken met een ruk op.

Maar dan zie ik de monsters niet eens meer. Iemand houdt me stevig vast en we vliegen sneller en hoger door de lucht heen, tot we boven de flat uitstijgen en alle lucht uit mijn longen geslagen wordt. De lichten naast de voordeuren zijn speldenprikjes vanaf deze hoogte, bijna als sterren, en verderop zie ik een enorme hangbrug zich uitstrekken boven een rivier, die ik geen van beiden ooit heb gezien. Er groeien honderden, misschien wel duizenden bloemen op de brug en als we dichterbij komen zie ik ook klimop. Als een brug uit een sprookje. Een fantasiewereld.

We vliegen op de brug af, dalen dan naar beneden, totdat mijn voeten de brugleuning raken en ik los word gelaten. Wind raast langs me heen en ik wankel, balancerend op de rand van de leuning, maar een hand grijpt me bij mijn arm beet en laat me pas los tot ik mijn evenwicht weer gevonden heb. Dan word ik van de leuning geholpen en ik haal opgelucht adem als ik weer vaste grond onder mijn voeten voel. Kou dringt zich door mijn sokken heen.

Ik kijk verwilderd opzij naar mijn redder. Het is de jongen weer. Zijn papieren vleugels vouwen zich ritselend in. Hij kijkt me aan, opent zijn mond om iets te zeggen-

Op het moment dat hij zich plots omdraait, zie ik het ook: de monsters. Ze komen vanachter de flat vandaan als reusachtige, boze wespen… en recht op ons af.

‘Wat zijn dat?!’ breng ik schor uit.

‘De Naamlozen,’ antwoordt de jongen gespannen, terwijl hij met zijn hand in de diepe zak van zijn jas reikt.

Ik staar hem aan. ‘De wát?’

‘Ze bestaan alleen maar om te vernietigen. Ze stelen verhalen, ideeën en namen, omdat ze die zelf niet hebben. Ze zijn niets. En het enige wat ze willen, is alles en iedereen laten verdwijnen zodat er niets meer overblijft. Geen fantasie. Geen leven. Alleen maar leegte,’ besluit hij zachtjes en hij trekt weer, net als op het balkon, een stuk papier uit zijn jaszak, samen met een klein potlood.

Het gezoem van hun vleugels wordt luider en ik deins terug. Mijn stem trilt als ik zeg: ‘Ze komen dichterbij – we moeten hier weg-’

‘Vluchten is geen optie. We moeten ze verslaan,’ onderbreekt de jongen me. Zijn stem klinkt kalm, hoewel zijn ogen schichtig afdwalen naar de wezens.

‘Verslaan?!’ herhaal ik, terwijl alles in mij schreeuwt om ervandoor te gaan.

‘Ja. Ons wapen is hetgeen wat zij niet hebben.’ Hij grijnst nerveus naar me als hij mijn blik vangt en duwt me dan het stuk papier en het potlood in mijn handen. ‘Fantasie; de kracht om iets te schapen.’

Ik staar naar het papier en het potlood tussen mijn vingers. ‘Wat…’

Plotseling steekt hij zijn arm naar me uit. Ik frons, maar dan draait hij zijn handpalm naar boven toe, stroopt zijn mouw op en ontwaart de blote huid van zijn pols. Daar staat een woord getatoeëerd in kleine, zwarte letters: Imagine.

Ik kijk verdwaasd op, recht in zijn ogen. Ze zijn groen. En vastberaden.

Eén van de monsters – de Naamlozen – slaakt een dierlijke kreet en duikt op ons af. De jongen draait zich met een ruk om, diept weer een stuk papier op uit zijn jaszak en een balpen. Hij gebruikt de brugleuning als ondergrond en begint razendsnel te schrijven. Mijn blik schiet van hem naar het naderende monster en weer terug, dan weer naar het monster-

Ik hoor hoog gekrijs, als van een vogel, en een gedaante schiet vliegensvlug op het monster af. De gedaante glinstert, het lijkt wel sterrenstof… en het monster stort naar beneden toe. Ik buig me met grote ogen over de brugleuning heen en zie het monster nog net in het water storten, waar hij op lijkt te lossen als inkt.

Een grote vogel – het lijkt wel een raaf, hoewel zijn vleugels blauw glinsteren in het maanlicht – landt vlakbij me op de brugleuning. Zijn veren zijn echter niet glad en zacht; eerder gekreukeld. Ze lijken wel… van papier. Ik kijk de jongen verbijsterd aan en hij houdt grijnzend zijn pen omhoog.

Hij wendt zich echter gauw weer af als de andere Naamlozen sissend en krijsend naar ons toe komen. Hij schrijft koortsachtig iets op en de raaf duikt meteen op ze af – maar één van de monsters grijpt hem beet. De raaf klapwiekt met zijn vleugels en ik zie hem krimpen, tot hij voor mijn ogen verdwenen is en er slechts nog papieren veren naar beneden dwarrelen.

De monsters – ze hebben hem laten verdwijnen.

In alle haast begint de jongen weer te schrijven en een volgende raaf komt aangevlogen, maar ik zie nog zeker vier monsters. Ik verstevig mijn greep op het potlood, leg het papier net als de jongen op de brugleuning…

En doe dan niets meer. Ik staar naar het witte papier. Mijn hoofd is net zo leeg. Paniek giert door mijn keel, ik kan niet nadenken, ik kan niets verzinnen-

Mijn blik wordt getrokken door bewegingen onder water. Vissen. Ze gloeien op in alle mogelijke kleuren en zwemmen onrustig rond, alsof ze het gevaar boven hen voelen. Ik kijk vluchtig naar de raaf die de strijd aangaat met de monsters.

Ik klem mijn kaken op elkaar en kras met het potlood over het papier.

Ik schrijf de laatste letter op – en vrijwel direct begint het water onder de brug woest te kolken. Wind raast langs me heen, ik denk de brug zelfs onder mijn voeten te voelen trillen en stop met ademhalen als de woorden die ik net heb opgeschreven, plotseling tot leven komen voor mijn ogen:

Een reusachtige, gevleugelde vis komt uit het water gesprongen. Zijn papieren schubben gloeien op in een zachte oranje kleur, zijn vinnen zijn goud en zijn staart is rood. Het lijkt wel een vlam en hij is zo briljant van kleur dat ik mijn ogen af moet schermen. Zijn vleugels, echter, zijn zo doorzichtig als water. Ik zie de kracht van zijn lichaam als hij in een boog door de lucht springt en water regent in een witte waas naar beneden als hij zijn vleugels uitslaat. De jongen en ik deinzen tegelijk achteruit, maar onze haren en kleding zijn binnen de kortste keren doorweekt. Ik veeg gauw een paar natte strengen uit mijn gezicht om te kunnen zien wat er gebeurt en ik hoor de adem van de jongen stokken.

De vis vliegt door de lucht heen, zo gewichtsloos als papier, spert zijn bek wijd open – en in één hap verzwelgt hij de monsters.

Met een klap duikt de vis terug de rivier in. Water spat op, een golf stort zich bovenop de brug en rolt over ons heen. De kracht van het water slaat me omver. Ik val met een doffe klap op de grond, alle adem wordt uit mijn longen geslagen en ik voel hoe het water me over de brug heen begint te sleuren-

De jongen grijpt mijn pols beet. Ik kijk op, proestend door het water, en zie dat hij zich vast heeft gegrepen aan een spijl van de brugleuning. Het water raast verder, maar komt dan tot rust. We blijven hijgend liggen, hoesten meer water op en happen naar adem.

Mijn armen trillen als ik me overeind druk. Ik blijf op mijn knieën zitten en kijk omhoog naar de lucht. Ik zie de sterren. Een paar wolken die voorbij gedreven komen.

‘Zijn ze weg?’ vraag ik met hese stem.

De jongen lacht zwakjes, gaat staan en schudt het water uit zijn haar. ‘Als dát ze niet verslagen heeft, dan weet ik het niet meer.’ Hij steekt zijn hand naar me uit en trekt me overeind.

‘Maar,’ begin ik, ‘hoe…- Ik bedoel, ik schreef gewoon iets op, dat was alles-’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Dat was niet “alles”. Dat,’ gaat hij verder en hij glimlacht, ‘was de ware kracht van je fantasie. Waarom denk je dat de Naamlozen er zo bang voor zijn? Fantasie is grenzeloos. En wij – de schrijvers, de kunstenaars, iedereen die creëert – hebben de kracht om de wereld mooier te maken… en zo te beschermen tegen vernieling en duisternis.’

‘Is dat wat jij doet?’ vraag ik.

‘Ja.’ Hij knikt. ‘En het is nu ook wat jij doet.’

Ik bestudeer hem. ‘Wie ben jij?’

‘Seb,’ antwoordt hij en hij grijnst weer. ‘Aangenaam kennis met je te maken…-’

‘Ben je nou nog steeds aan het werk? Heb je enig idee hoe laat het is?’

Ik knipper met mijn ogen.

En in een klap zit ik weer op de bank in de woonkamer van mijn huis, met mijn laptop op mijn schoot, en digitale bladzijdes volgeschreven met woorden. Gedesoriënteerd kijk ik op, recht in het gezicht van mijn zus. Ze zet haar handen in haar zij en trekt een wenkbrauw op. Ze heeft haar pyjama aan en achter haar zie ik de klok aan de muur hangen. Het is al bijna half één.

‘Uh…’

‘Je moet het zelf weten, maar als ik jou was zou ik maar eens naar bed gaan – dat is in elk geval wat ík ga doen,’ voegt ze eraan toe. ‘Welterusten.’

‘Ja… slaap lekker,’ mompel ik warrig en pas als ik me terug wend tot mijn laptop, merk ik hoe zwaar mijn oogleden zijn. Ik frons en laat mijn ogen over de laatste zin dwalen; de zin waarin één van de hoofdpersonen, Seb, zich voorstelt.

Ik glimlach flauwtjes. Misschien is het inderdaad maar beter dat ik naar bed toe ga. Ik leef me veel te veel in. Ik sluit alles af, klap mijn laptop dicht en slof geeuwend door het huis heen. Dan stop ik en kijk naar de voordeur. Geen gat te bekennen, geen monsters die naar binnen proberen te komen. Na een aarzeling loop ik naar de keuken toe. Ik kijk door het raam naar buiten. De bomen zijn kaal, er bloeien geen bloemen, en de sloot aan de overkant is aardedonker.

Kon mijn boek maar waarheid worden en konden woorden maar écht magisch zijn. Dan zou de wereld er heel anders uit gaan zien dit jaar.

 

* * *

 

Het is stil in de bibliotheek. Ik loop langs de kasten en laat mijn ogen over tientallen titels dwalen. Al die verhalen, al die werelden die verborgen zitten in de bladzijdes; het is ongelooflijk, de hoeveelheid fantasie die je kan vinden, allemaal bij elkaar in één gebouw.

Ik kijk om me heen en denk aan het boek dat ik gisteravond ben begonnen te schrijven. In die fantasiewereld zijn er ook bibliotheken, met open daken en bomen waarvan de bladerdaken als een plafond dienen. Ik zie het bijna voor me, nu ik hier sta. Zie mijn ideeën bijna tot leven komen als magie. Overal waar ik kijk, kan ik wonderlijke dingen zien.

Ik schud mezelf wakker, wend me terug tot de kast waar ik voor sta en reik dan omhoog om één van de boeken te pakken.

Iemand pakt het boek beet op precies hetzelfde moment. Ik kijk beduusd op. ‘Oh, sorry…-’ De verontschuldiging sterft op mijn tong als ik recht in twee groene ogen kijk.

Het is een jongen met wild, donker haar, en hij draagt een lange jas en afgetrapte sneakers. Hij trekt het boek uit de kast en steekt hem naar me uit. ‘Goed boek,’ zegt hij glimlachend. ‘Een aanrader.’

Ik pak het boek echter niet van hem aan. De mouw van zijn jas is omhoog gekropen en ik staar naar zijn pols.

Imagine.

‘Seb…?’ breng ik uit.

Zijn glimlach groeit uit tot een grijns. Hij komt dichter bij me staan en duwt me het boek in mijn handen. ‘Woorden zijn magisch,’ begint hij, ‘en ik beloof je dat dit jaar een jaar van magie kan worden. Ben je er klaar voor?’

Hij steekt zijn hand naar me uit.

Plotseling verandert het licht in de bibliotheek. Ik zie lantaarns aan de kasten hangen waar vuur in flakkert en ik zie dat de vloer bezaaid is met boombladeren. Ik vergeet om adem te halen als ik opkijk en een enorme boom met een witte bast, precies in het midden van de bibliotheek, de lucht in zie torenen. Tientallen takken en honderden twijgen vormen een ingewikkeld web, waar groene bladeren uit groeien. Zonlicht glipt hier en daar door het bladerdak heen en een bries doet de bladeren ruisen, waardoor vlekjes van licht over de kasten, de boeken en de vloer dansen. Als ik daarna door één van de ramen naar buiten kijk, zie ik vogels met glinsterende vleugels door de lucht vliegen en bloemen langs lantaarnpalen groeien.

Ik draai me terug naar Seb. Hij knikt naar me. Ik kijk naar zijn uitgestoken hand en herinner me zijn vraag: Ben je er klaar voor?

Ik verstrengel mijn vingers met de zijne.

‘Altijd,’ fluister ik.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

“De Magie van Woorden” is mijn inzending voor de schrijfwedstrijd My2018, georganiseerd door Sweek.

Dit is mijn tweede jaar als indie-auteur van young adult/urban fantasy boeken, dus het is vast geen verrassing wat ik dit jaar ga doen (en eigenlijk al aan het doen ben!): boeken schrijven.

En boeken schrijven, dat is waar dit verhaal over gaat… maar dan met een fantasy twist.

Want je fantasie kan krachtiger – en soms ook gevaarlijker – zijn dan je zou denken…

Advertenties

6 gedachtes over “De Magie van Woorden

  1. Oh, wow… Dit is echt geweldig! Wat een ongelooflijk cool concept, en super geschreven! Ik wil eigenlijk bijna weten hoe het verder gaat met je heldin en Seb 😀 Vijf sterren plus een super-heart-like ❤

    Liked by 1 persoon

    • Heel erg bedankt!!! ❤ Ik ben zo blij dat je het leuk vindt!! Haha, ja, er zou een heel verhaal achter kunnen zitten, hè? Nou, misschien dat ik er op een dag meer over zal schrijven. Momenteel heb ik al genoeg projecten lopen, maar wie weet? 😀

      Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s