Kompas

De Wintergeesten. Ze zullen hier elk moment zijn.

Koude wind bijt in mijn gezicht en dikke sneeuwvlokken dwarrelen voor mijn ogen naar beneden toe. Ik sta te wachten bij de oude houten brug, de brug die naar de Verre Landen leidt, met een kompas in mijn hand.

Het kompas is al oud. Jaren oud, eeuwenoud. Er zitten krassen in van het vele gebruik – het kompas is overgegaan van generatie op generatie –, maar hij glanst nog steeds in het zonlicht.

Zonsopgang, en daarmee zonlicht, is nu echter nog ver weg. Ik kijk met samengeknepen ogen tegen de sneeuw op naar de lucht. Het is nog vroeg op de ochtend en de dagen zijn kort in de winter.

Het zal echter niet lang meer duren tot de winter vertrekt.

Ik blijf in de verte turen, naar de roerloze besneeuwde bergen en dennenbomen. Ik heb mijn muts tot ver over mijn oren getrokken, de kraag van mijn jas hoog opgezet en handschoenen aangedaan. Ik sluit mijn vingers stevig om het kompas, voel het gewicht op mijn handpalm.

Een beweging vanuit mijn ooghoeken trekt mijn aandacht.

In eerste instantie lijken het de besneeuwde bergen in de verte te zijn – maar ze bewegen. Ze lopen naar me toe. Langzaam, maar gestaag. Klaar om te beginnen aan hun reis.

De Wintergeesten.

Het zijn grote wezens, metershoog, zo wit als sneeuw en rond van vorm. Ik weet nog net hoofden en armen te ontwaren, die recht langs hun lichamen naar beneden hangen. Het zijn reuzen, met diepliggende ogen waarvan men zegt dat je er de sterrenhemel in kan zien. De wind buldert in mijn oren als ze dichterbij komen – het zijn er tientallen – en ik moet mijn muts beetgrijpen voor hij van mijn hoofd waait als één van de geesten voor me halt houdt. De grond beeft zachtjes.

De Wintergeest zegt geen woord. Ik ook niet. Ik knik naar hem, vechtend tegen de wind om rechtop te blijven staan, en strek dan mijn hand met het kompas naar hem uit.

Heel even gebeurt er niets. Dan tilt de Wintergeest zijn arm op en komt zijn reusachtige hand naar me toe. Zijn hand lijkt meer op een dierenpoot, hoewel ik geen nagels zie, en is zeker twintig keer groter dan de mijne.

Hij pakt het kompas van me aan, dat opeens minuscuul lijkt in zijn hand.

De Wintergeest knippert eenmaal met zijn ogen en lijkt dan voor me te buigen. Alle andere geesten volgen zijn voorbeeld, en ook ik laat mijn hoofd zakken; ik bedank hen zonder woorden voor de winter die ze drie maanden geleden naar ons toe hebben gebracht.

Nu, echter, is het tijd dat ze vertrekken en de winter naar de Verre Landen brengen.

Ze rechten hun rug weer. Ik ook. Er klinkt zacht gerommel en de grond begint weer te beven als ze in beweging komen en achter elkaar de brug op lopen. Hun stappen zijn langzaam, log, maar ik kan hun benen niet eens ontwaren en daardoor lijken ze eerder te glijden dan te lopen.

De houten brug kraakt. Ik kijk de optocht van de Wintergeesten na, die in alle rust de oversteek maken. Dit is het begin van hun reis. Eenmaal in de Verre Landen zullen ze het kompas aan de Zomergeesten geven, die op hun beurt zullen terugreizen om mijn familie – míj, nu ik de taak over heb genomen – het kompas terug te geven en de zomer naar ons land te brengen.

De reis duurt drie maanden. In die drie maanden is het herfst of lente. De winter of de zomer begint pas zodra de geesten arriveren.

Ik blijf de Wintergeesten nakijken, ondanks de kou; ik blijf naar ze kijken tot ze de brug overgestoken zijn en in de verte verdwijnen. Ik staar naar de bewegende puntjes, die ik alsmaar beter weet te ontwaren naarmate de sneeuw afneemt.

Als slechts nog een paar verdwaalde vlokken naar beneden dwarrelen, hef ik mijn gezicht op naar de lucht. Mijn ogen worden groot van kinderlijke verwondering. De lucht baadt in kleur; noorderlicht beweegt in bogen door de hemel, verderop lijkt het zelfs op te vlammen als groen, blauw en paars vuur.

Ik glimlach. Het laatste geschenk van de winter.

Zo snel als het noorderlicht verschenen is, zie ik het vervagen en ik sta in absolute stilte in de sneeuw, opkijkend naar de donkere hemel boven me, besprenkeld met sterren.

Het is tijd voor de lente. En het wachten begint op de Zomergeesten – lange, slanke wezens; doorschijnend, hoewel ze lijken te branden als vuur in de zonsondergang –, die over een aantal maanden terugkeren uit de Verre Landen om de zomer en het kompas terug te brengen.

Het kompas wijst de seizoenen al eeuwenlang de weg.

Ik slik.

En ik hoop dat het jou ook op een dag de weg wijst, bedenk ik me in stilte, en dat je weer terugkomt. Net als de seizoenen.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

 

Dit korte verhaal, Kompas, is geïnspireerd door de WordPress Daily Prompt “Compass” van 18 december 2017.

Advertenties

9 gedachtes over “Kompas

  1. O, wow… prachtig!

    Alleen het concept alleen is al te mooi voor woorden; de seizoenen die als goden over onze wereld trekken aan de hand van een kompas, en de uitwerking is net zo magisch. Ongelooflijk goed geschreven, wederom (:

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s